ECLI:NL:RBAMS:2026:7345

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/13/788892
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verhoging kinderalimentatie en toewijzing betaling schoolkosten 50/50

Partijen, die samen drie minderjarige kinderen hebben, zijn het oneens over de verdeling van de schoolkosten en de hoogte van de kinderalimentatie. De man vordert een verhoging van de kinderalimentatie in kort geding, vooruitlopend op de bodemprocedure, maar dit wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. De vrouw betaalt reeds maandelijks een bedrag en er is een bodemprocedure aanhangig.

De kinderen bezoeken een internationale school waarvoor de kosten de afgelopen 13 jaar gelijkelijk door partijen zijn gedragen. De man stelt dat hij zijn aandeel niet meer kan betalen en wil dat de vrouw 75% van de kosten draagt vanwege inkomensverschil. De vrouw eist dat de kosten 50/50 blijven verdeeld.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de vrouw en oordeelt dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij financieel niet kan bijdragen. Bovendien heeft de vrouw aangeboden het aandeel van de man voor te schieten en dit te verrekenen met de netto-opbrengst van de verkoop van de gezamenlijke woning.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man af en veroordeelt hem tot betaling van zijn aandeel in de schoolkosten aan de vrouw, met een regeling voor verrekening bij niet-tijdige betaling. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige verhoging kinderalimentatie afgewezen; man moet schoolkosten 50/50 betalen met vrouw.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788892 / KG ZA 26-470 MdV/KH
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van
[de man],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 5 juni 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. de Falco,
tegen
[de vrouw],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.W. Morot.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman als griffier.
Aanwezig zijn, voor zover relevant:
- de man met [naam 1] (tolk Engels) en mr. De Falco,
- de vrouw met [naam 2] (tolk Engels) en mr. Morot.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling op 26 juni 2026 heeft de man de dagvaarding toegelicht. De vrouw heeft mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd en heeft een eis in reconventie ingesteld, die de man heeft bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 26 juni 2026 aan partijen is afgegeven.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen hebben een relatie gehad en zij hebben samen drie kinderen: [minderjarige 1] (17 jaar), [minderjarige 2] (14 jaar) en [minderjarige 3] (12 jaar).
2.2.
De kinderen zitten op een internationale school, [onderwijsinstelling] ([onderwijsinstelling]). Partijen hebben de daaraan verbonden kosten de afgelopen 13 jaar 50/50 verdeeld. De eerstvolgende betalingen aan [onderwijsinstelling] moeten uiterlijk op 1 juli 2026 en 31 oktober 2026 plaatsvinden.
2.3.
De man vordert in dit kort geding onder meer (verhoging van de) kinderalimentatie, vooruitlopend op de uitkomst van de bodemprocedure die hij daarvoor heeft gestart. Deze vordering wordt afgewezen bij gebrek aan een (spoedeisend) belang. Er is hierover een bodemprocedure aanhangig en de vrouw betaalt momenteel al elke maand een bedrag. Niet aannemelijk is dat er een acute noodzaak is om in kort geding een voorschot op nog vast te stellen alimentatie toe te kennen.
2.4.
Verder is aan de orde de vraag wie welk deel van de schoolkosten van de kinderen betaalt. Het is zorgwekkend dat deze zaak aan de voorzieningenrechter is voorgelegd en dat partijen als ouders niet in staat zijn gebleken het belang van hun kinderen voorop te stellen. Vaststaat dat de kinderen bij niet tijdige betaling van het schoolgeld van hun vertrouwde school af moeten. Dat is zonder meer niet in hun belang. Partijen hebben de schoolkosten 13 jaar lang 50/50 verdeeld. De man zegt nu dat hij zijn deel niet meer kan betalen en dat gelet op het inkomensverschil tussen partijen de vrouw 75% van de kosten moet betalen. De vrouw op haar beurt meent dat net als altijd partijen ieder de helft moeten blijven betalen.
2.5.
Het standpunt van de vrouw wordt gevolgd. Het 50/50 delen van de schoolkosten is een bestendige afspraak. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door financieel onvermogen deze afspraak niet meer kan nakomen. Het enkele feit dat hij een WW-uitkering krijgt is daarvoor onvoldoende. Het valt in dit kort geding niet vast te stellen dat de man minder draagkracht heeft dan de vrouw. Bovendien is het zo dat, voor zover de man wel financieel klem zou zitten, de vrouw een uitweg heeft geboden. Zij heeft aangeboden het aandeel van de man in de schoolkosten voor te schieten en te verrekenen met de netto-opbrengst van de verkoop van de gezamenlijke woning van partijen. Ook dat draagt bij aan het oordeel dat geen sprake is van een financiële noodsituatie bij de man.
2.6.
Voorgaande betekent dat de vorderingen van de man in conventie worden afgewezen. De vorderingen van de vrouw in reconventie worden toegewezen, in die zin dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 5.881 op uiterlijk 30 juni 2026 en € 5.881 op uiterlijk 30 oktober 2026. Als de man deze bedragen niet (tijdig) voldoet, zal de vrouw ook zijn aandeel in de schoolkosten op zich nemen en verkrijgt zij daarmee een vordering van dezelfde hoogte op de man, die moet worden voldaan uit het aan de man toekomende aandeel in de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning, uiterlijk op de dag van de notariële levering aan de koper.
2.7.
Uitgangspunt in dit soort zaken is dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er is – in conventie en in reconventie – onvoldoende aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
3.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
3.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
3.3.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 5.881 op uiterlijk 30 juni 2026 en € 5.881 op uiterlijk 30 oktober 2026, beide voor zijn aandeel in de schoolkosten, met bepaling dat als de man niet (tijdig) aan deze veroordeling voldoet, de vrouw ook zijn aandeel in de schoolkosten voor haar rekening neemt, waardoor zij dan een vordering van dezelfde hoogte op de man verkrijgt, die moet worden voldaan uit het aan de man toekomende aandeel in de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning, uiterlijk op de dag van de notariële levering aan de koper,
3.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter en de griffier. [1]

Voetnoten

1.Coll: JT