ECLI:NL:RBAMS:2026:7363

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/13/788967 / FA RK 26/4498
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10 lid 1 sub b en c TrwArt. 6.2 TrbArt. 8:15 lid 1 WvggzArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen rookverbod in binnentuin GGZ-instelling

Verzoeker, opgenomen in een GGZ-instelling op grond van een zorgmachtiging, maakte bezwaar tegen het rookverbod in de binnentuin van de instelling. Hij stelde dat het rookverbod een te zware inbreuk vormt op zijn vrijheid en dat de klachtencommissie ten onrechte zijn klacht niet-ontvankelijk had verklaard.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker ontvankelijk is in zijn beroep nu verweerder zich niet langer op niet-ontvankelijkheid beroept. De wettelijke grondslag voor het rookverbod is gelegen in de Tabaks- en rookwarenwet en het bijbehorende besluit, die een rookverbod voorschrijven in gebouwen en terreinen van zorginstellingen. De binnentuin valt onder het rookverbod omdat deze als onderdeel van het gebouw wordt beschouwd.

De rechtbank overwoog dat het rookverbod een inbreuk vormt op het zelfbeschikkingsrecht, maar dat deze inbreuk een wettelijke basis heeft, noodzakelijk is voor de veiligheid en ordelijke gang van zaken binnen de instelling, en proportioneel en subsidiariteitseisen voldoet. De klachtencommissie had de klacht inhoudelijk moeten behandelen, maar het beroep wordt inhoudelijk ongegrond verklaard. Verzoeker krijgt wel de mogelijkheid om onbegeleid verlof te nemen om te roken.

De rechtbank bevestigt het rookverbod in de binnentuin en wijst het verzoek tot het verbieden van het rookverbod af. De beschikking is mondeling gegeven op 3 juli 2026 en schriftelijk uitgewerkt op 16 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het rookverbod in de binnentuin van de GGZ-instelling wordt ongegrond verklaard en het rookverbod bevestigd.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/788967 / FA RK 26/4498
Beschikking van 3 juli 2026 over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,
wonende- en verblijvende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: S.W.A.M. Henselmans te Amsterdam,
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
de zorgaanbieder Arkin,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: verweerder.

1.Procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ingediend door verzoeker, ontvangen door de griffie op 7 juni 2026;
- het verweerschrift, met bijlagen, ingediend door verweerder, ontvangen door de griffie op 24 juni 2026;
- de ter zitting door verweerder overgelegde nieuwe huisregels en de lijst met contrabande.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026 in het gebouw van verweerder op de locatie [adres] (hierna: de instelling). Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- verzoeker en zijn raadsman;
- mw. [naam 1] , directeur van de instelling;
- mw. [naam 2] , jurist bij verweerder;
- dhr. [naam 3] , Geneesheer-Directeur van verweerder.

2.De feiten

2.1.
Op 27 maart 2026 is ten behoeve van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. Verzoeker is op grond van deze zorgmachtiging opgenomen op de afdeling Langdurige Intensieve Zorg (LIZ) van de instelling. Aan verzoeker is verplichte zorg aangezegd, waaronder het ‘beperken van bewegingsvrijheid’ en ‘opnemen in een accommodatie’.
2.2.
Verzoeker kan de instelling niet zelfstandig verlaten. Verzoeker heeft inmiddels wel de mogelijkheid gekregen om met onbegeleid verlof te gaan.
2.3.
Sinds 1 januari 2025 hanteert verweerder een nieuw rookbeleid, hetgeen inhoudt dat een algeheel rookverbod is ingevoerd in lijn met het Nationaal Preventieakkoord, dat streeft naar een geheel rookvrije zorgomgeving in Nederland in 2030 en geheel rookvrije GGZ-instellingen aangesloten bij GGZ Nederland uiterlijk in 2025. Sinds 1 juli 2026 valt de instelling niet meer onder de uitzonderingen zoals genoemd in de huisregels van verweerder: ‘
dat je niet in de gebouwen of op het terrein van Arkin rookt (Arkin is rookvrij). Op enkele locaties gelden er uitzonderingen.’. Ook binnen de instelling is het rookverbod met ingang van 1 juli 2026 van toepassing voor de gehele instelling, waaronder de binnentuin. Vanaf 1 juli 2026 staat rookwaar op de lijst van contrabande opgenomen.
2.4.
Verzoeker heeft op 8 april 2026 een klacht ingediend bij de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) tegen het rookbeleid, waarbij het hem niet wordt toegestaan om in de binnentuin van de instelling te roken.
2.5.
De klachtencommissie heeft bij beslissing van 13 mei 2026 de klacht niet-ontvankelijk verklaard (hierna: de beslissing). Deze beslissing is op 18 mei 2026 aan betrokkene verzonden.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoeker komt op tegen de beslissing. Verzoeker verzoekt de rechtbank - samengavet - om de beslissing te vernietigen en verweerder te verbieden om een rookverbod in de binnentuin van de instelling op te leggen op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat niet aan de beslissing van de rechtbank wordt voldaan.
3.2.
Om te beginnen heeft verzoeker bepleit dat de klachtencommissie de klacht ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat het nieuwe rookbeleid op het moment van het nemen van de beslissing nog niet op schrift was gesteld kan niet aan verzoeker worden tegengeworpen. Het schriftelijkheidsvereiste is bedoeld om de patiënt te beschermen door zeker te stellen dat hij kennis kan nemen van de in een instelling toepasselijke huisregels. Aan de patiënten was al bekend gemaakt dat het nieuwe rookbeleid zou gelden vanaf 1 juli 2026. Verzoeker kon daar dus ook al over klagen, ook al was het nieuwe beleid nog niet schriftelijk vastgelegd in de huisregels (zie ECLI:HR:2023:1048). De klachtencommissie had de klacht inhoudelijk moeten behandelen, maar heeft dat niet gedaan.
3.3.
Daarnaast bepleit verzoeker dat onduidelijk is wat de wettelijke grondslag is voor het algehele rookverbod en dat een algeheel rookverbod voor hem een te ernstige inbreuk op zijn vrijheid zijn eigen leven in te richten is. Huisregels mogen geen andere regels bevatten dan die nodig zijn voor een ordelijke gang van zaken in een psychiatrisch ziekenhuis en dat zij de vrijheid van handelen van de patiënt niet verder beperken dan nodig is. Ook mogen huisregels (zoals genoemd in artikel 10:3 lid 1 aanhef Pro sub k. Wvggz.) nimmer fundamentele rechten op vrijheden beperken. Met name mag geen inbreuk gemaakt worden op artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (verbod foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen), artikel 8 EVRM Pro (recht op respect voor het privéleven) en artikel 11 Grondwet Pro (recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam). Roken is weliswaar ongezond, maar in Nederland niet verboden en het rookverbod vormt geen onderdeel van de behandeling van zijn psychiatrische aandoening. De binnentuin van de instelling is groot genoeg om verzoeker en andere rokers de gelegenheid te bieden te roken zonder dat zij hinder of overlast bieden aan anderen. Verzoeker moet net zoals mensen die niet zijn aangewezen op een verblijf in een GGZ-instelling, de vrijheid hebben om te roken. Daarbij speelt ook een rol dat verzoeker weinig omhanden heeft en het roken een essentieel onderdeel is van zijn bezigheden.

4.Het verweer

4.1.
Verweerder verzet zich niet langer tegen een inhoudelijke beoordeling van de klacht gelet op het feit dat het nieuwe rookbeleid inmiddels schriftelijk is vastgelegd in de huisregels. De klacht dient op inhoudelijke gronden ongegrond te worden verklaard.
4.2.
Het gewijzigde rookbeleid vormt een verdere implementatie van de wettelijke verplichting die op verweerder rust op grond van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). Het rookbeleid geldt voor alle locaties, medewerkers en cliënten van verweerder. Daar het geen individueel besluit betreft of de cliënt wel/niet mag roken binnen de instelling maakt het rookbeleid ook geen onderdeel uit van het individuele behandelplan van de cliënt. In de Trw zijn, in het belang van de volksgezondheid, regels opgenomen over de beperking en ontmoediging van het gebruik van tabak en het tegengaan van hinder voor mensen die geen tabak gebruiken. De Trw is verder uitgewerkt in het Tabaks- en rookwarenbesluit (hierna Trb). In de Trw (art. 10, lid 1 onder b en c) staat dat het verplicht is om in een gebouw of inrichting die gebruikt wordt door een instelling of vereniging voor gezondheidszorg een rookverbod in te stellen en te handhaven. Vanaf 1 juli 2021 zijn, conform de Trw, alle rookruimtes in ggz-instellingen gesloten en is het niet meer toegestaan om een rookruimte te faciliteren binnen de ggz-instelling. Dit betekent ook dat een beschutte rookplek op binnenplaatsen en afdakjes van het gebouw niet toegestaan is omdat deze plaatsen vallen onder het rookverbod. De Trw verplicht verweerder als instelling voor geestelijke gezondheidszorg om een rookverbod in te stellen in haar gebouwen en aangrenzende terreinen. Artikel 10 lid 2 Trw Pro biedt de mogelijkheid om uitzonderingen aan te brengen op het rookverbod. Artikel 6.2 Trb bepaalt daaromtrent het volgende: De verplichting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet en in artikel 6.1 van dit besluit, geldt niet:
a.in ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer;
b.in de open lucht.
Het Trb biedt de mogelijkheid om een uitzondering aan te brengen op het rookverbod. Dit is echter geen verplichting en het is aan de instelling om te bepalen of en op welke wijze een uitzondering aangebracht wordt. Voor de LIZ geldt dat de binnentuin niet valt onder de definitie van open lucht zoals vastgelegd in het Trb. Dat heeft te maken met het feit dat de binnentuin is omgeven door het gebouw waar cliënten verblijven en personeel werkzaam is. Derhalve geldt ook voor de binnentuin dat deze aangemerkt moet worden als onderdeel van het gebouw en daarmee op grond van de Trb rookvrij dient te zijn. Er is dus geen sprake van de situatie waarbij de verplichting tot het instellen van een rookverbod niet geldt. Dit betekent voor verweerder dat hij op grond van de Trw en Trb verplicht is tot het instellen van een rookverbod in de binnentuin van de instelling.
4.3.
Verweerder is van mening dat los van de wettelijke plicht, ook voor de ordelijke gang van zaken en veiligheid binnen de instelling het noodzakelijk is om de gehele instelling als rookvrij aan te merken. Op grond van artikel 8:15 lid 1 Wvggz Pro mag de zorgaanbieder huisregels opstellen voor de ordelijke gang van zaken en de veiligheid, passend bij de doelgroep, in de accommodatie. Het belang van een veilige behandelomgeving voor de zorgverlening noopt tot huisregels die het verblijf voor zowel betrokkene als voor medepatiënten, bezoekers en personeel zo goed en veilig mogelijk inrichten. De algemene huisregels gelden op alle locaties van verweerder en ongeacht de verblijfstitel (vrijwillig of verplicht), dus ook op de LIZ in de instelling. Op de LIZ gelden ook nog aanvullende specifieke kliniekregels die zijn opgesteld vanwege het forensische karakter en het hoge beveiligingsniveau van de kliniek. Om rekening te houden met de specifiek doelgroep op de LIZ is geprobeerd om het rookbeleid gefaseerd in te voeren. Afgelopen anderhalf jaar is daarom geprobeerd om roken in de binnentuin van de LIZ toe te staan op daarvoor aangewezen plekken. Dat heeft echter geleid tot veel overlast van sigaretten in de gehele binnentuin. Er werd op verschillende plekken gerookt, cliënten werden hierop aangesproken maar hervatten het roken vervolgens elders. Medewerkers hebben aangegeven dat dit veel tijd en energie heeft gekost en heeft geleid tot voortdurende discussies over waar wel en niet gerookt mocht worden. Daarnaast heeft het roken in de binnentuin bijgedragen aan een onveilige sfeer omdat cliënten zich niet hielden aan de rookplekken en zowel medewerkers als medecliënten zich niet veilig voelden om de rokende cliënten hierop aan te spreken. Ter zitting is toegelicht dat op verzoek van de cliëntenraad het beleid omtrent het algehele rookverbod versneld is ingevoerd om onveilige situaties te voorkomen. De patiënten wordt vanaf 1 juli 2026 extra sportactiviteiten en dagbesteding aangeboden naast de reed beschikbare begeleiding bij het stoppen met roken.

5.Beoordeling

5.1.
Nu verweerder zich niet langer beroept op de niet-ontvankelijkheid van het verzoek en het verzoek tijdig is gedaan is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank dient dan de vraag te beantwoorden of het rookverbod zoals opgenomen in de huisregels van verweerder zich mag uitstrekken tot het verbieden van roken in de (gehele) binnentuin van de instelling.
5.2.
Vaststaat dat het rookverbod een inbreuk is op het zelfbeschikkingsrecht van verzoeker en dat de zorgmachtiging daarvoor geen grondslag biedt. Uit de artikelen 3 en 8 EVRM en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet volgt dat voor een inbreuk op de lichamelijke integriteit en op iemands privéleven, een wettelijke grondslag aanwezig moet zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2087, r.o. 3.3.2.) en daarnaast een noodzaak. Ook dient het ingrijpen proportioneel te zijn en de minst ingrijpende maatregel te zijn.
5.3.
De wettelijke grondslag van het algehele rookverbod in de instelling is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in de Trw en Trb. zoals onder 4.2 is weergegeven. Verweerder is op grond daarvan verplicht het rookverbod ook in de binnentuin in te voeren, omdat de binnentuin onderdeel is van de instelling.
5.4.
Daarnaast voldoet het rookverbod in de binnentuin ook aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat het beleid waarbij nog wel in de binnentuin gerookt mocht worden niet te handhaven was en heeft geleid tot onveilige situaties voor (mede)cliënten en medewerkers. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de cliëntenraad zelf heeft verzocht om een rookverbod in de binnentuin om onveilige situaties te voorkomen. Het nieuwe rookbeleid is dan ook noodzakelijk voor een ordelijke gang van zaken binnen de instelling en de veiligheid van alle betrokken personen. Verweerder heeft het rookbeleid juist gefaseerd ingevoerd gelet op de problematiek van de patiënten op de LIZ en biedt zo goed als mogelijk behandeling, begeleiding en afleiding als alternatief voor het roken. Meer dan dat kan van verweerder gelet op de wettelijke verplichting en noodzaak niet verwacht worden. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder in het geval van verzoeker zo flexibel mogelijk omgaat met de onbegeleid verlofmomenten, zodat hij op meerdere momenten op een dag toch naar buiten kan om te roken. Van belang is wel dat verzoeker zich goed aan de afspraken (blijft) houden.
5.5.
Het beroep van verzoeker zal daarom ongegrond worden verklaard en het gevorderde verbod op het uitvoeren van het rookbeleid in de binnentuin zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep van verzoeker tegen het oordeel van de klachtencommissie ongegrond.
Deze beschikking is op 3 juli 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. M. van der Kaay, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 16 juli 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.