ECLI:NL:RBAMS:2026:7384

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
11832115 \ CV EXPL 25-10947
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 1 BWArt. 6:15 BWArt. 6:96 BWArt. 7 UHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijkheid huurprijs en waardering energielabel na einde huurovereenkomst

De zaak betreft een geschil over de redelijkheid van de kale huurprijs van een woning in Amsterdam-West, verhuurd van april 2023 tot maart 2025. De huurders hadden de aanvangshuurprijs laten toetsen door de Huurcommissie, die uitkwam op een lagere huurprijs gebaseerd op een energielabel C. De verhuurder stelde dat het energielabel B, vastgesteld na afloop van de huurovereenkomst, meegewogen moest worden.

De kantonrechter oordeelt dat het energielabel B, hoewel na het einde van de huurovereenkomst vastgesteld, relevant is omdat de feitelijke situatie van de woning niet is veranderd. Dit leidt tot een puntentelling boven de liberalisatiegrens, waardoor de overeengekomen huurprijs van €1.750 als redelijk wordt beschouwd. De primaire vordering van de verhuurder tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek bij de Huurcommissie wordt afgewezen vanwege ondeelbaarheid van de rechtsverhouding.

De vordering tot vergoeding van legeskosten van €500 wordt afgewezen omdat deze kosten niet onder proceskosten vallen en geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding. In reconventie wordt de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde huur afgewezen, maar de verhuurder wordt veroordeeld tot terugbetaling van €196 aan ingehouden borg, omdat de bank bij aanvang al beschadigd was. Proceskosten worden verdeeld, waarbij de huurders hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van €690,95 aan proceskosten.

Uitkomst: De huurprijs van €1.750 is redelijk met meeweging van energielabel B; legeskosten worden niet vergoed; borg van €196 wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11832115 \ CV EXPL 25-10947
Vonnis van 16 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J.Chr. Rube,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] c.s.,
gemachtigde: mr. S. van Eck.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 juli 2025, met producties;
- de incidentele conclusie tot voeging van [gedaagde 2] , met een productie;
- het antwoord in het incident tot voeging van [eisende partij] ;
- het tussenvonnis van 9 december 2025, waarin het [gedaagde 2] is toegestaan zich aan de zijde van [gedaagde 1] te voegen;
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 20 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. [eisende partij] is verschenen met de gemachtigde en een tolk Mandarijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn verschenen met de gemachtigde. Zij zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigde van [gedaagde 1] c.s. heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die in het dossier zijn gevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die eveneens in het dossier zijn gevoegd. Ten slotte is een vonnis gevraagd en is een datum voor het vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] huurden van 15 april 2023 tot en met 31 maart 2025 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van [eisende partij] als contractueel medehuurders. De kale huurprijs bedroeg bij aanvang van de huurovereenkomst € 1.750,00.
2.2.
Op 19 december 2024 heeft [gedaagde 1] een verzoek bij de Huurcommissie ingediend om de aanvangshuurprijs te toetsen.
2.3.
Op 5 maart 2025 heeft de Huurcommissie haar onderzoeksrapport aan [eisende partij] verstuurd. [eisende partij] heeft laten weten het niet eens te zijn met het resultaat van het rapport, omdat de punten voor de energieprestatie niet correct zouden zijn. De woning zou energielabel C hebben, waardoor er vijftien punten toegekend hadden moeten worden voor energieprestatie in plaats van vijf punten.
2.4.
Op 28 maart 2025 heeft de voorzitter van de Huurcommissie geoordeeld dat een huurprijs van € 741,34 redelijk is, omdat de woonruimte in het onderzoeksrapport is gewaardeerd met 137 punten (zaaknummer Huurcommissie: 2418265). De onderzoeker is voor het energielabel uitgegaan van het bouwjaar 1979-1983. Het energielabel C van de woning is een vereenvoudigd energielabel met registratiedatum per 17 januari 2018. Een vereenvoudigd energielabel is ongeldig voor de woningwaardering. Omdat [eisende partij] ongelijk heeft gekregen, moet hij € 500,00 leges betalen.
2.5.
[eisende partij] heeft na de voorzittersuitspraak een nieuw energielabel voor de woning laten opstellen en op 6 april 2025 is het rapport met energielabel B geregistreerd.
2.6.
Op 7 april 2025 heeft [eisende partij] verzet ingediend tegen de voorzittersuitspraak van de Huurcommissie, waarbij hij het geregistreerde energielabel B heeft ingediend.
2.7.
Op 16 juni 2025 heeft de Huurcommissie het verzet van [eisende partij] ongegrond verklaard (zaaknummer Huurcommissie: 2418265V). Zij overwoog als volgt:
“Voor de waardering van de energieprestatie, wordt in deze procedure eerst gekeken of er op de ingangsdatum van de huurovereenkomst een geldig energielabel was geregistreerd op www.ep-online.nl. Indien er géén geldig label geregistreerd was, valt de Huurcommissie voor de waardering van de energieprestatie in beginsel terug op het bouwjaar van het object.
In dit geval is het energielabel ná de ingangsdatum van de huurovereenkomst geregistreerd (…). Tussen 30 juni 2023 en 1 juli 2024 had de Huurcommissie, naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad, de mogelijkheid om, in het geval dat het label ná de ingangsdatum is geregistreerd, te beoordelen of dat label representatief is voor de feitelijke energieprestatie op de ingangsdatum van de huurovereenkomst. In dit verband heeft de verhuurder ter zitting verklaard dat er tussen de ingangsdatum van de huurovereenkomst en de opname van het energielabel geen werkzaamheden in de woonruimte zijn verricht die de energieprestatie hebben beïnvloed.
Per 1 juli 2024 is die mogelijkheid komen te vervallen (…). Omdat de huurovereenkomst op 15 april 2023 is ingegaan, moet de Huurcommissie de beoordeling baseren op de op die datum geldende wetgeving. Op die datum gold hetzelfde uitgangspunt als per 1 juli 2024, namelijk dat er op de ingangsdatum een geldig energielabel geregistreerd moest zijn. Dat betekent dat de commissie het nieuwe energielabel B niet meeneemt voor de woningwaardering.”
2.8.
[eisende partij] heeft de woning in juli 2025 verkocht.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar te verklaren vonnis het volgende:
  • Primair: het verzoek van [gedaagde 1] c.s. van 19 december 2024 aan de Huurcommissie niet ontvankelijk te verklaren, althans alsnog af te wijzen;
  • Subsidiair: een verklaring voor recht dat de tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] c.s. overeengekomen kale huur per 15 april 2023 van € 1.750,00 per maand redelijk is;
  • Primair en subsidiair: veroordeling van [gedaagde 1] c.s. tot vergoeding van de door [eisende partij] aan de aan de Huurcommissie betaalde legeskosten van € 500,00 en de kosten van deze procedure.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Ten aanzien van de primaire vordering stelt hij dat [gedaagde 1] samen met [gedaagde 2] het verzoek bij de Huurcommissie had moeten indienen, omdat zij als medehuurders gezamenlijk één vorderingsrecht jegens [eisende partij] hebben op grond van artikel 3:166 lid 1 BW Pro juncto 6:15 BW. Zonder [gedaagde 2] kon [gedaagde 1] geen procedure voeren bij de Huurcommissie en daarom had de Huurcommissie hem niet-ontvankelijk moeten verklaren. [eisende partij] meent dat de kantonrechter dit alsnog moet doen.
3.3.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering stelt [eisende partij] dat de Huurcommissie het geregistreerde energielabel B had moeten meenemen in de puntentelling. Hierdoor komt het totale puntenaantal boven de liberalisatiegrens en waren partijen vrij een (markt)huurprijs overeen te komen. Dat het energielabel pas in 2025 is vastgesteld en geregistreerd doet niet af aan de conclusie dat de woning feitelijk energielabel B heeft. De Huurcommissie heeft overwogen dat met de wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte per 1 juli 2024 de werking van het arrest van de Hoge Raad [1] is komen te vervallen, maar die overweging is onbegrijpelijk. Dat Besluit heeft namelijk geen terugwerkende kracht. Daarnaast is het niet redelijk een later geregistreerd energielabel te negeren bij het toetsen van de redelijkheid van de aanvangshuurprijs.
3.4.
Ten aanzien van de legeskosten stelt [eisende partij] dat hij die ten onrechte heeft moeten betalen als zijn vordering wordt toegewezen. Deze € 500,00 is daarmee een schadepost voor [eisende partij] als bedoeld in artikel 6:96 BW Pro, waarvan hij vergoeding vordert.
3.5.
[gedaagde 1] c.s. voert verweer. [gedaagde 1] c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.6.
[gedaagde 1] c.s. voert ten aanzien van de primaire vordering het volgende aan. Nu [eisende partij] zich tijdig tot de kantonrechter heeft gewend, is de uitspraak van de Huurcommissie komen te vervallen. De kantonrechter hoeft dus niet vast te stellen dat de Huurcommissie [gedaagde 1] niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
3.7.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering voert [gedaagde 1] c.s. het volgende aan. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Huurcommissie rekening mag houden met een na de ingangsdatum van de huurovereenkomst afgegeven energielabel als onbetwist vaststaat dat de feitelijke toestand van de woning na aanvang van de huur niet is veranderd. Het energielabel moet zijn afgegeven op een zodanig moment dat de Huurcommissie daarmee bij de beslissing rekening kan houden. [gedaagde 1] c.s. voert aan dat uit deze begrenzing kan worden opgemaakt dat een energielabel dat wordt afgegeven nadat de huurovereenkomst is geëindigd niet meer kan worden meegenomen in de puntentelling. Niet kan worden vastgesteld of de feitelijke toestand is gewijzigd nadat de huurovereenkomst is geëindigd. Bovendien is het opvallend dat de aangrenzende appartementen allemaal een energielabel C hebben. Ook hierdoor staat niet onbetwist vast dat de feitelijke toestand van de woning hetzelfde is gebleven. Inmiddels is na het arrest van de Hoge Raad met de wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte in de Nota van Toelichting duidelijk gemaakt dat een later afgegeven energielabel geen rol meer kan spelen als de woning al is beoordeeld. Daarom kan het energielabel B niet worden meegenomen bij de waardering van de woning. [eisende partij] heeft daarbij de kosten al terugverdiend met de verkoop van de woning.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.9.
[gedaagde 1] c.s. vordert – samengevat – veroordeling van [eisende partij] tot betaling van € 24.693,51 aan onverschuldigd betaalde huur, vermeerderd met de wettelijke rente, en veroordeling van [eisende partij] tot betaling van € 196,00 aan ingehouden borg.
3.10.
[gedaagde 1] c.s. legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De Huurcommissie heeft geoordeeld dat een huurprijs van € 741,34 redelijk is. Hierdoor heeft [gedaagde 1] c.s. in de gehele huurperiode € 24.693,51 huur onverschuldigd betaald. Voor de ingehouden borg geldt dat [eisende partij] de woning gemeubileerd heeft verhuurd. Bij de check-out heeft [eisende partij] € 196,00 aan reparatiekosten voor de bank ingehouden, terwijl de bank bij aanvang van de huurovereenkomst al gebrekkig was.
3.11.
[eisende partij] voert verweer en voert het volgende aan. Als de vordering van [eisende partij] in conventie wordt toegewezen, heeft [gedaagde 1] c.s. geen huur onverschuldigd betaald. Voor de bank geldt dat uit het check-in rapport blijkt dat de bank op dat moment niet kapot was.
3.12.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Tijdigheid van de vordering
4.1.
[eisende partij] heeft zijn vordering tijdig ingesteld, dat wil zeggen binnen acht weken nadat de uitspraak van de Huurcommissie aan hem is verzonden. Met de bij de kantonrechter ingestelde vordering vervalt de uitspraak van de Huurcommissie. Dit betekent dat het punt waarover de Huurcommissie om een uitspraak was verzocht, weer volledig open ligt.
De ontvankelijkheid van [gedaagde 1]
4.2.
De primaire vordering van [eisende partij] zal worden afgewezen. [eisende partij] heeft met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een huurovereenkomst gesloten en zij zijn dus contractuele medehuurders. Daardoor is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Bij zo een ondeelbare rechtsverhouding kan de rechter slechts een beslissing geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding betrokken zijn partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. [2]
4.3.
Anders dan [eisende partij] stelt, had de Huurcommissie [gedaagde 2] als medehuurder van [gedaagde 1] moeten oproepen in de zaak bij de Huurcommissie. Kennelijk heeft de Huurcommissie dat niet gedaan. Inmiddels ligt de zaak voor bij de kantonrechter en is de uitspraak van de Huurcommissie komen te vervallen. Het had in deze procedure op de weg van [eisende partij] gelegen om beide medehuurders te dagvaarden, omdat het gaat om een ondeelbare rechtsverhouding. Als [gedaagde 2] niet zelf had gevorderd zich te mogen voegen, had de kantonrechter haar als medehuurder van [gedaagde 1] moeten oproepen.
Het energielabel
4.4.
De kantonrechter moet de vraag beantwoorden of de huurprijs die op 15 april 2023 is afgesproken redelijk is. Het punt waarover partijen van mening verschillen is het aantal punten dat moet worden toegekend voor de energieprestatie van de woning. Wat betreft de punten die niet in geschil zijn gaat de kantonrechter uit van de door de Huurcommissie toegekende punten. De vraag die voorligt is of het energielabel B, dat is afgegeven nadat de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd, moet worden meegenomen in de puntentelling. Als dat wel wordt meegenomen, moeten 28 punten in plaats van vijf punten worden toegekend voor de energieprestatie. Daarmee komt het totale puntenaantal voor de woning op 160 punten en dat aantal ligt boven de liberalisatiegrens van 2023. Partijen mochten dan zelf een huurprijs afspreken. De kantonrechter oordeelt dat het energielabel B moet worden meegewogen en overweegt daartoe als volgt.
4.5.
[gedaagde 1] c.s. beroept zich op de Wet Betaalbare Huur, maar die geldt expliciet voor huurovereenkomsten die op of na 1 juli 2024 gesloten zijn. De onderhavige huurovereenkomst is voor die datum gesloten. Er is geen overgangsrecht waarin iets op dit punt is bepaald over huurovereenkomsten die eerder gesloten zijn. De kantonrechter zal de bedoeling van de wetgever bij de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte dan ook invullen aan de hand van wat de Hoge Raad hierover heeft bepaald. De Hoge Raad heeft kort gezegd bepaald dat een later opgemaakt energielabel alsnog kan worden meegenomen als de feitelijke situatie ten tijde van het opmaken van het energielabel gelijk is aan de situatie bij aanvang van de huur. Omdat deze vraag nu voorligt bij de kantonrechter, moet die over dat energielabel kunnen beschikken en dat is hier het geval.
4.6.
Uit het voorgaande volgt, anders dan de Huurcommissie heeft geoordeeld, dat niet vereist is dat op de ingangsdatum van de huurovereenkomst een geldig energielabel geregistreerd moest zijn.
4.7.
[gedaagde 1] c.s. heeft aangevoerd dat een energielabel dat is afgegeven nadat de huurovereenkomst is geëindigd per definitie niet mag worden meegenomen. Dat enkele feit gaat echter ook niet op. De vraag die moet worden beantwoord is of de feitelijke situatie ten tijde van het opmaken van het energielabel gelijk is aan de situatie bij aanvang van de huur.
4.8.
[eisende partij] heeft onbetwist gesteld dat de feitelijke situatie gedurende de looptijd van de huurovereenkomst niet is veranderd. Het energielabel is afgegeven zes dagen na het einde van de huurovereenkomst. De vraag is of de feitelijke situatie gedurende die zes dagen veranderd is. [eisende partij] stelt dat dat niet het geval is, maar [gedaagde 1] c.s. betwist dit. Hij voert aan dat het aannemelijk is dat [eisende partij] na het einde van de huurovereenkomst nog energiebesparende maatregelen heeft uitgevoerd in de woning. [gedaagde 1] c.s. is niet in staat geweest het onderzoek naar het energielabel te controleren of een contra-onderzoek in te stellen en inmiddels is het blijvend onmogelijk om vast te stellen welk energielabel de woning had, omdat de woning is verkocht.
4.9.
[gedaagde 1] c.s. voert vervolgens aan dat het afgegeven energielabel B niet betrouwbaar is. Hij voert aan dat de aangrenzende appartementen van de woning, waarvan de energieprestatie bekend is, allemaal een energielabel C hebben. Ook betoogt [gedaagde 1] c.s. dat het algemeen bekend is dat de uitkomst van een rapportage ter vaststelling van een energielabel sterk kan verschillen en dat verschillende adviseurs de energiezuinigheid van een woning zeer verschillend kunnen beoordelen. [3] Niet elk energielabel is dus betrouwbaar en als een energielabel van een woning duidelijk verschilt van het label van omringende panden, dan is dat een teken aan de wand en vraagt dat om nader onderzoek. Een energielabel D zou volgens [gedaagde 1] c.s. waarschijnlijker zijn, omdat de woning aan de voorzijde enkel glas heeft en de buitenmuur van de woonkamer een stenen muur zonder isolatie is. [eisende partij] heeft dit betwist onder verwijzing naar het energielabel en merkt op dat die door een gecertifieerd expert is opgesteld.
4.10.
[gedaagde 1] c.s. heeft niet onderbouwd wat er niet zou kloppen aan het door een daartoe gecertificeerde energielabel deskundige vastgestelde energielabel. Juist is dat hij niet in staat is om zelf nader onderzoek te (laten) doen naar de energieprestatie van de woning omdat de woning is verkocht, maar dit komt voor zijn risico. [eisende partij] heeft op 6 april 2025 het energielabel B laten opstellen en de volgende dag heeft [eisende partij] verzet aangetekend tegen de voorzittersuitspraak van de Huurcommissie. In die procedure is [gedaagde 1] c.s. bekend geraakt met het nieuwe energielabel. [gedaagde 1] c.s. heeft er toen niet voor gekozen om eigen onderzoek te laten uitvoeren, terwijl dat toen nog had gekund. Hij had ook bij [eisende partij] duidelijk kunnen maken dat hij onderzoek wilde doen, zodat die daar rekening mee had kunnen houden. Op 16 juni 2025 heeft de Huurcommissie haar uitspraak op het verzet van [eisende partij] aan partijen verstuurd. Hoewel er mogelijk toen geen directe noodzaak was voor [gedaagde 1] c.s. om nader onderzoek te doen naar de energieprestatie van de woning gezien de uitkomst van de procedure, stond nog de mogelijkheid open om hierover een beslissing van de kantonrechter te vorderen. Van die gelegenheid heeft [eisende partij] op 18 juli 2025 (datum dagvaarding) gebruik gemaakt. In die periode kon [gedaagde 1] c.s. dus nog nader onderzoek laten doen maar inmiddels is dat niet langer mogelijk, omdat [eisende partij] de woning halverwege juli 2025 heeft verkocht. Dit komt dus voor risico van [gedaagde 1] c.s.
4.11.
Verder acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat de woning in de periode van zes dagen tussen het eindigen van de huurovereenkomst en het opstellen van het energielabel zodanig is gewijzigd dat het energielabel van C naar B is gegaan. [gedaagde 1] c.s. heeft ook niet concreet gemaakt hoe dat gebeurd had kunnen zijn. Zijn stellingen dat energielabel B in Amsterdam bij oudbouw maar weinig voorkomt en dat de woning enkel glas heeft en dat de buitenmuur van de woonkamer een stenen muur zonder isolatie is heeft hij bovendien niet onderbouwd. Het enkele feit dat de omliggende woningen in het gebouw waar de woning onderdeel van uitmaakt allemaal energielabel C hebben is onvoldoende voor de conclusie dat de woning daarom geen energielabel B zou kunnen hebben. Niet gesteld of gebleken is bijvoorbeeld dat al die woningen hetzelfde zijn als de woning en evenmin door wie en wanneer die betreffende energielabels zijn opgemaakt.
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het afgegeven energielabel B meeweegt voor de puntentelling en 28 punten toekent voor de energieprestatie van de woning. Het totale aantal punten van de woning komt hiermee op 160 punten en dit ligt boven de liberalisatiegrens van 2023. Dat betekent dat het partijen vrij stond zelf een huurprijs af te spreken en dat de overeengekomen kale huurprijs van € 1.750,00 redelijk is.
De legeskosten
4.13.
[eisende partij] vordert nog vergoeding van de legeskosten van € 500,00, die [eisende partij] bij de procedure bij de Huurcommissie verschuldigd is geworden. Die kosten zullen worden afgewezen. [eisende partij] is die kosten verschuldigd geworden aan de Huurcommissie op grond van artikel 7 UHW Pro. In dat artikel is niet geregeld wat het gevolg is van deze kosten als de kantonrechter de door de Huurcommissie in het ongelijk gestelde partij alsnog in het gelijk stelt. Deze leges vallen niet onder proceskosten. Nu verder niet gesteld of (anderszins) gebleken is op grond waarvan deze kosten voor rekening van [gedaagde 1] c.s. moeten komen, worden die kosten bij gebrek aan (wettelijke) grondslag afgewezen.
De proceskosten
4.14.
[gedaagde 1] c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
690,95
4.15.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
De onverschuldigd betaalde huur
4.16.
Omdat de kantonrechter in conventie heeft geoordeeld dat de overeengekomen huurprijs van € 1.750,00 redelijk is, heeft [gedaagde 1] c.s. geen huur onverschuldigd betaald. De vordering tot terugbetaling van huur zal dan ook worden afgewezen.
De ingehouden borg
4.17.
De vordering tot terugbetaling van de ingehouden borg zal worden toegewezen. [eisende partij] heeft als productie een ‘extra check in rapport’ ingebracht. Hierin staat dat de huurders een week na de verhuizing het volgende hebben gemeld: “the couch is a bit broken. The corner point goes very low. It is stabilized by some wooden pieces.” Bijgevoegd is een foto waarop houten blokken die onder de bank zijn geplaatst te zien zijn. Hieruit blijkt voldoende dat de bank bij het begin van de huurovereenkomst al beschadigd was. [eisende partij] heeft dan ook ten onrechte € 196,00 ingehouden van de borg.
De proceskosten
4.18.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen [eisende partij] en [gedaagde 1] c.s. overeengekomen kale huur ter zake van de woonruimte aan de [adres] per 15 april 2023 van € 1.750,00 per maand redelijk is,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 690,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
veroordeelt [eisende partij] om aan [gedaagde 1] c.s. te betalen een bedrag van € 196,00,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
66351

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1005.
2.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.
3.Zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 16 september 2025, ECLI:RBAMS:2025:6808.