ECLI:NL:RBAMS:2026:7394

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/090908-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging, afpersing, poging zware mishandeling en vernieling in Amsterdam

Op 25 maart 2026 pleegde verdachte samen met mededaders meerdere strafbare feiten in het centrum van Amsterdam, waaronder openlijke geweldpleging tegen drie personen, medeplegen van afpersing van een iPhone en paspoort, poging tot zware mishandeling van een slachtoffer en vernieling van een woning. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan deze feiten, maar sprak hem vrij van diefstal en poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs.

De feiten vonden plaats in de openbare ruimte en een woning, waarbij slachtoffers zowel lichamelijk als psychisch letsel opliepen. De rechtbank nam ook de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en een reclasseringsadvies mee in de strafoplegging. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast werden aan de slachtoffers materiële en immateriële schadevergoedingen toegekend, variërend van enkele honderden tot duizenden euro's, vermeerderd met wettelijke rente. De betalingsverplichtingen werden hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders. De rechtbank besloot ook tot teruggave van in beslag genomen goederen aan verdachte, omdat geen verband met de strafbare feiten was vastgesteld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/090908-26
Datum uitspraak: [huisnummer] juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting (P.I.) [naam penitentiaire inrichting] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en dat wat namens hen door mw. [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 25 maart 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
feit 1:openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen, te weten [benadeelde partij 3] / [benadeelde partij 1] / [slachtoffer 1] , met (zwaar) lichamelijk letsel als gevolg;
feit 2:het medeplegen van diefstal met geweld van een iPhone 13 en/of een Deens paspoort van [slachtoffer 2] , waarbij geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 3] ;
feit 3:het medeplegen van afpersing met betrekking tot een iPhone 13 en/of een Deens paspoort van [slachtoffer 2] , waarbij geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 3] ;
feit 4 primair:het medeplegen van poging tot doodslag op [slachtoffer 4] ;
subsidiair:het medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 4] ;
meer subsidiair:het medeplegen van poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 4] ;
feit 5:het medeplegen van vernieling van een woning van [slachtoffer 5] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Inleiding
In de nacht van 25 maart 2026 komen bij de politie verschillende meldingen binnen van overlast en geweld gepleegd door een groep jonge mannen in het centrum van Amsterdam. Er zou sprake zijn van verschillende vechtpartijen en mishandelingen van vijf mensen zonder enige aanleiding, een beroving van een ander en de vernieling van een woning. Verdachte wordt die nacht samen met drie andere mannen aangehouden op verdenking van deze feiten. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan deze feiten.
3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het volgende standpunt gesteld.
De openlijke geweldpleging (feit 1) kan worden bewezen. Alle vier de verdachten hebben geweld gebruikt tegen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [slachtoffer 1] . Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking waar verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd. Verdachte dient wel partieel te worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijke letsel als gevolg”, nu dit niet is vast komen te staan.
Ook de afpersing van [slachtoffer 2] kan worden bewezen (feit 3). Twee van de medeverdachten hebben [slachtoffer 2] omsingeld en hem door geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van zijn paspoort en telefoon. Verdachte heeft [slachtoffer 3] , de vriend van [slachtoffer 2] , afgezonderd en hem een duw gegeven. Daardoor is sprake van het medeplegen van deze afpersing. Nu [slachtoffer 2] zelf de goederen heeft afgegeven en deze niet bij hem zijn weggenomen, dient vrijspraak te volgen voor de diefstal (feit 2).
Ten aanzien van het geweld tegen [slachtoffer 4] , dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 4 primair en subsidiair. [slachtoffer 4] is door de verdachten vier keer tegen het hoofd getrapt. Niet is komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond of dat [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Ten slotte kan worden bewezen dat de verdachten de woning van [slachtoffer 5] hebben vernield (feit 5). Uit de camerabeelden blijkt dat vijf personen, waaronder de verdachten, het pand in zijn gegaan en tien minuten later naar buiten zijn gekomen. De woning was niet vernield voordat zij naar binnen gingen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van de openlijke geweldpleging en het aandeel van verdachte daarin (feit 1). Verdachte dient wel te worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijke letsel als gevolg” nu niet is komen vast te staan dat daar bij één van de slachtoffers sprake van is.
Verdachte dient vrijgesproken te worden van de diefstal van de goederen van [slachtoffer 2] (feit 2). Uit het dossier blijkt dat geen sprake is geweest van een wegnemingshandeling.
Daarnaast dient verdachte vrijgesproken te worden van de afpersing van [slachtoffer 2] (feit 3). Het klopt dat verdachte [slachtoffer 3] een duw heeft gegeven, maar deze duw stond niet ten dienste van de afpersing van [slachtoffer 2] door de andere verdachten. Verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het strafbare feit en had dan ook geen opzet op de afpersing en op het medeplegen.
De raadsvrouw heeft verder bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4 primair en subsidiair. Zowel in volle als voorwaardelijke zin had verdachte geen opzet op de dood van [slachtoffer 4] door tegen zijn hoofd te schoppen. Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten slotte heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de vernieling van de woning van [slachtoffer 5] (feit 5) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Vaststaande feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen – in het bijzonder de processen-verbaal van de verschillende camerabeelden – de volgende feiten en omstandigheden vast over dat wat in de nacht van 25 maart 2026 is gebeurd. Niet alle gebeurtenissen die hieronder staan genoemd worden aan verdachte verweten, maar voor de samenhang en chronologie heeft de rechtbank ook in dit vonnis het geheel beschreven. Verdachte wordt ook bij zijn achternaam benoemd.
Die nacht is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Een vijfde verdachte die bij deze groep hoort, blijft onbekend en wordt NN1 genoemd.
Om 02:15:54 uur komt de groep bij de fietstunnel onder het Amsterdam Centraal Station [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tegen. [slachtoffer 2] wordt aangesproken door [medeverdachte 1] en NN1. [medeverdachte 1] sommeert [slachtoffer 3] verderop te gaan staan. [medeverdachte 2] komt ook direct dicht op [slachtoffer 2] staan. [slachtoffer 2] wordt zo door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en NN1 omsingeld. [de verdachte] staat iets verderop bij [slachtoffer 3] . Eén van deze mensen zegt tegen [slachtoffer 2] ‘maak je zakken leeg’ in het Engels, zo heeft [slachtoffer 2] verklaard. [slachtoffer 2] geeft iets af aan [medeverdachte 1] of NN1. Dan wordt tegen [slachtoffer 2] gezegd ‘cash, cash’. [de verdachte] duwt [slachtoffer 3] tegen zijn borst. Vervolgens loopt NN1 als eerste weg, gevolgd door [medeverdachte 1] . [slachtoffer 2] volgt hen. [slachtoffer 3] wordt weer tegen zijn borst geduwd door [de verdachte] . [medeverdachte 2] komt bij [de verdachte] en [slachtoffer 3] staan. Om 02:17:20 uur rennen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hard weg.
Om 02:41:33 uur lopen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en NN1 over de Warmoesstraat. NN1 duwt een deur van het pand met perceelnummer [huisnummer] open en gaat om 02:41:14 uur naar binnen. Om 02:42:25 uur loopt [medeverdachte 3] het pand binnen. Dertien seconden later betreedt ook [medeverdachte 2] het pand. Ongeveer een halve minuut later gaan ook [medeverdachte 1] en [de verdachte] naar binnen. Om 02:50 uur wordt getuige [getuige 1] wakker van harde geluiden in het pand. Door zijn deurspion ziet hij dat drie mannen de woning van zijn overbuurman uit komen lopen. Getuige [getuige 2] ziet drie mannen het appartement overhoop halen. Om 02:53:34 uur verlaten alle vijf de mannen het pand. Zowel de politie als de eigenaar van de woning ( [slachtoffer 5] ) constateren hierna allerlei soorten vernielingen in de woning op nummer [huisnummer] .
Om 02:54 uur komt de groep mannen [slachtoffer 4] tegen op de Warmoesstraat. Om 02:54:59 uur maakt [medeverdachte 1] een slaande beweging richting [slachtoffer 4] . Getuigen [getuige 3] en [slachtoffer 1] proberen tussen hen in te komen. Om 02:55 uur ligt [slachtoffer 4] op de grond. [de verdachte] , [medeverdachte 1] en NN1 staan om hem heen. [medeverdachte 1] trekt zijn knie op en maakt een voorwaartse trap waarbij hij zijn been naar voren uitstrekt. Zijn voetzool komt met kracht in het gezicht van [slachtoffer 4] terecht. [slachtoffer 4] zit dan met zijn billen op straat. [de verdachte] schopt dan met zijn rechtervoet in de richting van het hoofd van [slachtoffer 4] , waarna [slachtoffer 4] deels omvalt. Dan maakt [medeverdachte 1] met zijn rechtervoet een schoppende beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] valt dan direct naar achteren. Vervolgens staat [slachtoffer 4] voorovergebogen op zijn benen. NN1 en [medeverdachte 1] schoppen dan allebei met hun rechterbeen- en voet in de richting van het hoofd van [slachtoffer 4] . Hierna rennen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] en [getuige 3] om 02:55:22 uur weg in de richting van de Lange Niezel. [de verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en NN1 rennen achter hen aan.
Uit de getuigenverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat [getuige 3] en hij zagen dat [slachtoffer 4] door een groep van een aantal personen mishandeld werd toen zij de Warmoesstraat in kwamen lopen. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 4] meerdere vuistslagen in het gezicht kreeg door drie of vier personen. Toen [getuige 3] en hij tussen [slachtoffer 4] en de groep in probeerden te komen, keerde de groep zich ook tegen hen. [slachtoffer 1] kreeg vervolgens twee vuistslagen op zijn hoofd. Daarna zag hij dat [slachtoffer 4] door de klappen van de groep op de grond viel, waarna [slachtoffer 4] vier trappen tegen het hoofd en het lichaam kreeg terwijl hij op de grond lag.
Om 02:57:03 uur rent [benadeelde partij 3] de Korte Niezel in, gevolgd door [de verdachte] en daarna [benadeelde partij 1] . [de verdachte] pakt [benadeelde partij 3] vast en maakt een slaande beweging in zijn richting. Met een gebalde vuist maakt [de verdachte] weer een zwaaiende beweging in de richting van [benadeelde partij 3] . Dan pakt [de verdachte] [benadeelde partij 1] vast en maakt een slaande beweging richting zijn gezicht. Hij raakt hem daarbij met zijn rechtervuist. Om 02:59:28 uur komen [de verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om [benadeelde partij 1] heen staan en sluiten hem in. [medeverdachte 2] maakt met zijn rechterarm een slaande beweging richting het hoofd van [benadeelde partij 1] en raakt hem. Dan maakt [medeverdachte 2] met zijn rechterbeen een schoppende beweging tegen het scheenbeen van [benadeelde partij 1] . [medeverdachte 1] staat er ook bij en maakt ook een slaande beweging richting het hoofd van [benadeelde partij 1] .
Tussen 03:00 uur en 03:20 uur worden [de verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] door de politie op verschillende momenten aangehouden op verdenking van verschillende feiten. Omstreeks 04:00 uur worden de aangehouden verdachten naar het politiebureau gebracht. [medeverdachte 1] wordt dan gefouilleerd en in een van zijn zakken wordt een Deens paspoort op naam van [slachtoffer 2] gevonden. Ook wordt in een van zijn zakken een telefoon, ingesteld in de Deense taal en met de naam [slachtoffer 2] op WhatsApp gevonden.
Door de spoedeisende hulp van het OLVG worden bij [slachtoffer 4] die nacht een snijwond in zijn rechter wenkbrauw en hematomen rond zijn ogen geconstateerd. Verder is er een verdenking van een schouderluxatie.
In de overwegingen hieronder zal de rechtbank deze feiten en omstandigheden per feit beoordelen en kwalificeren.
3.4.2
Ten aanzien van de openlijke geweldpleging (feit 1)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en overweegt daartoe als volgt.
Uit de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van het in vereniging plegen van geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [slachtoffer 1] . Verdachte en zijn medeverdachten maakten onderdeel uit van een groep van vijf personen en hebben allemaal geweld gepleegd tegen de aangevers of het anderen mogelijk gemaakt dat zij geweld konden plegen. Verdachte heeft een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het in groepsverband gepleegde geweld door erbij te staan terwijl één van de mannen [slachtoffer 1] sloeg, door met de rest van de groep achter hem aan te rennen en door [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1] meermaals te slaan. De verschillende geweldshandelingen hebben zich in tijd en plaats vrijwel aaneengesloten voorgedaan. Dit geweld vond plaats op de openbare weg, te weten de Warmoesstraat, de Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal, midden in het centrum van Amsterdam. Daarmee is sprake van openlijke geweldpleging.
Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel als gevolg”, nu op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat daarvan bij één van de aangevers sprake was.
3.4.3
Ten aanzien van de diefstal/afpersing van [slachtoffer 2] (feiten 2 en 3)
De rechtbank acht ook bewezen dat [slachtoffer 2] door geweld en bedreiging met geweld is bewogen tot het afgeven van zijn paspoort en telefoon. [de verdachte] heeft aan deze afpersing een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd door ervoor te zorgen dat [slachtoffer 2] alleen kwam te staan. Hij heeft er immers voor gezorgd dat [slachtoffer 3] werd afgezonderd en heeft hem twee keer tegen de borst geduwd, hetgeen gekwalificeerd kan worden als geweld. Hierdoor heeft verdachte het [slachtoffer 3] onmogelijk gemaakt om zich weer bij [slachtoffer 2] te voegen en hem te verdedigen of hem aan de situatie te onttrekken, waardoor [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en NN1 [slachtoffer 2] konden dwingen tot de afgifte van verschillende goederen. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van [de verdachte] kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat [de verdachte] niet alleen wist dat de medeverdachten [slachtoffer 2] aan het afpersen waren, maar ook dat hij opzet had op die afpersing en op het medeplegen ervan.
Omdat er geen sprake is geweest van een wegnemingshandeling, zal verdachte worden vrijgesproken van de diefstal van deze goederen, zoals ten laste gelegd onder feit 2.
3.4.4
Ten aanzien van het geweld tegen [slachtoffer 4] (feit 4)
Op basis van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van de onder feit 4 meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 4] .
Vaststaat dat [slachtoffer 4] omsingeld werd door [de verdachte] , [medeverdachte 1] en NN1 en dat hij met geschoeide voet en met kracht vier keer tegen het hoofd is geschopt door deze drie mannen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om vast te stellen dat (één van) de verdachte(n) vol opzet had(den) op de dood van [slachtoffer 4] . Daarnaast zijn er onvoldoende aanwijzingen waaruit blijkt dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 4] door dit geweld zou komen te overlijden, zodat de rechtbank ook geen voorwaardelijk opzet op de dood kan vaststellen. Om die reden komt de rechtbank tot een vrijspraak van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Het door [slachtoffer 4] opgelopen letsel kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling van [slachtoffer 4] .
De rechtbank stelt wel vast dat verdachte en zijn medeverdachten voorwaardelijk opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 4] . Door met geschoeide voet en met kracht meermaals tegen het hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel, te schoppen terwijl iemand op de grond zit, bestaat er een aanmerkelijke kans dat diegene zwaar lichamelijk letsel oploopt. Door zo te handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten bewust deze aanmerkelijke kans aanvaard. Er is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie mannen, aangezien zij alle drie beurtelings één of meerdere trappen tegen het hoofd van [slachtoffer 4] hebben gegeven. Door een bijdrage te leveren aan dit geweld had verdachte dan ook niet alleen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar ook op de samenwerking hierin met de medeverdachten.
3.4.5
Ten aanzien van de vernieling van de woning van [slachtoffer 5] (feit 5)
Ten slotte komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de vernieling van de woning van [slachtoffer 5] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle vijf de verdachten, [de verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en NN1 gedurende tien minuten in het pand aan de Warmoesstraat [huisnummer] zijn geweest. In ieder geval drie van hen zijn in dat tijdsbestek in de woning op nummer [huisnummer] gezien door de getuigen. Voordat zij de woning in gingen was de woning in goede staat. Direct nadat zij de woning hebben verlaten zijn door de politie en de eigenaar van de woning allerlei vernielingen in de woning geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat de vijf verdachten samen deze vernielingen hebben gepleegd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op 25 maart 2026 te Amsterdam op de Warmoesstraat, Oudezijds Voorburgwal en de Oudezijds Achterburgwal, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] , en [slachtoffer 1] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (met kracht) slaan en stompen en schoppen en trappen tegen het hoofd en het lichaam van die [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] , en [slachtoffer 1] ;
Feit 3:
op 25 maart 2026 te Amsterdam tezamen in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een iPhone 13 en een Deens paspoort, die geheel aan die [slachtoffer 2] toebehoorden, door:
- die [slachtoffer 2] te omsingelen en
- door tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "cash, cash" en "maak je zakken leeg" en
- die [slachtoffer 2] te sommeren verderop te gaan staan en
- de vriend van die [slachtoffer 2] tegen de borst te duwen en
- door de vriend van [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 3] ) weg te duwen;
Feit 4:
op 25 maart 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meerdere malen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft getrapt en geschopt en
- één maal tegen het hoofd heeft geslagen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 5:
op 25 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, in een woning aan de Warmoesstraat [huisnummer] , de deurpost en de badkamer en de televisie en het koffiezetapparaat en de vloer, die aan [slachtoffer 5] , toebehoorden heeft vernield en beschadigd en onbruikbaar gemaakt.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 3, 4 meer subsidiair en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte en het feit dat hij spijt heeft betuigd. Een onvoorwaardelijke straf conform het reeds ondergane voorarrest zou passend zijn, eventueel aangevuld met een maximale taakstraf per feit.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders binnen één nacht schuldig gemaakt aan meerdere feiten, waaronder openlijk geweld, een poging tot zware mishandeling, een afpersing en een vernieling. Samen hebben zij in het centrum van Amsterdam een spoor van geweld en vernieling achtergelaten en zeven slachtoffers gemaakt. De slachtoffers hebben in verschillende mate letsel opgelopen. Van een aantal is bekend dat zij nog altijd de psychische gevolgen dragen. Van één slachtoffer is in zijn woning een ravage achtergelaten door de vernielingen die de daders daar hebben gepleegd. De ernst van deze feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld wegens openlijke geweldpleging.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies van 25 juni 2026 betreffende verdachte, opgesteld door mw. [naam 2] . Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende. Bij verdachte is sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden, waaronder het ontbreken van een structurele dagbesteding en beperkt inzicht in zijn financiële situatie, waarbij schulden spelen. Daarnaast bestaan er zorgen over het sociale netwerk, mede gezien het feit dat de strafbare feiten in groepsverband zijn gepleegd en eerdere signalen wijzen op mogelijk ongunstige invloeden. Ook ten aanzien van middelengebruik bestaat onduidelijkheid en twijfel, ondanks dat verdachte zelf aangeeft enkel alcohol te gebruiken. Er kan voorzichtig gesproken worden van een beginnend patroon van geweldsdelicten. Tegelijkertijd zijn er enkele beschermende factoren, waaronder de rol die verdachte binnen zijn gezin vervult en de steun die hij krijgt van zijn familie. De risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekking wordt ingeschat als laag. Hoewel verdachte tijdens eerdere toezichten beperkt inzicht en zelfreflectie gaf, toont hij in het meest recente toezicht enige bereidheid tot meewerken. De reclassering kijkt terughoudend naar de mogelijkheden voor interventies. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden. Daarnaast is het volwassenenstrafrecht passend.
Gelet op dit advies van de reclassering acht de rechtbank het noodzakelijk dat er ook een voorwaardelijke straf aan verdachte wordt opgelegd, nu onduidelijk is gebleven wat ertoe heeft geleid dat verdachte deze strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank acht het daarom ter voorkoming van recidive van belang dat verdachte een proeftijd krijgt.
Strafoplegging
Alles afwegende, komt de rechtbank tot de volgende straf. Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek opgelegd. Daarbij wordt ook een proeftijd van twee jaren opgelegd.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- een telefoon Apple (goednummer 6791432);
- een broek en een trui (goednummers 6791481 en 6791482).
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om alle goederen aan verdachte terug te geven. De raadsvrouw heeft zich daarbij aangesloten.
De rechtbank beslist tot teruggave van de goederen aan de verdachte, nu geen relatie tussen de inbeslaggenomen goederen en de strafbare feiten kan worden vastgesteld.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 3.792,83 aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 1.620,- aan gederfde inkomsten gedurende zes weken;
  • € 950,- aan ziekenhuiskosten;
  • € 1.007,83 aan ambulancekosten;
  • € 215,- wegens een vernielde Ralph Lauren trui.
In de vordering is beschreven dat de ziekenhuis- en ambulancekosten reeds vergoed zouden zijn.
De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens psychisch letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank ten aanzien van de materiële schade verzocht om de posten ziekenhuis- en ambulancekosten toe te wijzen en de kosten voor de kleding te schatten op € 100,-. De post gederfde inkomsten dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering volledig te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor zover die ziet op de materiële schade volledig dient te worden afgewezen of dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze geheel niet is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om een schatting te maken op basis van wat feitelijk kan worden vastgesteld over het letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 100,-, bestaande uit de kosten voor de kleding en is door de rechtbank geschat. De posten ziekenhuis- en ambulancekosten zullen worden afgewezen, omdat uit de vordering blijkt dat deze kosten al vergoed zijn. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van de gederfde inkomsten, omdat de vordering op dit punt niet is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering tot vergoeding van de immateriële schade wordt volledig toegewezen.
Zowel de toegewezen materiële als immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 3.100,-.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.2
De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 797,50 aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit gederfde inkomsten gedurende vijf dagen. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk en psychisch letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de materiële schade af te wijzen. De vordering van de immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de vergoeding van de materiële schade af te wijzen en de vergoeding van de immateriële schade in te schatten op basis van een feitelijke vaststelling van het letsel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade, aangezien de vordering op dit punt niet is onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de immateriële schade wijst de rechtbank de vordering toe tot een bedrag van € 500,-. De rechtbank acht dit bedrag redelijk en billijk gelet op de aard en omvang van het door de benadeelde partij geleden lichamelijke letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De toegewezen immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 500,-.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.3
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 478,10 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, parkeerkosten (zowel door de benadeelde partij zelf gemaakt als verplaatste schade) en reiskosten. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de kosten voor het eigen risico nog niet zijn gemaakt en deze daarom niet voor toewijzing vatbaar zijn. De overige posten kunnen wel worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering geheel te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade aangezien het onzeker is of het volledige eigen risico verbruikt zal worden door het enkele bezoek dat de benadeelde partij aan de spoedeisende hulp heeft gebracht. De vergoeding van de immateriële schade dient te worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 422,30, bestaande uit de kosten voor het eigen risico, de parkeerkosten (zijnde verplaatste schade) ter hoogte van € 22,50 en € 14,80 aan reiskosten. Hoewel de kosten voor het eigen risico nog niet in rekening zijn gebracht, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om toekomstige schade, omdat het ziekenhuisbezoek waarvoor de kosten door de zorgverzekeraar in rekening zullen worden gebracht direct na het feit heeft plaatsgevonden.
De posten parkeerkosten (niet zijnde verplaatste schade) en € 16,90 aan reiskosten worden afgewezen. Deze kosten zijn gemaakt voor het doen van aangifte en zijn daarom niet voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank stelt de vergoeding van de immateriële schade vast op een bedrag van € 1.000,-. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de aard en omvang van het door de benadeelde partij geleden lichamelijk letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank dit bedrag redelijk en billijk.
De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 1.422,30.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
9.4
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 619,27 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De materiële schade bestaat uit kosten voor het eigen risico van de zorgverzekering, reparatie van een smartwatch en parkeer- en reiskosten. De benadeelde partij stelt vergoeding van immateriële schade te vorderen wegens lichamelijk letsel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de kosten voor het eigen risico nog niet zijn gemaakt en deze daarom niet voor toewijzing vatbaar zijn. De overige posten kunnen wel worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade dient de vordering geheel te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de materiële schade aangezien het onzeker is of het volledige eigen risico verbruikt zal worden. Slechts van € 54,07 staat vast dat de benadeelde partij dit heeft moeten betalen. Uit de door de benadeelde partij bijgevoegde stukken blijkt niet dat de smartwatch daadwerkelijk is gerepareerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade geheel toewijzen. Hoewel de kosten voor het eigen risico nog niet in rekening zijn gebracht, gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om toekomstige schade, omdat de ziekenhuisbezoeken waarvoor de kosten door de zorgverzekeraar in rekening zullen worden gebracht direct na het feit hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het aannemelijk dat het gehele eigen risico door deze bezoeken zal worden verbruikt. Ook de kosten voor het repareren van de smartwatch worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij – ondanks dat niet expliciet in de aangifte staat vermeld dat zijn horloge die avond ook stuk is gegaan – met de overgelegde foto van zijn kapotte smartwatch voldoende onderbouwd dat hij deze schade heeft geleden.
De rechtbank zal ook de vordering tot vergoeding van de immateriële schade geheel toewijzen. Gelet op het door de benadeelde partij geleden letsel en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag in verhouding staat met de door benadeelde geleden schade.
De toegewezen materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen en waardeert deze op een bedrag van € 2.619,27.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Hoofdelijkheid
De betalingsverplichtingen ten aanzien van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] worden hoofdelijk opgelegd aan verdachte en zijn mededaders, omdat verdachte de bewezenverklaarde feiten samen met hen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn ieder afzonderlijk verplicht om de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen te betalen, behalve voor zover een van de anderen al heeft betaald.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 141, 317, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van afpersing;
Ten aanzien van feit 4 meer subsidiair:
medeplegen van poging tot zware mishandeling;
Ten aanzien van feit 5:
medeplegen van vernieling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Gelast de teruggave aan [naam 3] van:
- een telefoon Apple (goednummer 6791432);
- een broek en een trui (goednummers 6791481 en 6791482).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- (zegge: drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de post gederfde inkomsten niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Wijst de vordering voor zover het ziet op de ambulance- en ziekenhuiskosten af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] , aan de Staat € 3.100,- (zegge: drieduizendhonderd euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 31 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 422,30 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.422,30 (zegge: veertienhonderdtweeëntwintig euro en dertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 14 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 619,27 (zegge: zeshonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 2.619,27 (zegge: zesentwintighonderdnegentien euro en zevenentwintig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover op 25 maart 2026 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
.