ECLI:NL:RBAMS:2026:7402

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
71/155639-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 WftArt. 38 Wet op de economische delictenArt. 52 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van economisch delict wegens verkeerde kamer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 juli 2026 een zaak tegen B.V. verdachte, die werd verdacht van het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van wisselinstelling in de periode van januari tot september 2024. De tenlastelegging betrof wisseltransacties op 10 en 26 september 2024.

Tijdens de terechtzitting stelde de raadsman van verdachte dat de rechtbank onbevoegd was omdat alleen de economische kamer bevoegd is voor economische delicten. De officier van justitie onderschreef dit standpunt. De dagvaarding vermeldde echter de meervoudige strafkamer, en geen van de rechters behoorde tot de economische kamer.

De rechtbank oordeelde dat zij op grond van artikel 38 van Pro de Wet op de economische delicten en artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie inderdaad onbevoegd was om kennis te nemen van het ten laste gelegde. Daarom verklaarde zij zich onbevoegd en kon de zaak niet inhoudelijk worden behandeld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde economisch delict.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/155639-25
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
B.V. [verdachte] ,
gevestigd te: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Huisman en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. P.J. van Hagen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
B.V. [verdachte] ,
op een of meer tijdstippen,
in of omstreeks de periode van 22 januari 2024 tot en met 26 september 2024,
te Amsterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk, zonder een daartoe door de [naam bank] Bank verleende vergunning,
het bedrijf van wisselinstelling heeft uitgeoefend zoals bedoeld in artikel 1:1 van Pro de
Wet op het financieel toezicht, terwijl hij zijn zetel in Nederland heeft,
door het meermalen wisselen van één valuta bankbiljetten en/of muntgeld voor een
andere valuta bankbiljetten en/of muntgeld, waaronder:
- de wisseltransactie op 10 september 2024, en
- de wisseltransactie op 26 september 2024.

3.Bevoegdheid tot kennisneming van het ten laste gelegde

De raadsman heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde. Gelet op het feit dat een economisch delict aan verdachte is ten laste gelegd, is alleen de economische kamer van de rechtbank bevoegd om van dit feit kennis te nemen. Op de dagvaarding dient vermeld te worden dat verdachte wordt gedagvaard voor de economische kamer. In onderhavig geval staat op de dagvaarding vermeld dat verdachte is gedagvaard voor de meervoudige strafkamer.
De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is om van het ten laste gelegde kennis te nemen.
De rechtbank heeft bij mondelinge uitspraak zichzelf onbevoegd verklaard tot kennisneming van het ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 38 van Pro de Wet op de economische delicten en artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, is slechts de economische kamer van de rechtbank bevoegd om van deze strafzaak kennis te nemen. Verdachte is echter gedagvaard om voor de meervoudige strafkamer te verschijnen. Daarbij komt dat geen van de leden van de combinatie afzonderlijk behoort tot de economische kamer, zodat de behandeling van de strafzaak ook op die grond geen doorgang kan vinden.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.
Verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.