ECLI:NL:RBAMS:2026:7412

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/159157-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 246 Sr (oud)Art. 282 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot aanranding, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling

Op 21 april 2023 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot aanranding, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van de benadeelde partij in een studio te Diemen. De rechtbank acht de verklaringen van de benadeelde betrouwbaar en vindt steun in getuigenverklaringen en forensisch bewijs zoals foto's van kunstnagels.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de voltooide aanranding, maar acht de poging tot aanranding bewezen. Verdachte heeft de benadeelde met geweld tegengehouden, haar telefoon afgepakt en haar mishandeld, wat een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit en vrijheid vormt.

De officier van justitie vorderde twaalf maanden gevangenisstraf waarvan vier voorwaardelijk, maar de rechtbank legt vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op, mede vanwege eerdere veroordelingen van verdachte en het ontbreken van overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partij krijgt een immateriële schadevergoeding van €2.000 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank wijst een contactverbod en vrijheidsbeperkende maatregel af wegens onvoldoende bewijs van noodzaak.

De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf en €2.000 immateriële schadevergoeding voor poging tot aanranding, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/159157-24
Parketnummer vordering tul: 13/004724-20
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Bont, en van wat de gemachtigde raadsman, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de advocaat van de benadeelde partij mr. T.E. Smeding, namens de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op
21 april 2023te
Diemenjegens
[benadeelde partij]heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:aanranding;
Subsidiairis dit als een poging tot aanranding ten laste gelegd;
Feit 2:wederrechtelijke vrijheidsberoving;
Feit 3:mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 en feit 3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van feit 1 en 2 bepleit en terzake feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Wat feit 3 betreft vindt de aangifte van [benadeelde partij] voldoende steun in het overige bewijs. Ten aanzien van de vermeende aanranding (feit 1) en de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) moet echter behoedzaam met de aangifte worden omgegaan. Over de specifieke omstandigheden met betrekking tot die feiten verklaart enkel [benadeelde partij] . Die verklaring heeft zij bovendien pas twee jaar na de feiten afgelegd. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren over een schermutseling respectievelijk een waargenomen toestand kort na het voorval, maar deze kan deze ook het gevolg zijn geweest van een situatie die door [benadeelde partij] als zeer bedreigend is ervaren. Dit op zich vormt onvoldoende ondersteuning voor feit 1 en 2, hetgeen tot vrijspraak zou moeten leiden.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman zich verder op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangeefster terughoudend moet worden benaderd als het gaat om betrouwbaarheid, hetgeen eveneens tot vrijspraak vanwege gebrek aan overtuiging moet leiden. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het hier enkel gaat om een poging tot aanranding. De raadsman heeft voorts met betrekking tot feit 2 bepleit dat niet evident is dat het geweldsgebruik, dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld, doelbewust is ingezet om aangeefster gedurende enige tijd in haar bewegingsvrijheid te beperken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Het oordeel van de rechtbank over feit 1 en 2
Gelet op de door de verdediging gevoerde verweren zal de rechtbank feit 1 (aanranding, dan wel poging daartoe) en feit 2 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) gezamenlijk bespreken.
3.3.1.1 Algemene overwegingen ten aanzien van bewijs in zedenzaken
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het gegeven dat slechts twee personen – de aangeefster en de verdachte – aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen. Ook in deze zaak is (deels) sprake van zo’n één-op-één situatie. Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging dienen te vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Aangeefster heeft direct na het incident tegen de politie ter plaatse een verklaring afgelegd. Diezelfde dag heeft zij aangifte gedaan, waarin ze uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen. In februari 2025 heeft aangeefster een aanvullende verklaring afgelegd over de vermeende aanranding.
Aangeefster heeft in april 2023 steeds consistent verklaard over de gebeurtenissen: over de aanleiding van het incident, de geweldshandelingen, de seksuele aanrakingen en de wijze waarop ‘ [verdachte] ’ (de rechtbank begrijpt: verdachte) haar probeerde te verhinderen om het pand te verlaten. Ook de aanvullende verklaring die aangeefster in 2025 heeft afgelegd met betrekking tot de vermeende aanranding, kan als bewijs dienen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de verklaring weliswaar bijna twee jaar na het incident is afgelegd, maar dat zij belangrijke elementen van die verklaring al ter plaatse en bij de aangifte in 2023 heeft verteld. Destijds heeft aangeefster al verklaard dat [verdachte] aangaf seks te willen met haar en dat hij heeft geprobeerd om haar broek naar beneden te trekken, maar dat dit niet lukte omdat de touwtjes van de joggingbroek vast zaten. In 2025 is aangeefster door de zedenpolitie gehoord en is nader op haar eerdere verklaringen ingegaan, waarbij aangeefster uitgebreider heeft verklaard over de gebeurtenissen. De verklaringen van aangeefster acht de rechtbank dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Zij heeft gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd, niet alleen over de aanrakingen en de mishandeling door verdachte maar ook over het verloop van de ochtend.
Steunbewijs
De verklaring van aangeefster vindt steun in andere bewijsmiddelen. Zowel de melder die door aangeefster werd aangeklampt, getuige [getuige 2] , als de pandeigenaar, getuige [getuige 1] , verklaarden dat aangeefster zeer geëmotioneerd was. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster in paniek en overstuur was. Tegen getuige [getuige 2] heeft aangeefster direct gezegd dat [verdachte] seks met haar wilde, maar dat zij dat niet wilde. Voorts heeft de pandeigenaar verklaard dat hij gestommel en geschreeuw hoorde vanuit het deel van het pand dat hij verhuurt – het deel waar de studio van [verdachte] zich bevindt. Toen hij de deur open deed zag hij aangeefster en degene aan wie de studio was onderverhuurd (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) en dat zij een soort gevecht hadden, waarbij aangeefster probeerde weg te komen en [verdachte] haar vasthield en haar niet naar buiten liet gaan. Getuige [getuige 1] zag dat de kunstnagels van aangeefster op de grond lagen. Ook volgens de ter plaatse gekomen verbalisanten was aangeefster in tranen. Door de verbalisanten zijn kunstnagels op de vloer van de hal gefotografeerd.
(Poging tot) aanranding
Op grond van de verklaringen van aangeefster – die steun vinden in het dossier – stelt de rechtbank vast dat verdachte onder meer heeft geprobeerd aangeefsters broek uit te trekken, aan de touwtjes van haar broek heeft getrokken, haar bovenbenen heeft aangeraakt en heeft geprobeerd zijn handen in haar broek te doen, terwijl aangeefster had aangegeven geen seks met hem te willen. Hij heeft hiermee aangeefster geprobeerd te dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen, zijnde handelingen gericht op seksueel contact althans handelingen in strijd met de sociaal ethische norm. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voltooid delict, namelijk aanranding, maar van een poging daartoe. Alle handelingen van verdachte waren erop gericht om ontuchtige handelingen bij aangeefster te plegen, namelijk het pogen haar broek naar beneden te trekken, zijn handen in haar broek te doen en haar schaamstreek aan te raken, maar verdachte is hierin niet geslaagd.
Dit betekent dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de primair ten laste gelegde voltooide aanranding en zij de subsidiair ten laste gelegde poging tot aanranding bewezen acht.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster op 21 april 2023 in het pand aan de [adres pand] opzettelijk wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd door haar – met geweld – tegen te houden toen zij weg probeerde te gaan en door haar telefoon af te pakken.
3.3.2
Het oordeel van de rechtbank over feit 3
De rechtbank acht de onder feit 3 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] en de foto’s van de kunstnagels van aangeefster op de grond in de hal. Gelet op het standpunt van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1, subsidiair:
op 21 april 2023 te Diemen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde partij] , te dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
- onverhoeds heeft getrokken aan de touwtjes van de joggingbroek van die [benadeelde partij] en
- de bovenbenen van die [benadeelde partij] heeft aangeraakt en
- heeft gezegd tegen die [benadeelde partij] “dat hij geil was en vroeg wat gaan wij eraan doen” en
- heeft gepoogd de broek van die [benadeelde partij] naar beneden te trekken en
- heeft gepoogd zijn handen in de broek van die [benadeelde partij] te doen en
- heeft gepoogd de vagina en/of schaamstreek te betasten en
- die [benadeelde partij] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden in de studio en
- voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [benadeelde partij] en aldus voor die [benadeelde partij] een situatie heeft doen ontstaan waaraan die [benadeelde partij] zich niet kon onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 2:
op 21 april 2023 te Diemen opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door
- die [benadeelde partij] tegen haar wil in de studio aan de [adres pand] vast te houden en
- op die [benadeelde partij] te gaan zitten en
- die [benadeelde partij] vast te pakken en vast te houden en die [benadeelde partij] naar achteren te trekken waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen en
- die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen : “Je kent mij echt niet he, laat me niet zo ver komen dat het echt uit de hand gaat lopen. Nu kan ik je al helemaal niet meer laten gaan. Je moet me niet gek maken want ik schiet je door je kanker hoofd”, althans woorden van gelijke aard of strekking en
- die [benadeelde partij] haar telefoon af te pakken en
- die [benadeelde partij] meermaals met kracht bij de hals te pakken en
- die [benadeelde partij] haar keel dicht te drukken en
- die [benadeelde partij] te slaan tegen het gezicht.
Ten aanzien van feit 3:
op 21 april 2023 te Diemen, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] :
- vast te pakken en vast te houden en die [benadeelde partij] naar achteren te trekken waardoor die [benadeelde partij] ten val is gekomen en
- meermalen met kracht bij de hals te pakken en
- vervolgens de keel van die [benadeelde partij] dicht te drukken en
- te slaan tegen het gezicht.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft gevorderd dat aan dit voorwaardelijke deel een contactverbod met aangeefster wordt verbonden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat er een contactverbod met aangeefster in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd voor de duur van vijf jaren, met twee weken hechtenis per overtreding van het contactverbod, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft gevorderd dat zowel de bijzondere voorwaarde als de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
8.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om in de strafmaat rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn en met de omstandigheid dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is. De verdediging heeft voorts verzocht om, gelet op de bewezenverklaring waar zij van uitgaat, geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot aanranding, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling. Hij heeft zich geprobeerd op te dringen aan aangeefster, die bij hem in zijn studio was blijven slapen en die hem als vriend beschouwde. Toen zij niet meewerkte en weg wilde gaan, heeft verdachte haar met grof geweld tegen- en vastgehouden. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op aangeefsters lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Dit heeft een grote impact gehad op haar veiligheidsgevoel, zoals blijkt uit de slachtofferverklaring die namens haar ter zitting is voorgedragen. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid afgelegd voor zijn handelen, ook niet voor de mishandeling, waarvoor ook volgens de verdediging voldoende bewijs bestaat.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor geweldsfeiten, waaronder twee pogingen tot doodslag, huiselijk geweld en voor vuurwapenbezit. Sinds de pleegdatum van de onderhavige feiten is verdachte meermalen veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Ten aanzien van deze veroordelingen is artikel 63 Sr Pro van toepassing.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 4 november 2025 en 30 juni 2026. In het rapport van 2025 geeft de reclassering aan dat verdachte zich in het lopende toezicht aan de afspraken houdt en dat zij een nieuw reclasseringstoezicht geïndiceerd acht, omdat zij behandeling als belangrijke interventie zien. De reclassering adviseert in dat rapport een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Uit het rapport van 2026 blijkt echter dat de reclassering contact met verdachte is verloren, dat de laatste meldplichtafspraken niet tot stand zijn gekomen en dat het ambulante hulpverlengingstraject is gestagneerd. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheden meer voor reclasseringsinterventies.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten die verdachte heeft gepleegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Ten aanzien van de duur van de gevangenisstraf overweegt de rechtbank het volgende. Er is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is weliswaar in mei 2023 voor het eerst gehoord, maar dit verhoor zag enkel op een verdenking van mishandeling en bedreiging. Omdat verdachte pas in juni 2025 is gehoord op de verdenking van aanranding, gaat de rechtbank voor de aanvang van de redelijke termijn uit van juni 2025. Dit betekent dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Wel ziet de rechtbank in de toepassing van artikel 63 Sr Pro aanleiding om af te wijken van de vordering van de officier van justitie en de straf aanzienlijk te matigen. Gelet op de eerder opgelegde forse gevangenisstraffen, ziet zij geen ruimte om een gevangenisstraf langer dan vijf maanden op te leggen. Die straf wordt dan ook passend en geboden geacht, mede gelet op de omstandigheid dat het inmiddels om oudere feiten gaat.
De rechtbank zal geen contactverbod met aangeefster aan verdachte opleggen. In het meeste recente advies van de reclassering ziet de rechtbank reden om geen voorwaardelijk deel aan de gevangenisstraf te verbinden. Ten aanzien van de 38v-maatregel overweegt de rechtbank dat dit een ingrijpende maatregel is, waarbij voor oplegging ervan moet worden vastgesteld dat de maatregel noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij dan wel ter voorkoming van strafbare feiten. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. De enkele mededeling op zitting van de advocaat van aangeefster dat er in de maanden voorafgaand aan de zitting twee (de rechtbank begrijpt: toevallige) ontmoetingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster waarbij verdachte contact heeft gezocht, is onvoldoende om aan te nemen dat oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr noodzakelijk is.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 2.000 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij stelt dat er sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verdachte heeft aan benadeelde fysiek en geestelijk letsel toegebracht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel toewijsbaar is.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de bewezenverklaring waar zij van uitgaat – de vordering dient te worden gematigd tot € 250,00. Ook wanneer de rechtbank uitgaat van een andere bewezenverklaring kan slechts het voornoemde bedrag worden toegekend, omdat het gestelde geestelijk letsel niet met stukken is onderbouwd en – gezien de wisselingen in de verklaring omtrent de toedracht van de feiten – niet zonder meer evident is dat van dergelijke schade sprake is.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW Pro kan de benadeelde partij aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of als het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Het door de benadeelde gestelde geestelijk letsel is niet met stukken onderbouwd. De aard en ernst van de aanranding en de omstandigheden waaronder deze is gepleegd, kan echter alsnog leiden tot de conclusie dat een aantasting in de persoon als evident wordt beschouwd zonder dat nadere onderbouwing noodzakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat hier ten aanzien van de bewezen feiten sprake van is. Verdachte heeft aangeefster meerdere keren betast, aangegeven seks met haar te willen en geweld gebruikt om te voorkomen dat zij het pand zou verlaten, terwijl zij duidelijk had aangegeven weg te willen. De rechtbank is van oordeel dat niet enkel de feitelijke gedragingen moeten worden meegewogen bij de vraag of evident sprake is van een aantasting in de persoon, maar ook de omstandigheid dat verdachte bewust over de grenzen van aangeefster ging, grenzen die zij verbaal en fysiek heeft aangegeven, waarbij verdachte geweld tegen haar gebruikte. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is in dit geval dan ook niet vereist.
Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, de Rotterdamse schaal en de onderbouwing van de vordering, is de rechtbank van oordeel dat de geleden immateriële schade op een bedrag van € 2.000,- kan worden vastgesteld.
Het totaal toe te wijzen bedrag ten aanzien van aangeefster bedraagt € 2000,- aan vergoeding van immateriële schade.
Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de feiten zijn gepleegd, zijnde 21 april 2023, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 mei 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/004724-20, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 10 juni 2020 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig (40) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot tien (10) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee (2) jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank stelt vast dat het voorwaardelijke deel van deze veroordeling reeds bij arrest van 18 december 2023 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (gedeeltelijke tenuitvoerlegging van zes maanden) en van 16 april 2024 van het gerechtshof Amsterdam (gedeeltelijke tenuitvoerlegging van vier maanden) is tenuitvoergelegd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering tenuitvoerlegging.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 246 (oud), 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1, subsidiair:
poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid;
Feit 2 en feit 3:
eendaadse samenloop van
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven
en
mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
vijf (5) maanden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 2.000 (tweeduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 21 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 2.000 (tweeduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 21 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van twintig (20) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13/004724-20.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Willeboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.
Bijlage – Tenlastelegging
Aan verdachte
[verdachte]is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 21 april 2023 te Diemen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het een of meermaals trekken aan (de touwtjes van) de (jogging)broek van die [benadeelde partij] en/of het betasten van de (boven)benen en/of schaamstreek en/of in de richting van de (met kleding bedekte) vagina van die [benadeelde partij] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkheid er in hebben bestaan dat verdachte
- voornoemde handelingen onverhoeds heeft verricht en/of
- heeft gezegd tegen die [benadeelde partij] “dat hij geil was en vroeg wat gaan wij eraan doen” en/of
- heeft gepoogd de broek van die [benadeelde partij] naar beneden te trekken en/of
- heeft gepoogd zijn handen in de broek van die [benadeelde partij] te doen en/of
- heeft gepoogd die [benadeelde partij] om te draaien en/of
- heeft gepoogd de vagina en/of schaamstreek te betasten en/of
- die [benadeelde partij] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden in de studio en/of
- een of meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [benadeelde partij] en/of aldus voor die [benadeelde partij] een dreigende situatie heeft doen ontstaan en/of een situatie heeft doen ontstaan waaraan die [benadeelde partij] zich niet kon onttrekken;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 april 2023 te Diemen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde partij] , te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen,
- ( onverhoeds) een of meermaals heeft getrokken aan de (touwtjes van) de (jogging)broek van die [benadeelde partij] en/of
- de (boven)benen en/of schaamstreek van die [benadeelde partij] heeft aangeraakt en/of betast en/of
- in de richting van de (met kleding bedekte) vagina die [benadeelde partij] heeft aangeraakt en/of betast en/of
- heeft gezegd tegen die [benadeelde partij] “dat hij geil was en vroeg wat gaan wij eraan doen” en/of
- heeft gepoogd de broek van die [benadeelde partij] naar beneden te trekken en/of
- heeft gepoogd zijn handen in de broek van die [benadeelde partij] te doen en/of
- heeft gepoogd die [benadeelde partij] om te draaien en/of
- heeft gepoogd de vagina en/of schaamstreek te betasten en/of
- die [benadeelde partij] heeft vastgepakt en/of heeft vastgehouden in de studio en/of
- een of meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [benadeelde partij] en/of aldus voor die [benadeelde partij] een dreigende situatie heeft doen ontstaan en/of een situatie heeft doen ontstaan waaraan die [benadeelde partij] zich niet kon onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 21 april 2023 te Diemen, in elk geval in Nederland,
opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [benadeelde partij] tegen haar wil in de studio (aan de [adres pand] ) vast te houden en/of
- op die [benadeelde partij] te gaan zitten en/of
- die [benadeelde partij] een of meermaals vast te pakken en/of vast te houden en/of die [benadeelde partij] naar achteren te trekken en/of te duwen waardoor die [benadeelde partij] (vervolgens) ten val is gekomen en/of
- die [benadeelde partij] een of meermaals de woorden toe te voegen : “Je kent mij echt niet he, laat me niet zo ver komen dat het echt uit de hand gaat lopen. Nu kan ik je al helemaal niet meer laten gaan. Je moet me niet gek maken want ik schiet je door je kanker hoofd”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of
- die [benadeelde partij] haar telefoon af te pakken en/of
- die [benadeelde partij] een of meermaals (met kracht) bij de keel en/of hals te pakken en/of vast te houden en/of
- die [benadeelde partij] haar keel en/of hals dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of enige tijd dichtgedrukt en/of dichtgeknepen te houden en/of
- die [benadeelde partij] een of meermaals te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [benadeelde partij] ;
3
hij op of omstreeks 21 april 2023 te Diemen, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] :
- een of meermalen (met kracht) vast te pakken en/of vast te houden en/of die [benadeelde partij] naar achteren te trekken en/of te duwen waardoor die [benadeelde partij] (vervolgens) ten val is gekomen en/of
- een of meermalen (met kracht) bij de keel en/of hals te pakken en/of vast te houden en/of
- ( vervolgens) de keel en/of hals van die [benadeelde partij] dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of enige tijd dichtgedrukt en/of dichtgeknepen te houden en/of
- te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het lichaam;