ECLI:NL:RBAMS:2026:7436

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/13/789365
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op inroepen step-in recht door Insify in tripartite overeenkomst met iptiQ en Sedgwick

Insify en iptiQ sloten een tripartite overeenkomst met Sedgwick voor schadebehandeling van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Insify wilde het step-in recht inroepen wegens vermeende tekortkomingen van Sedgwick, maar iptiQ betwistte dit en vorderde voortzetting van de overeenkomst.

De rechtbank oordeelde dat Insify onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Sedgwick structureel tekortschiet, hoewel er aanwijzingen waren. Het step-in recht kon daarom nog niet worden ingeroepen. Insify werd verboden de schadebehandeling zelf of via derden over te nemen gedurende drie maanden na betekening van het vonnis.

De rechtbank wees de overige vorderingen af en veroordeelde Insify tot betaling van proceskosten. iptiQ werd niet veroordeeld in proceskosten in reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Insify is verboden het step-in recht uit te oefenen gedurende drie maanden en moet de samenwerking met Sedgwick voortzetten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/789365 / KG ZA 26-514 LV/KH
Vonnis in kort geding van 20 juli 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
IPTIQ LIFE S.A.,
te Luxemburg,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 17 juni 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: iptiQ,
advocaten: mr. M. Wisse en mr. J.P. Broekhuizen,
tegen
INSIFY B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Insify,
advocaten: mr. G.C. Endedijk en mr. J.V. Mol.

1.De procedure

1.1.
Ter zitting van 29 juni 2026 heeft iptiQ de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Insify heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie ingesteld, die iptiQ heeft bestreden. Beide partijen hebben producties ingediend en een pleitnota voorgedragen. Bij de zitting waren, voor zover relevant aanwezig:
- namens iptiQ: [naam 1] ( [naam functie 1] ) en [naam 2] ( [naam functie 2] ) met L. Crul (tolk Engels), mr. Wisse en mr. Broekhuizen,
- namens Insify: [naam 3] ( [naam functie 3] ), [naam 4] ( [naam functie 4] ), [naam 5] ( [naam functie 5] ) en [naam 6] (toehoorder) met mr. Endedijk en mr. Mol,
- 3 toehoorders namens Sedgwick Nederland B.V.
1.2.
Vonnis was bepaald op 13 juli 2026, maar partijen hebben om aanhouding verzocht tot 20 juli 2026 omdat zij probeerden tot een schikking te komen. Bij bericht van 17 juli 2026 is namens iptiQ vermeld dat dat niet is gelukt. Vonnis is daarom bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Insify is tussenpersoon en gevolmachtigd agent van verzekeraar iptiQ in de zin van de Wet op het financieel toezicht. iptiQ is onderdeel van het Zwitserse verzekeringsbedrijf Swiss Re.
2.2.
Op 30 november 2022 hebben Insify en iptiQ een ‘Managing General Agent Agreement’ gesloten (hierna: de MGAA). Op grond daarvan is Insify bevoegd om namens iptiQ arbeidsongeschiktheidsverzekeringen af te sluiten. De volmacht van Insify omvat mede de schadebehandeling van de claims onder de afgesloten verzekeringen. Insify en iptiQ hebben in de MGAA afgesproken dat die schadebehandeling wordt (onder)uitbesteed aan Sedgwick Nederland B.V. (hierna: Sedgwick). Partijen zijn overeengekomen dat de MGAA in beginsel op 30 juni 2026 eindigt.
2.3.
Op 30 november 2022 hebben Insify, iptiQ en Sedgwick een tripartite overeenkomst gesloten (hierna: TPO) voor de (onder)uitbesteding van onder meer de schadebehandeling aan Sedgwick. De schadebehandeling is onderverdeeld in (i)
technical claims handling: het beoordelen van de dekking en het financieel afhandelen van de claim en (ii)
medical claims handling: het geven van medisch advies en de volledige begeleiding bij re-integratie. Sedgwick is ook belast met het klantcontact in verband met de claim.
2.4.
In de TPO zijn onder meer de volgende afspraken gemaakt, waarbij ‘Provider’ steeds Sedgwick is:

4. Provision of Services
(…)
4.2
Provider shall perform the Services:
4.2.1
using reasonable skill and care and in a professional manner at all times; and
4.2.2
in accordance with:
a) all Applicable Laws;
b) Good Professional Practice;
c) the terms of this Agreement; and
d) the service levels in Schedule II (Service Levels).
(…)
5 Service Levels and discount
(…)
5.2
If the Provider's provision of the Services fails to meet any part of the service levels, calculated over a full month, the Provider shall, in various steps:
a) in the first month of missing the Service Levels, Insify and Sedgwick will meet to discuss the issues;
b) in the second consecutive month or the second month in a period of six months, Provider will give 5% discount on the invoice excluding VAT of that second month;
c) in the third consecutive month or the third (or a subsequent) month in a period of six months, Provider will give 5% discount on the invoice excluding VAT of that third month, the highest management of the provider and Insify will meet to discuss the issues, and the exclusivity clause will be cancelled.
5.3
Within ten (10) Business Days of the end of each calendar month, Provider will provide Insify with full written details about its performance against the Service Levels and the discount it owes to Insify for that calendar month, including details of the extent to which it failed to meet relevant service levels.
(…)
21. Step-in Right
21.1
If the Provider is not performing the Services in accordance with the Service Levels and/or there is a material breach of this Agreement and Insify and/or IptiQ and/or any IptiQ Affiliate has suffered, or is likely to suffer a material loss, reputational damages or a material disruption of business, Insify and/or IptiQ or the relevant IptiQ Affiliate (which may not be a competitor) may step-in and manage the performance of and/or perform the respective Services itself or appoint a third party to do so.(…)”
2.5.
In bijlage II bij de TPO zijn service levels overeengekomen, bestaande uit doorlooptijden/Key Perfomance Indicators (KPI’s), waaraan Sedgwick voor ten minste 90% moet voldoen. Voor de technical en medical claims handling zijn deze als volgt:
2.6.
Voor het eerst in september 2023 constateerde Insify een termijnoverschrijding door Sedgwick. Vanaf dat moment hebben verschillende overleggen plaatsgevonden en is gecorrespondeerd tussen partijen onderling en met Sedgwick over – in het kort – verbetering van de schadebehandeling door Sedgwick. Partijen hebben in dat verband ook gesproken over het overnemen van de schadebehandeling door een andere, derde partij of door Insify zelf, maar dat heeft niet tot overeenstemming geleid.
2.7.
Op 9 februari 2026 heeft Insify haar voornemen kenbaar gemaakt aan iptiQ om de TPO met Sedgwick te beëindigen. iptiQ heeft daarop gereageerd dat zij er de voorkeur aan gaf om de relatie met en de performance van Sedgwick te verbeteren.
2.8.
Op 13 april 2026 vond een overleg plaats tussen Insify, iptiQ en Sedgwick waarin Insify een verbetertraject heeft gepresenteerd, waarin zij heeft ingezet op het formuleren van aanvullende KPI’s en regelmatige monitoring daarvan.
2.9.
Op 15 april 2026 heeft Insify de aanvullende KPI’s met Sedgwick gedeeld, die op 21 april 2026 zijn besproken, maar dat heeft niet tot overeenstemming geleid.
2.10.
Op 6 mei 2026 vond een gesprek plaats tussen partijen over eventuele tekortkomingen van Sedgwick. Uit de overgelegde notulen blijkt (in het kort en vrij vertaald) dat iptiQ dacht dat een verbetertraject was overeengekomen en dat Sedgwick tot juni de tijd zou krijgen om verbetering te laten zien. Insify heeft gezegd dat zij na 2,5 jaar haar vertrouwen is verloren. Ook heeft zij iptiQ gevraagd onder welke omstandigheden zij ermee akkoord zou gaan dat Insify de schadebehandeling overneemt. Daarop reageerde iptiQ dat zij daar onder geen beding mee akkoord zou gaan. Insify heeft desondanks (en voor het eerst) haar voornemen geuit om gebruik te maken van het step-in recht als bedoeld in artikel 21.1 TPO (2.4), omdat Sedgwick in al die tijd geen verandering heeft laten zien en omdat zij het onacceptabel vindt om nog langer te wachten, terwijl de gevolgen voor de verzekerden groot zijn.
2.11.
Per brief van 20 mei 2026 heeft Insify aan iptiQ laten weten dat zij definitief per 19 juni 2026 het step-in recht zal inroepen.
2.12.
Nader overleg en correspondentie tussen partijen heeft niet tot overeenstemming geleid. Wel heeft Insify toegezegd het inroepen van het step-in recht uit te stellen totdat in dit kort geding vonnis is gewezen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
iptiQ vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I.
primair: Insify op straffe van een dwangsom te gebieden om de tripartite overeenkomst tussen iptiQ, Insify en Sedgwick ongewijzigd na te komen en de samenwerking met Sedgwick onder die overeenkomst ongewijzigd voort te zetten, en meer in het bijzonder Insify te verbieden om, zonder voorafgaande instemming van iptiQ, met ingang van 29 juni 2026 of op enig later moment hangende een door iptiQ aanhangig te maken dan wel aanhangig gemaakte bodemprocedure, de in de tripartite overeenkomst aan Sedgwick opgedragen schadebehandelingswerkzaamheden voor nieuwe claims zelf te verrichten, naar zich toe te trekken of door een andere derde te doen verrichten, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld dat Insify daartoe op grond van artikel 21.1 van de tripartite overeenkomst bevoegd is;
II.
subsidiair: Insify op straffe van een dwangsom te gebieden om de tripartite overeenkomst tussen iptiQ, Insify en Sedgwick ongewijzigd na te komen en de samenwerking met Sedgwick onder die overeenkomst ongewijzigd voort te zetten, en meer in het bijzonder Insify te verbieden om, zonder voorafgaande instemming van iptiQ, met ingang van 29 juni 2026 of op enig later moment gedurende een periode van ten minste drie maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de in de tripartite overeenkomst aan Sedgwick opgedragen schadebehandelingswerkzaamheden voor nieuwe claims zelf te verrichten, naar zich toe te trekken of door een andere derde te doen verrichten;
III.
meer subsidiair, althans in aanvulling op het onder I en/of II gevorderde: Insify op straffe van een dwangsom te gebieden iedere maatregel te staken en gestaakt te houden die ertoe strekt of tot gevolg heeft dat Sedgwick vanaf 29 juni 2026 niet langer overeenkomstig de tripartite overeenkomst de schadebehandeling van nieuwe claims kan verrichten, waaronder begrepen het doen van mededelingen aan Sedgwick, klanten of andere derden dat Insify deze werkzaamheden eigenmachtig zal overnemen;
IV.
in alle gevallen: Insify te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
3.2.
iptiQ betwist dat Insify het recht heeft om een beroep te doen op het step-in recht in artikel 21.1 TPO, omdat niet aan de voorwaarden daarvan is voldaan. Het klopt dat zorgen zijn geuit over de prestaties van Sedgwick, maar volgens iptiQ staat (nog) niet vast dat Sedgwick toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de TPO. De door Insify aangeleverde stukken tonen dat niet op duidelijke en verifieerbare wijze aan en deze wijken ook af van de door Sedgwick aangeleverde data. iptiQ is overigens wel bereid om te (laten) onderzoeken of Sedgwick tekortschiet in haar dienstverlening en, als dat het geval is, te kijken naar een alternatief. Er was een hersteltermijn overeengekomen tot 30 juni 2026 om Sedgwick in de gelegenheid te stellen haar dienstverlening te verbeteren. Die hersteltermijn wordt nu doorkruist met een beroep op het step-in recht, waardoor het onmogelijk is om vast te stellen of Sedgwick tekortschiet en of aanleiding bestaat om een andere partij te betrekken. Insify is bovendien niet bevoegd om eenzijdig een beroep te doen op het step-in recht. Een redelijke uitleg van artikel 21.1 TPO, in combinatie met de MGAA en de positie van iptiQ als uitbestedende verzekeraar, brengt mee dat daarvoor instemming en medewerking van iptiQ vereist is. Het eenzijdig overnemen van de schadebehandeling zou iptiQ benadelen in haar belangen. Het gaat daarbij om verlies van regie over de schadebehandeling, verstoring van de contractueel ingerichte samenwerking, aantasting van de positie van iptiQ jegens Sedgwick en het ontstaan van aanvullende juridische en regulatoire risico’s voor iptiQ. Het is in strijd met haar beleid om een gevolmachtigd agent als Insify toe te staan om de aan Sedgwick uitbestede schadebehandeling zelf te gaan verrichten.
3.3.
Insify voert verweer. Anders dan iptiQ stelt, komt het inroepen van het step-in recht door Insify niet uit de lucht vallen. Sinds in ieder geval januari 2024 haalt Sedgwick de overeengekomen 90% op de service levels niet. Insify heeft (via Sedgwick en iptiQ) tevergeefs pogingen ondernomen om het onderpresteren van Sedgwick aan de orde te stellen en recht te zetten. De tekortkomingen van Sedgwick raken de kern van de dienstverlening: tijdige en voortvarende afhandeling van claims onder de verzekeringen. Door dit na te laten voldoet Sedgwick niet aan de overeengekomen kwaliteitseisen en worden verzekerden ernstig in hun belangen geschaad. iptiQ noch Sedgwick zijn bereid gebleken om mee te werken aan een reële oplossing, waardoor Insify geen andere mogelijkheid zag dan gebruik te maken van het step-in recht. Aan de voorwaarden daarvoor is ook voldaan. Insify heeft tabellen overgelegd waaruit blijkt dat Sedgwick niet heeft gehandeld in overeenstemming met de service levels. Overigens blijkt dat ook uit de door Sedgwick zelf aangeleverde rapportages over april en mei 2026. Het niet voldoen aan de service levels leidt tot reputatieschade bij Insify, die dagelijks klachten ontvangt van verzekerden. Verder voldoet Sedgwick niet aan de TPO doordat zij structureel heeft nagelaten om consequent en volledig te rapporteren. Dat Insify voor het inroepen van het step-in recht instemming of medewerking van iptiQ nodig heeft, blijkt nergens uit. Dat het in strijd met het beleid van iptiQ zou zijn om de schadebehandeling door Insify te laten uitvoeren is moeilijk te volgen, nu de aan haar verleende volmacht op grond van de MGAA al de schadebehandeling omvat.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Insify vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I.
primair: iptiQ te gebieden medewerking te verlenen aan inroeping van het step-in recht door Insify conform artikel 21.1 TPO, inhoudende dat Insify de technische en medische schadebehandeling zelf op zich neemt voor nieuwe claims;
II.
subsidiair: iptiQ te gebieden medewerking te verlenen aan inroeping van het step-in recht door Insify conform artikel 21.1 TPO, inhoudende dat Insify de technische en medische schadebehandeling laat verrichten door een andere derde partij dan Sedgwick voor nieuwe claims. Deze derde partij zal op de wijze als uiteengezet in de principeovereenkomst worden geselecteerd door iptiQ en Insify, en iptiQ zal al het nodige doen om mogelijk te maken dat deze partij de technische en medische schadebehandeling van de nieuwe claims die binnenkomen bij Insify kan verrichten;
III.
in alle gevallen: iptiQ te gebieden om na opzegging van de TPO door Insify jegens Sedgwick, haar medewerking te verlenen aan het afdwingen van Sedgwicks verplichtingen ex artikel 21.2, 24 en 27 TPO; en
IV. iptiQ te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
3.6.
iptiQ voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uit artikel 29.9 van de TPO vloeit een forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam voort met betrekking tot geschillen die voortvloeien uit die overeenkomst. Ook is daarin afgesproken dat Nederlands recht van toepassing is. De voorzieningenrechter acht zich mede gelet op deze afspraken bevoegd om kennis te nemen van voorliggend geschil.
4.2.
De vorderingen in conventie en in reconventie worden hierna gezamenlijk beoordeeld, nu zij grotendeels elkaars spiegelbeeld zijn.
4.3.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of Insify een beroep toekomt op het step-in recht uit artikel 21.1 TPO. Daarvoor is in het kort vereist dat vaststaat dat Sedgwick de schadebehandeling niet verricht in overeenstemming met de overeengekomen service levels, dan wel dat sprake is van een materiële schending van de TPO, waardoor Insify en/of iptiQ (waarschijnlijk) schade lijdt of lijden. De voorzieningenrechter volgt iptiQ niet in de stelling dat een redelijke uitleg van de TPO in samenhang met de MGAA met zich meebrengt dat Insify daarnaast te allen tijden instemming en medewerking van iptiQ nodig heeft voor een beroep op het step-in recht. Dat blijkt niet uit de TPO, waarin staat dat het step-in recht aan Insify
en/ofiptiQ toekomt. Verder geldt dat ook indien iptiQ op grond van de MGAA zou moeten instemmen met het gebruik van het step-in recht door Insify, iptiQ daarbij de redelijke belangen van Insify in acht moet nemen. Indien Sedgwick tekortschiet als bedoeld in artikel 21.1 van de TPO en Insify dientengevolge schade lijdt, is dit een redelijk belang dat in beginsel aan het onthouden van instemming door iptiQ in de weg staat.
4.4.
Insify heeft haar stelling dat Sedgwick de schadebehandeling niet verricht in overeenstemming met de overeengekomen service levels onder meer onderbouwd met de door haar overgelegde productie 23. Daarin staan tabellen waaruit blijkt dat Sedgwick op vier van de overeengekomen relevante KPI’s over de periode januari 2024 tot en met mei 2026 grotendeels niet aan de overeengekomen 90% voldeed. Dat beeld wordt ook bevestigd door de overgelegde rapportages van Sedgwick zelf over april en mei 2026. IptiQ betwist dat de tabellen van Insify kloppen, omdat deze zijn gebaseerd op een door Insify eenzijdig ontwikkelde methodologie, waarin gebruik wordt gemaakt van afgeleide data, aannames, uitsluitingen en gereconstrueerde datapunten. Dat standpunt van iptiQ is lastig te volgen, nu de KPI’s – die enkel doorlooptijden bevatten – redelijk eenvoudig te verifiëren zouden moeten zijn. De voorzieningenrechter acht het daarom voorshands aannemelijk dat de bodemrechter zal constateren dat Sedgwick tekortschiet en dat dit tot reputatieschade voor Insify zal leiden zodanig dat een beroep op het step-in recht gerechtvaardigd is. Daarbij is ook van belang dat de discussie over de mate waarin Sedgwick de service levels haalt, al geruime tijd voortduurt.
4.5.
Desondanks acht de voorzieningenrechter een beroep op het step-in recht door Insify op dit moment nog niet aan de orde. Daarvoor is relevant dat iptiQ (in dit kort geding) duidelijk heeft gemaakt bereid te zijn om te kijken of inderdaad sprake is van tekortschieten door Sedgwick en, als dat zo is, een andere derde partij aan te wijzen die de schadebehandeling van Sedgwick overneemt. iptiQ heeft voorgesteld dat door een onafhankelijke auditor te laten doen. De vorderingen van iptiQ zijn er ook op gericht dat de tijd en ruimte ontstaat om dat te (laten) doen. Hoewel begrijpelijk is dat Insify bij onvoldoende gehoor op het door haar voorgestelde verbetertraject in april 2026 heeft geprobeerd een doorbraak te forceren, acht de voorzieningenrechter een beroep op het step-in recht bij deze stand van zaken prematuur.
4.6.
Nu nog geen bodemzaak aanhangig is gemaakt en van Insify onder de gegeven omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij hierop wacht, zal de subsidiaire vordering van iptiQ worden toegewezen, in die zin dat Insify wordt geboden om de TPO gedurende drie maanden na betekening van dit vonnis ongewijzigd na te komen en haar gedurende die periode geen beroep op artikel 21.1 TPO toekomt. Het ligt voor de hand dat partijen die drie maanden gebruiken om vast te (laten) stellen of Sedgwick al dan niet aan de service levels voldoet. Van iptiQ wordt verwacht dat zij voortvarend handelt in lijn met de door haar uitgesproken bereidheid daartoe.
4.7.
De gevorderde dwangsom wordt niet toegewezen, gelet op de houding van Insify, die eerder al bereid is gebleken haar beroep op het step-in recht uit te stellen. Omdat de subsidiaire vordering in conventie is toegewezen, worden de (overige) vorderingen in conventie en reconventie afgewezen.
4.8.
Insify is grotendeels in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van iptiQ in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.229,65
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.10.
Insify is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van iptiQ in reconventie worden echter gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie begroot op nihil.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
gebiedt Insify om de tripartite overeenkomst tussen iptiQ, Insify en Sedgwick gedurende een periode van drie maanden na betekening van dit vonnis ongewijzigd na te komen en de samenwerking met Sedgwick onder die overeenkomst ongewijzigd voort te zetten, en verbiedt Insify om gedurende die periode de in de tripartite overeenkomst aan Sedgwick opgedragen schadebehandelingswerkzaamheden voor nieuwe claims zelf te verrichten of door een andere derde te doen verrichten,
5.2.
veroordeelt Insify in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Insify niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Insify tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.7.
veroordeelt Insify in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026. [1]

Voetnoten

1.Coll: EvK