ECLI:NL:RBAMS:2026:7437

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
11939435 \ CV EXPL 25-14852
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230g lid 1 sub f BWArt. 6:230g lid 2 BWArt. 6:230m BWArt. 6:230o BWArt. 6:230p BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument ontbindt overeenkomst accupakket wegens niet-naleving herroepingsrecht

In april 2025 sloot de consument een overeenkomst met de handelaar voor de levering van een accupakket voor zonne-energie. De levering en installatie zijn niet nagekomen, ondanks afspraken en ingebrekestelling. De consument vordert vernietiging of ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van het aankoopbedrag.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst buiten de verkoopruimte is gesloten, waardoor het consumentenrecht met herroepingsrecht van toepassing is. De handelaar heeft de consument niet geïnformeerd over dit recht, waardoor de herroepingstermijn is verlengd. De consument heeft binnen deze verlengde termijn de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden.

De handelaar kon geen beroep doen op een uitzondering voor maatwerkproducten en heeft onvoldoende bewijs geleverd voor haar stellingen. De vordering tot terugbetaling van het aankoopbedrag, incassokosten en proceskosten wordt toegewezen. De overeenkomst is ontbonden met terugwerkende kracht tot 4 september 2025.

Uitkomst: De overeenkomst is ontbonden en de handelaar moet het aankoopbedrag, incassokosten en proceskosten aan de consument terugbetalen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11939435 \ CV EXPL 25-14852
Vonnis van 21 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ( [gemachtigde] juridische diensten),
tegen
DE ZONNEPANEEL MEESTER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DZM,
gemachtigde: voorheen mr. J.E. van Rossem, thans procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025, met producties
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 27 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 19 juni 2026. Op 18 juni 2026 heeft de rechtbank bericht ontvangen dat de gemachtigde van DZM zich met onmiddellijke ingang onttrekt als gemachtigde. Namens [eiser] is de gemachtigde verschenen. Namens DZM is niemand verschenen, hoewel zij deugdelijk is opgeroepen. [eiser] heeft de vorderingen nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In april 2025 is DZM bij [eiser] aan de deur geweest. In de woning van [eiser] heeft hij bij DZM een accupakket ten behoeve van de opslag van zonne-energie aangeschaft. Hierna is DZM nogmaals langs geweest in de woning van [eiser] , waarbij een overeenkomst is gesloten voor de levering van een ander model accupakket. [eiser] heeft een bedrag van € 13.249,50 betaald aan DZM.
2.2.
In juni 2025 heeft een medewerker van DZM in de woning van [eiser] een schouw gedaan om te beoordelen waar de kabels van het accupakket geplaatst kon worden.
2.3.
DZM heeft op 8 juli 2025 bevestigd weten dat het accupakket op 30 juli 2025 geïnstalleerd zou worden. Dit is niet gebeurd.
2.4.
Op 4 september 2025 heeft [eiser] DZM in gebreke gesteld en haar gesommeerd het accupakket alsnog te leveren binnen vijf dagen na dagtekening van de brief en laten weten dat hij, bij gebreke daarvan, de koop zonder nadere berichtgeving op voorhand als ontbonden beschouwt.
2.5.
DZM heeft het accupakket niet geleverd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – primair de overeenkomst tussen hem en DZM te vernietigen wegens een oneerlijke handelspraktijk en/of dwaling, dan wel subsidiair de overeenkomst te ontbinden wegens non-conformiteit en wanprestatie en om DZM te veroordelen tot terugbetaling van het aankoopbedrag van € 13.249,50. Ook vordert [eiser] buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van DZM in de proceskosten en vermeerderd met de wettelijke rente over alle toegewezen bedragen.
3.2.
[eiser] heeft nooit enige schriftelijke documentatie ontvangen van de overeenkomst. Hij legt aan de vordering ten grondslag dat DZM hem verkeerd heeft voorgelicht en dat zij nooit van plan was het accupakket af te leveren conform de afgesproken afleverdatum. Daarmee is sprake van een oneerlijke handelspraktijk. Bovendien voldoet het niet afgeleverde accupakket niet aan de overeenkomst, omdat [eiser] niet de beschikking heeft erover. Hiermee is DZM tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, wat voldoende grond oplevert voor ontbinding van de overeenkomst. Daarom moet DZM het aankoopbedrag terugbetalen aan [eiser] .
3.3.
DZM voert verweer. Zij betwist dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk of van dwaling. Er is geen fatale leveringstermijn overeengekomen; door leveringsproblemen bij de leverancier kon DZM het accupakket niet leveren. Deze problemen kunnen DZM niet verweten kunnen worden. Met [eiser] is op 24 september 2025 afgesproken dat de levering en installatie op 25 november 2025 zou plaatsvinden, maar [eiser] heeft de monteur niet toegelaten tot de woning.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Aangezien [eiser] stelt de overeenkomst reeds buitengerechtelijk ontbonden te hebben, zal eerst onderzocht worden of de overeenkomst nog bestaat. Indien de overeenkomst ontbonden is, behoeft de primaire grondslag niet behandeld te worden en kan de subsidiaire grondslag worden afgedaan met een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden.
4.2.
De overeenkomst is gesloten tussen DZM als handelaar en [eiser] als consument. Daarom moet deze ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Aangezien de overeenkomst zowel de levering van een accupakket als de installatie ervan betreft, zijn de bepalingen die betrekking hebben op de consumentenkoop van toepassing. [1]
4.3.
Gelet op de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, te weten bij [eiser] thuis, is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte in de zin van artikel 6:230g lid 1 sub f onder 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230m BW en verder van toepassing. Een van die informatieplichten is het wijzen op het recht op ontbinding. Dit recht houdt in dat een consument een overeenkomst zonder opgave van redenen kan ontbinden binnen een termijn van veertien dagen na de dag waarop de consument de zaak heeft ontvangen. Gevolg van het niet verstrekken van informatie over het ontbindingsrecht, is dat de ontbindingstermijn wordt verlengd totdat de informatie alsnog op de voorgeschreven wijze is verstrekt, met ten hoogste een jaar. [2]
4.4.
Voor zover DZM zich op het standpunt stelt dat in dit geval sprake is van maatwerk en dat daarom een uitzondering bestaat op het ontbindingsrecht als bedoeld in artikel 6:230p BW, slaagt dit niet. DZM noemt in haar conclusie weliswaar dat er kosten voor [eiser] zijn gemaakt die niet meer kunnen worden teruggedraaid, maar dat betekent nog niet dat sprake is van een niet geprefabriceerd product dat volgens specificaties van [eiser] is vervaardigd. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard dat nooit gesproken is over op maat gemaakte zaken. In dat licht heeft DZM onvoldoende onderbouwd dat het accupakket dat door DZM zou worden geleverd een product is of bevat dat voor [eiser] op maat zou worden gemaakt.
4.5.
Dit betekent dat van een uitzondering geen sprake is en dat [eiser] een ontbindingsrecht heeft, waarover DZM hem diende te informeren. Onweersproken is gebleven dat de overeenkomst niet schriftelijk is verstrekt aan [eiser] op papier of op een andere duurzame gegevensdrager. Verder is niet gesteld of gebleken dat de informatie over het ontbindingsrecht op een later moment alsnog op de voorgeschreven wijze aan [eiser] is verstrekt. Daarmee is niet aan deze informatieplicht voldaan. Dit heeft tot gevolg dat de ontbindingstermijn is verlengd met twaalf maanden vanaf het einde van de oorspronkelijke ontbindingstermijn.
4.6.
Omdat [eiser] terugbetaling vordert van de kosten van het accupakket, zal eerst beoordeeld moeten worden of hij gebruik heeft gemaakt van zijn ontbindingsrecht en of DZM als gevolg daarvan het aankoopbedrag aan [eiser] moet vergoeden. [3]
4.7.
Om een beroep op het ontbindingsrecht aan te kunnen nemen, moet sprake zijn van een ondubbelzinnige verklaring waarmee de consument gebruik maakt van zijn ontbindingsrecht. Een dergelijke ondubbelzinnige verklaring volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de brief van 4 september 2025, waarin [eiser] DZM in gebreke stelt en haar ervan in kennis stelt de overeenkomst zonder nadere berichtgeving als ontbonden te beschouwen als DZM niet binnen vijf dagen na de brief het accupakket levert. Vast staat dat DZM hieraan niet heeft voldaan, zodat de overeenkomst is ontbonden. Dit is gebeurd binnen de verlengde ontbindingstermijn, zodat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. DZM moet daarom het bedrag van € 13.249,50 aan DZM terugbetalen.
4.8.
DZM voert nog aan dat zij het aankoopbedrag wil verrekenen met kosten die zij zou hebben gemaakt. Voor zover DZM hiermee een beroep doet op artikel 6:230s lid 4 BW, geldt het volgende. Dat artikel bepaalt dat bij een ontbinding van een overeenkomst de consument aan de handelaar een bedrag verschuldigd is dat evenredig is aan dat gedeelte van de verbintenis dat door de handelaar is nagekomen op het moment van de ontbinding. Voorwaarde daarvoor is dat de consument de handelaar uitdrukkelijk heeft verzocht om te beginnen met het verrichten van de diensten tijdens de ontbindingstermijn. Daarvan is echter niet gebleken, zodat een beroep hierop niet opgaat. Ook een beroep op de algemene voorwaarden kan DZM niet baten, nu onweersproken is gebleven dat de overeenkomst nooit met enig document schriftelijk is bevestigd aan [eiser] . DZM heeft voorts de algemene voorwaarden, waarvan zij aanvoert dat die van toepassing zijn, niet overgelegd. Het bestaan van algemene voorwaarden noch de stelling dat deze tijdig voor de koop aan [eiser] zijn overhandigd kan niet worden vastgesteld – nog daargelaten dat het de vraag is of de daaruit door DZM geciteerde bedingen niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen).
4.9.
Dat [eiser] heeft ingestemd met een levering en installatie op 25 november 2025 en dat hij op die dag een monteur geen toegang tot zijn woning zou hebben verschaft is op geen enkele manier door DZM onderbouwd en door [eiser] als een aperte onwaarheid weersproken.
4.10.
De conclusie is dan ook dat [eiser] de overeenkomst mocht herroepen en dat hij verder tot niets verplicht is. De vordering van [eiser] om DZM te veroordelen tot terugbetaling van het aankoopbedrag zal dan ook worden toegewezen. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als hierna te melden, aangezien DZM het bedrag niet op tijd – te weten binnen veertien dagen na de dag van ontvangst van de ontbindingsverklaring [4] – heeft terugbetaald en de hoogte ervan niet heeft betwist.
4.11.
Zoals hiervoor is overwogen, is de overeenkomst door [eiser] ontbonden op 4 september 2025. De overeenkomst kan dan ook niet meer door de kantonrechter worden ontbonden. Daarom zal de kantonrechter de gevorderde ontbinding toewijzen bij wijze van verklaring voor recht, zoals hierna vermeld.
4.12.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 907,50 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen als gevorderd.
4.13.
DZM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.887,42
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst door [eiser] is ontbonden op 4 september 2025,
5.2.
veroordeelt DZM om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 13.249,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt DZM om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 907,50 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt DZM in de proceskosten van € 1.887,42, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
5.5.
veroordeelt DZM tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.
57327

Voetnoten

1.Zie artikel 6:230g lid 2 BW.
2.Zie artikel 6:230o BW.
3.Artikel 6:230r BW.
4.Artikel 6:230r lid 1 BW.