ECLI:NL:RBAMS:2026:7438

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13/109177-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontploffingen en voorbereidingshandelingen met geïmproviseerde explosieven

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het medeplegen van een ontploffing en voorbereidingshandelingen voor twee andere ontploffingen met een geïmproviseerd explosief. Verdachte had een Vuurwerk-Brandstof-Combinatie (VBC) en een aansteker voorhanden, bestemd voor het veroorzaken van ontploffingen die levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners veroorzaakten.

De rechtbank verwierp het verweer van vrijwillige terugtred omdat verdachte geen actieve handelingen had verricht om de voorbereidingen ongedaan te maken. Verdachte had de explosieven bewaard en was bereid tot verdere ontploffingen, wat door het dossier werd bevestigd. De ontploffing veroorzaakte aanzienlijke schade en angst bij de bewoners.

De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn jonge leeftijd en proceshouding. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaar, plus een taakstraf van 240 uur. Tevens werd een schadevergoeding van €2.500,- aan de benadeelde partij toegekend.

De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af om te voorkomen dat verdachte zijn schooljaar niet kan afronden. Verder werden voorwerpen zoals de telefoon, aansteker en tas verbeurd verklaard, en vuurwerk en plastic flessen onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 20 maanden voorwaardelijk, en 240 uur taakstraf voor ontploffingen en voorbereidingshandelingen met explosieven.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/109177-26
Parketnummer vordering tul: 09/336651-25
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.J.W.F. Segeren, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1:
het voorhanden hebben van een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieven device op 13 april 2026 in Amsterdam;
Feit 2:
voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing door een geïmproviseerde explosieven device en een aansteker voorhanden te hebben op 13 april 2026 in Amsterdam;
Feit 3:
medeplegen van een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten is in de periode van 28 januari 2026 tot en met 29 januari 2026 in Hoofddorp;
Feit 4:
medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing door een geïmproviseerde explosieven device en een telefoon voorhanden te hebben in de periode van 28 maart 2026 tot en met 6 april 2026 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de vier tenlastegelegde feiten en heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Het eerste feit en het tweede feit kunnen bewezen worden verklaard, omdat verdachte rond 13 april 2026 een geïmproviseerde explosieven device (hierna: explosief) en een aansteker voorhanden heeft gehad met de kennelijke bestemming om een ontploffing teweeg te brengen. Ook de voorbereidingshandelingen onder feit 4 kunnen bewezen worden verklaard, omdat verdachte eerder ook een telefoon en een explosief voorhanden had waarmee hij een ontploffing wilde bewerkstelligen.
Ook het derde feit kan worden bewezen. Daarbij was sprake van medeplegen, omdat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn opdrachtgever. Tevens was er levensgevaar te duchten, gelet op de impact van de ontploffing.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het eerste en het derde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot het tweede en het vierde feit heeft zij bepleit dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
Verdachte heeft via de app Signal contact gehad met de gebruiker van accounts met de namen ‘ [accountnaam] ’ en ‘ [accountnaam] ’. Via deze accounts heeft verdachte opdrachten gekregen, waarvoor hij betaald zou krijgen. Op 28 januari 2026 is aan verdachte opdracht gegeven naar [adres] te gaan om daar een ontploffing teweeg te brengen. Verdachte heeft hierop een explosief in Amsterdam-Noord opgehaald. In de nacht van 28 januari 2026 op 29 januari 2026 heeft een explosie plaatsgevonden aan het adres [adres] . Verdachte was bij deze explosie aanwezig en de explosie is gefilmd met de telefoon van verdachte, waarna de beelden zijn verstuurd naar de opdrachtgever. Op dit videofragment is onder meer te zien dat het explosief bestaat uit twee plastic flessen met daaraan twee stuks vuurwerk, gelijkend op Cobra’s. Uit de aangifte en uit het proces-verbaal van bevindingen ter plaatse blijkt dat de voorzijde en binnenkant van de woning waren beschadigd. Er waren meerdere brandplekken te zien en zwarte vlekken op en rondom de voordeur. Ook was er veel rook in huis.
In de periode van 28 maart 2026 tot en met 6 april 2026 heeft verdachte opnieuw contact gehad met de opdrachtgever. Ditmaal werd aan verdachte gevraagd om op de [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] een ontploffing teweeg te brengen. Verdachte heeft weer een explosief in Amsterdam-Noord opgehaald. Hij is vervolgens met het explosief naar de [adres] gereisd, maar heeft het explosief niet tot ontploffing gebracht.
Vervolgens heeft de opdrachtgever nogmaals aan verdachte gevraagd een ontploffing teweeg te brengen, ditmaal aan de [adres] . Op 13 april 2026 is verdachte naar dit adres gegaan, met het explosief dat hij eerder zou gebruiken voor de opdracht bij de [adres] . Ook hier heeft verdachte geen ontploffing laten plaatsvinden.
In de nacht van 13 april 2026 is verdachte aangehouden. Hij bevond zich toen in een ander deel van Amsterdam. Hij had een aansteker bij zich en in de directe omgeving van verdachte is een tas met daarin een explosief aangetroffen. Verdachte heeft hierover verklaard dat dit hetzelfde explosief betreft als wat hij eerder bij zich had. Uit nader onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat het om een Vuurwerk-Brandstof-Combinatie gaat, die bij ontploffing tot zwaar lichamelijk letsel, dan wel – bij direct lichaamscontact – de dood kon leiden.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen: feit 1
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit. Verdachte bekent dat hij een explosief voorhanden had. Het explosief bestond uit een Vuurwerk-Brandstof-Combinatie, bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van vuur of ontploffing. Daarmee is de explosieve constructie aan te merken als een voorwerp als bedoeld onder artikel 26, lid 1, categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen: feit 2
Verdachte heeft een explosief (een Vuurwerk-Brandstof-Combinatie) voorhanden gehad. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij met dit explosief naar de [adres] is gereisd, met de bedoeling het explosief daar tot ontploffing te brengen. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. Het tenlastegelegde onder feit 2 kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
De rechtbank komt in het navolgende onder rubriek 6 ‘de strafbaarheid van de verdachte’ terug op het verweer met betrekking tot de vrijwillige terugtred.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen: feit 3
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht met een geïmproviseerde explosieven device bij de woning gelegen aan [adres] .
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontploffing levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in het pand aanwezige bewoners veroorzaakt. Daarnaast is daardoor ook gevaar voor goederen veroorzaakt. Het explosief heeft brand in en rond de woning veroorzaakt en uit het proces-verbaal van bevindingen ter plaatse blijkt dat de verbalisanten rook uit het dakraam zagen komen en dat zij op de voordeur en op de gevel meerdere zwarte vlekken zagen. Ook zagen zij dat voorwerpen vlam hadden gevat en dat de binnenkant van de woning, net als de buitenzijde, beschadigd was. Door de brand en rook werd de vluchtroute via de voordeur geblokkeerd. De bewoners zagen zich daarom genoodzaakt naar de zolder toe te gaan. De rechtbank concludeert daarom dat er levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is geweest voor de bewoners van [adres] .
Medeplegen
Verdachte heeft verklaard dat uiteindelijk niet hij, maar een persoon genaamd [naam] de ontploffing teweeg heeft gebracht en heeft gefilmd via zijn telefoon. De rechtbank volgt verdachte hierin niet. De aanwezigheid van ‘ [naam] ’ vindt geen steun in de bewijsmiddelen in het dossier en is overigens ook niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft over [naam] geen nadere informatie kunnen geven, terwijl uit het berichtenverkeer met de opdrachtgever juist blijkt dat verdachte zelf aanspraak maakt op de ‘hap’ (de rechtbank begrijpt: geld), omdat hij de ‘djoen’ (de rechtbank begrijpt: de klus) voor de opdrachtgever gedaan heeft. De rechtbank acht tegen die achtergrond bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit wel samen met een ander heeft begaan, niet met [naam] , maar met zijn opdrachtgever. De opdrachtgever heeft via Signal cruciale informatie aan verdachte verschaft, zoals het ophaaladres van het explosief en het adres waar de ontploffing moest plaatsvinden. Verdachte heeft vervolgens met deze informatie gehandeld door het explosief op te halen en bij de ontploffing op [adres] aanwezig te zijn. Vervolgens zijn beelden met de gevolgen van de explosie met de opdrachtgever gedeeld. Gelet hierop bestond een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de opdrachtgever. Het tenlastegelegde onder feit 3 kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.3.5.
Bewijsoverwegingen: feit 4
Verdachte had ook bij dit feit een explosief voorhanden, terwijl hij wist dat het de bedoeling was daarmee een explosie te veroorzaken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij met het explosief en zijn telefoon naar het adres [adres] is gereisd, met de bedoeling om het explosief daar tot ontploffing te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank was de telefoon ook bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, omdat verdachte via zijn telefoon de opdracht voor de ontploffing heeft ontvangen, net als de locatie waar hij het explosief kon ophalen. Daarnaast heeft verdachte door middel van zijn telefoon het adres waar de ontploffing moest plaatsvinden opgezocht. Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking met de opdrachtgever is de rechtbank van oordeel dat – net als bij feit 3 – ook bij dit feit sprake is van medeplegen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
op 13 april 2026 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieven device (IED), in dit geval een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
Feit 2
op 13 april 2026 te Amsterdam ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen, te weten
- een geïmproviseerde explosieven device (IED), in dit geval een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) en
- een aansteker
bestemd tot het teweegbrengen van een ontploffing, aldus bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
Feit 3
in de periode van 28 januari 2026 tot en met 29 januari 2026 te Hoofddorp tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een geïmproviseerde explosieve constructie (IED), zijnde een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen in het pand gelegen aan [adres] te duchten was en
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van het pand gelegen aan [adres] te duchten was;
Feit 4
in de periode van 28 maart 2026 tot en met 6 april 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen en informatiedragers, te weten
- een telefoon en
- geïmproviseerde explosieve constructie (IED), zijnde een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC), bestemd tot het teweegbrengen van een ontploffing en, aldus bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat ten aanzien van het tweede en vierde feit sprake is van vrijwillige terugtred. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de voorgenomen ontploffingen niet hebben plaatsgevonden, omdat verdachte gewetenswroeging kreeg. Hierom zou verdachte zijn voorbereidingshandelingen hebben gestaakt. Dit zou blijken uit het tijdsverloop, alsmede uit het gegeven dat verdachte is weggegaan en zich van het explosief zou hebben ontdaan.
6.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vrijwillige terugtred, omdat verdachte geen handelingen heeft verricht die zijn voorbereidingen ongedaan hebben gemaakt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn voor de conclusie dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in het geval van voltooide voorbereidingshandelingen is een zodanig actief optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is om het plegen van het voorbereide misdrijf te beletten. Bij de vraag of de verdachte vrijwillig is teruggetreden, komt daarom betekenis toe aan de mate waarin de verdachte zich uit eigen wil heeft ingespannen om actief handelend de voltooide voorbereiding ongedaan te maken.
Verdachte heeft verklaard dat hij na overleg met de opdrachtgever een explosief heeft opgehaald en naar de [adres] is gegaan. Verdachte heeft daar voor de woning gestaan met het explosief, maar heeft geen ontploffing teweeggebracht, omdat hij – zo verklaart althans verdachte – gewetenswroeging kreeg. Hij heeft tegen zijn opdrachtgever gezegd dat hij het adres niet kon vinden, maar dit was volgens hem een smoes. Een week later is verdachte naar een adres in Badhoevedorp gegaan met hetzelfde explosief dat hij voor de [adres] voorhanden had. Vervolgens heeft verdachte ook daar voor de woning gestaan met het explosief en een aansteker, maar is hij opnieuw weggegaan, naar eigen zeggen omdat hij op dat moment wederom gewetenswroeging kreeg. Verdachte heeft verklaard dat deze gewetenswroeging niet te danken was aan externe factoren, maar aan het idee welke gevaren hij voor anderen kon veroorzaken. Ook toen heeft verdachte naar zijn opdrachtgever gestuurd dat hij het adres niet kon vinden. Dat was wederom een smoes, aldus verdachte.
De rechtbank verwerpt het beroep op vrijwillige terugtred. Het dossier bevat geen objectieve gegevens waaruit van een vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr blijkt. De enkele verklaring van verdachte dat hij gewetenswroeging kreeg en daarom smoezen gebruikte, is onvoldoende. De rechtbank ziet geen actieve handelingen van verdachte gericht op het beletten van het teweegbrengen van de twee voorbereide ontploffingen. Zo heeft verdachte zich na de voorbereide ontploffing aan de [adres] (feit 4) niet ontdaan van het explosief, maar deze bewaard en naar eigen zeggen een week later ter voorbereiding op een ontploffing aan de [adres] (feit 2) opnieuw voorhanden gehad. Dit explosief is vervolgens in de directe omgeving van verdachte aangetroffen toen hij werd aangehouden. Onder deze omstandigheden komt ook aan het tijdsverloop na de feiten geen bijzondere betekenis toe. Het tijdsverloop duidt er slechts op dat verdachte na verloop van tijd is weggegaan, niet dat de explosie door andere dan externe omstandigheden niet is doorgegaan. Dit is onvoldoende om een beroep op vrijwillige terugtred aan te nemen. [1]
Nu evenmin andere gronden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, betekent dit dat verdachte strafbaar is.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft daarbij gevorderd dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met de leeftijd van verdachte, waarin zij aanleiding ziet voor toepassing van het adolescentenstrafrecht (ASR), en zijn persoonlijke omstandigheden. Daarnaast heeft zij verzocht de feitelijke omstandigheden van de bewezenverklaarde feiten, waaronder de gewetenswroeging van verdachte, mee te wegen in de strafmaat. De raadsvrouw heeft primair verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest met een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden kunnen worden. Subsidiair heeft zij verzocht om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te laten duren tot het begin van het nieuwe schooljaar, zodat verdachte volgend jaar zijn schooldiploma kan halen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straffen en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van twee andere ontploffingen. Daarbij heeft hij een geïmproviseerd explosief voorhanden gehad. Dat zijn ernstige strafbare feiten.
De ontploffing die verdachte teweeg heeft gebracht bij de woning aan het adres [adres] heeft grote impact gehad op de bewoners. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is op indringende wijze gebleken hoe de bewoners vreesden voor hun leven. Zij ervaren tot op heden nog veel verdriet en angst door hetgeen hen is overkomen en de onzekerheid over het ‘waarom’ daarvan.
Verdachte heeft verklaard het ‘waarom’ ook niet te weten. Hij heeft echter met zijn handelen grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt en er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen en gevoelens. Daarnaast hebben deze feiten hun weerslag op de maatschappij als geheel, doordat (de voorbereidingen van) ontploffingen maatschappelijke onrust veroorzaken.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 30 juni 2026. Uit deze rapportage blijkt - kort gezegd - dat verdachte overkomt als een weloverwogen jongeman die deels bekent en schuldbesef heeft. Verdachte volgt volwassenenonderwijs (HAVO) en heeft als gevolg van zijn aanhouding geen examen kunnen doen. Verdachte vertoont geen kinderlijk gedrag. Daarnaast worden ook huisvesting en een steunend netwerk als positieve factoren gezien. De reclassering merkt echter ook op dat verdachte steeds meer in contact lijkt te komen met een crimineel netwerk en dat hij bij verleiding of bij financieel gewin impulsief kan handelen. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. Alles in acht genomen adviseert de reclassering het volwassenenstrafrecht toe te passen. Daarnaast adviseert de reclassering om, bij een bewezenverklaring, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt als laag ingeschat. Verdachte heeft aangegeven open te staan voor begeleiding en is bereid om mee te werken aan interventies die de reclassering voor ogen staan.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting opgemerkt dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte schrijnender zijn dan verdachte doet laten voorkomen en dat hij een moeilijke thuissituatie heeft. Verdachte heeft ook ter terechtzitting verklaard dat door een lastige thuissituatie de financiële middelen schaars zijn en dat hij mede daardoor de bewezenverklaarde feiten heeft begaan. Uit het dossier is de rechtbank ook van deze lastige situatie gebleken.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar een
first offenderis voor geweldsdelicten. Daarnaast liep verdachte in een proeftijd vanwege een veroordeling van de rechtbank Den Haag op 3 maart 2026. Deze veroordeling dateert van na de pleegperiode van het derde feit, waardoor voor dat feit artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
De op te leggen straffen
Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank enerzijds rekening te houden met de ernst van de feiten en anderzijds oog te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt het advies van de reclassering over om het volwassenenstrafrecht toe te passen, maar ziet in onderhavige zaak wel aanleiding om sterk rekening te houden met de leeftijd van verdachte. Verdachte is nog jong en staat aan het begin van zijn volwassen leven. Daarnaast weegt de rechtbank in positieve zin de proceshouding van verdachte mee. Verdachte heeft van begin af aan openheid van zaken gegeven. Hij heeft bij de voorgeleiding bij de rechter-commissaris een uitgebreide verklaring afgelegd, waarin hij uit eigen beweging ook heeft verklaard over het incident in Hoofddorp, terwijl hij daar op dat moment nog niet van werd verdacht. Verdachte heeft op de zitting berouw getoond en verklaard dat hij bereid is de schade van de slachtoffers te vergoeden. Tevens heeft hij zich bereid getoond zich aan de bijzondere voorwaarden van de reclassering te houden.
De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte zijn eindexamenjaar afrondt en zijn HAVO-diploma haalt. Naar het oordeel van de rechtbank is zowel verdachte als de maatschappij daar het meest bij gebaat, omdat het volgen van onderwijs bijdraagt aan zijn dagelijkse structuur en naar verwachting het risico op recidive op de lange termijn vermindert. Om deze reden en mede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de kans moet worden geboden om na de zomer weer met school te kunnen starten en daarnaast met zichzelf aan de slag te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de geadviseerde bijzondere voorwaarden daar de handvatten voor. De rechtbank zal hieraan wel een zeer aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel verbinden, ook als ‘stok achter de deur’ om verdachte te bewegen niet nogmaals toe te geven aan (financiële) verleidingen en opnieuw de fout in te gaan. Gelet op de ernst van de feiten, acht de rechtbank het bovendien aangewezen dat verdachte een aanzienlijke taakstraf wordt opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 20 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf van 240 uren opleggen, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. 1 STK telefoon (goednummer: 6799932);
2. 1 STK aansteker (goednummer: 6799939);
3. 1 STK Albert Heijn-tas (goednummer: 6799994).
4. 20 STK vuurwerk (goednummer: 6800003);
5. 2 STK plastic flessen (goednummer: 6800000);
6. 1 STK acculader (goednummer: 6799934).
8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van de telefoon, aansteker en Albert Heijn-tas heeft de officier van justitie verbeurdverklaring gevorderd.
Ten aanzien van het vuurwerk en de plastic flessen heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd.
Met betrekking tot de acculader heeft de officier van justitie gesteld dat deze teruggegeven kan worden aan verdachte.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de telefoon terug te geven aan verdachte. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De onder verdachte inbeslaggenomen telefoon, aansteker en Albert Heijn-tas die aan verdachte toebehoren worden verbeurdverklaard, omdat de bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.
Onttrekking aan het verkeer
Het onder verdachte inbeslaggenomen vuurwerk en de twee flessen (waarin kerosine is aangetroffen) dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, dan wel het algemeen belang.
Teruggave aan verdachte
De acculader wordt teruggegeven aan verdachte, aangezien niet is gebleken dat dit voorwerp een rol heeft gehad bij de bewezenverklaarde feiten.

9.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [benadeelde partij] , heeft met betrekking tot het derde feit € 2500,- schadevergoeding gevorderd ter vergoeding van immateriële schade.
9.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente. Zij heeft daarbij gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
9.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft kenbaar gemaakt dat verdachte graag de schadevergoeding wil betalen en heeft zich daarom gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.3.
Oordeel van de rechtbank
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 aanhef Pro en onder b Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete en objectieve gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat van geestelijk letsel sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon evident is. Een nadere concrete onderbouwing hoeft dan niet te worden overgelegd.
Vast staat dat aan de benadeelde partij, [benadeelde partij] , als gevolg van de ontploffing rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending, gezien de door de benadeelde partij naar voren gebrachte omstandigheden zoals genoemd onder 7.3, mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo evident zijn, dat een aantasting in de persoon ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen. Dit betekent dat de benadeelde partij voor vergoeding van zijn immateriële schade in aanmerking komt.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, komt de gevorderde schadevergoeding van € 2.500,- de rechtbank niet onbillijk voor. Daarom zal de rechtbank € 2.500,- aan immateriële schade toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.
9.4.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f Sr opleggen.
De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten 28 januari 2026. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 25 dagen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 46, 47, 57, 63, 157 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 9 juni 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de opgelegde voorwaardelijke twee weken gevangenisstraf van het vonnis van 3 maart 2026 van de politierechter van de rechtbank Den Haag in de zaak met parketnummer 09/336651-25 alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
11.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 09/336651-25.
11.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht de voorwaardelijke gevangenisstraf om zetten naar een taakstraf.
11.3.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal de vordering echter afwijzen, omdat zij tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend acht gelet op de straf die aan verdachte wordt opgelegd, waarbij de rechtbank het van belang heeft geacht dat verdachte na de zomervakantie weer kan starten met school. Toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging zou dit doorkruisen.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
1.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
2.
voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
3.
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
4.
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
20 (twintig) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij de reclassering
- Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
- Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast
van 120 (honderdtwintig) dagen.
Beslag:
Verklaart verbeurd:
  • 1 STK telefoon (goednummer: 6799932);
  • 1 STK aansteker (goednummer: 6799939);
  • 1 STK Albert Heijn-tas (goednummer: 6799994).
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
  • 20 STK vuurwerk (goednummer: 6800003);
  • 2 STK plastic flessen (goednummer: 6800000).
Gelast de teruggave aan verdachte van:
1 STK acculader (goednummer: 6799934).
Vordering benadeelde partij:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toetot een bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro)bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 28 januari 2026, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op
ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staateen bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorwaardelijke veroordeling:
Wijstde vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09/336651-25
af.
Voorlopige hechtenis:
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Bijleveld, voorzitter,
mr. A.R. Vlierhuis en mr. A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.

Voetnoten

1.vgl. HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS6095; HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:232.