ECLI:NL:RBAMS:2026:7439

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13.387241.24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf voor twee steekpartijen en wapenbezit in Amsterdam

Een 30-jarige man zonder vaste woon- of verblijfplaats is door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens twee steekincidenten in Amsterdam-Centrum waarbij hij twee slachtoffers ernstig verwondde. Daarnaast is hij veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen en munitie. De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van verdovende middelen wegens onvoldoende bewijs.

De eerste steekpartij vond plaats op 21 september 2022, waarbij verdachte slachtoffer 1 aanviel, meerdere keren stak en beroofde. Uit camerabeelden, DNA-matches en getuigenverklaringen bleek overtuigend dat verdachte de dader was. De tweede steekpartij vond plaats op 1 december 2024, waarbij verdachte slachtoffer 2 meerdere keren stak tijdens een confrontatie buiten een nachtclub. Verdachte voerde een beroep op noodweer en noodweerexces aan, maar dit werd door de rechtbank verworpen vanwege disproportionaliteit en de aard van het geweld.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de berekenende houding van verdachte, zijn strafblad in het buitenland en een psychiatrisch rapport dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis vaststelde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf jaar op, lager dan de eis van negen jaar, mede vanwege vrijspraak voor het drugsbezit. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van ruim €27.000 schadevergoeding aan de slachtoffers wegens materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en betaling van ruim €27.000 schadevergoeding voor twee pogingen tot doodslag en wapenbezit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.387241.24
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de [naam PI] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 7 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. P.P.J. van der Meij en mr. S. Snelder, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen [naam 1] (van Slachtofferhulp Nederland) namens benadeelde partij [benadeelde partij 1] en mr. R. Rijkhoff, waarnemend voor mr. H.A.F.C. Tack, namens benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
1
poging tot het opzettelijk toebrengen van dodelijk ofwel zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1] op 21 september 2022,
2
afpersing van [benadeelde partij 1] op 21 september 2022,
3
poging tot het opzettelijk toebrengen van dodelijk ofwel zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 2] op 1 december 2024,
4
het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 3 december 2024,
5
het voorhanden hebben van een hoeveelheid MDMA en/of 2-CB op 3 december 2024.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen op basis van de stukken in het dossier. Ten aanzien van feiten 1 en 3 heeft verdachte voorwaardelijk opzet op de dood gehad door meermalen met een mes in het bovenlichaam van de slachtoffers te steken. Ten aanzien van feit 5 blijkt uit het dossier dat verdachte kennis had van de aangetroffen verdovende middelen, onder andere omdat hij de tas waarin de middelen zijn gevonden naar binnen heeft getild. Verdachte bekent ten slotte het onder feit 4 ten laste gelegde wapenbezit.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle feiten behalve het vuurwapenbezit, hetgeen hij heeft bekend.
Ten aanzien van feiten 1 en 2 is niet gebleken dat verdachte de persoon is die het slachtoffer heeft beroofd en neergestoken. De beelden, de herkenning, het tijdsverloop tussen het feit en de beelden, noch het DNA-profiel op de aangetroffen goederen wijzen in betrouwbare zin naar verdachte als de dader. Indien de rechtbank verdachte wel aanmerkt als de dader van deze feiten, is niet gebleken dat verdachte opzet had op het veroorzaken van dodelijk ofwel zwaar lichamelijk letsel.
Ten aanzien van feit 3 is niet gebleken dat verdachte opzet had op het veroorzaken van dodelijk ofwel zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van feit 5 is niet gebleken dat verdachte kennis had van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
De rechtbank gaat hierna in haar oordeel, voor zover nodig, nader in op verdere verweren van de verdediging.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Ten aanzien van feit 5
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 5 is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat de rugtas waarin de verdovende middelen op 3 december 2024 zijn aangetroffen door verdachte op 1 december 2024 het NH Hotel Caransa aan het Rembrandtplein in is gedragen samen met anderen. Het dossier bevat echter onvoldoende informatie om vast te stellen dat verdachte kennis had van de aanwezigheid van de verdovende middelen die zich in deze tas bevonden, die overigens in de hotelkamer is aangetroffen waarin de medeverdachte verbleef.
Ten aanzien van feiten 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte op 21 september 2022 aangever [benadeelde partij 1] heeft beroofd en heeft geprobeerd hem daarbij dodelijk letsel toe te brengen, door meermalen op hem in te steken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Feiten en omstandigheden
Op basis van de aangifte en de camerabeelden van het incident stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
[benadeelde partij 1] liep in de nacht van 20 op 21 september 2022 in het Wallengebied in Amsterdam toen hij door een voor hem onbekende man werd benaderd. [2] De man praatte eerst vriendelijk tegen hem en aangever vroeg hem waar hij een geldautomaat kon vinden. Nadat aangever geld had gepind bleef de man bij hem in de buurt lopen, ook toen aangever niet meer op hem reageerde. Uit de beelden blijkt dat aangever en de man zich in de Prinsenhofssteeg bevinden als de man ineens uithaalt naar aangever. [3] Vervolgens is te zien dat de man een mes uit zijn broeksband haalt. Dit mes zat nog in een foedraal en werd daar door de man uit gehaald. [4] De man rent achter aangever aan richting de Oudezijds Achterburgwal. Eenmaal op de Oudezijds Achterburgwal haalt de man aangever in en maakt hij meermalen een stekende beweging richting aangever. Aangever benoemt gedurende de steekbewegingen te horen dat de man “money” naar hem riep. [5] De rechtbank leidt hieruit af dat de man hem goederen afhandig wilde maken door middel van geweld en bedreiging met geweld. Uit de beschrijving van de beelden volgt dat aangever achteruit wegloopt van de man en de inhoud van zijn binnenzakken vlak voor de man op straat gooit. De man pakt deze goederen op en de aangever rent van hem weg, in de richting van de Agnietenstraat, waar hij even later op straat neer valt. Getuigen verklaren dat de man met het mes een lange donkere jas droeg en de andere kant op rende. [6] Op de beelden is te zien dat de man terwijl hij wegrent een zwaaiende beweging maakt richting de gracht, waarna op die locatie door verbalisanten een mes [7] uit de gracht is gehaald. Aangever verklaart later onder andere een kaarthouder, een bankpas, een toegangspas en een identiteitskaart te zijn verloren gedurende dit incident. [8]
Op een andere set beelden [9] is door de politie beschreven dat is te zien dat de nog onbekende man via de Prinsenhofssteeg weer terug rent richting de Oudezijds Voorburgwal en daar in de buurt van coffeeshop ‘the Green House’ stopt. [10] Eerst lijkt de man een taxi te seinen maar kort daarna loopt hij toch de coffeeshop in. De rechtbank stelt op basis van de specifieke klederdracht (namelijk, de lange donkere jas) en het feit dat de bewegingen van de onbekende man op logische wijze op elkaar aansluiten, zoals ook door de verbalisanten vastgelegd, vast dat de persoon die de coffeeshop betreedt ook de man is die aangever heeft neergestoken. De man neemt plaats, verdwijnt even later uit beeld en komt na ongeveer twee minuten weer terug in beeld. Uit de beelden blijkt dat hij de lange donkere jas dan niet meer aan heeft. [11] De man verlaat hierna de coffeeshop.
Later die dag zijn door de Forensische Opsporing onder andere de volgende goederen in de coffeeshop veiliggesteld en bemonsterd [12] : een lange donkere jas en een foedraal van een mes [13] . Het NFI heeft DNA-onderzoek aan de bemonsteringen van het handvat van het foedraal en de binnenzijde van de mouwen van de jas verricht. [14] Hieruit is gebleken dat de genoemde monsters beide DNA kunnen bevatten van ‘onbekende man A’, [15] met een verwachte bewijskracht van meer dan 1 miljard indien het DNA-profiel overeenkomt met een ander DNA-profiel. [16] Het DNA-profiel is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank. [17] In oktober 2022 is er een match vastgesteld tussen het genoemde profiel en drie DNA-profielen uit Groot-Britannië. [18] In navolging op een rechtshulpverzoek aan Groot-Britannië is door de Britse autoriteiten medegedeeld dat de desbetreffende profielen toebehoren aan een persoon met meerdere aliassen, [19] waaronder [verdachte] . [20]
Kan verdachte aangemerkt worden als de dader?
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijze waarop voornoemd DNA-onderzoek is uitgevoerd onnavolgbaar is en hierom geen bewijskracht heeft. Hoewel het Britse document waaruit volgt dat de drie DNA-profielen (32813383, 99691711 en 99775850) toebehoren aan verdachte een mogelijk ongebruikelijke lay-out heeft, is dit document als antwoord op het rechtshulpverzoek verzonden. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de inhoud van dit document. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank de match van het DNA-spoor (AAOY2708NL#01) met de drie Britse DNA-profielen die aan verdachte worden gelinkt navolgbaar is.
Het DNA-profiel van verdachte bevond zich op het foedraal dat lijkt op het foedraal waar de dader het mes uit heeft gehaald en aan de binnenzijde van de jas die door de dader is gedragen gedurende het steekincident. Verdachte heeft geen en aannemelijke alternatieve verklaring voor het aantreffen van zijn DNA-profiel op deze objecten gegeven. Verdachte heeft verklaard die nacht in Amsterdam te zijn geweest en eerder de desbetreffende coffeeshop te hebben bezocht. Hij kan niet verklaren hoe zijn DNA-profiel matcht met het profiel dat op deze objecten is aangetroffen. De rechtbank acht het onaannemelijk dat een willekeurig bezoek aan de coffeeshop er voor zou zorgen dat er een match is tussen het DNA van verdachte en het DNA dat op het foedraal en (nota bene) aan de binnenzijde van de jas is aangetroffen. Daarbij voert de verdediging aan dat er zich bij het aantreffen van de goederen omstandigheden hebben voorgedaan waardoor een hoog risico op contaminatie is. Dit, noch het feit dat het spoor geen bloed- of speekselspoor betreft, zoals ook door de verdediging aangevoerd, doet niet af aan de zeer hoge bewijskracht van de match tussen de profielen.
Gelet op al het bovengenoemde, in samenhang bezien, kan het naar het oordeel naar de rechtbank niet anders dan dat verdachte de persoon is die aangever heeft beroofd en neergestoken.
Aanmerkelijke kans op de dood ofwel zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier dodelijk of zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Verdachte heeft meerdere keren met een flink mes (dat aan beide kanten snijvlakken had) ingestoken op het bovenlichaam van [benadeelde partij 1] en hem daarbij daadwerkelijk geraakt. Aangever heeft hierdoor vier steekwonden opgelopen, te weten in zijn buik, oksel, boven- en onderarm. [21] De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam kwetsbare en vitale organen en grote slagaders bevinden. De buik is daarbij een beduidend kwetsbaar gebied, omdat de organen daar niet beschermd worden door de ribbenkast. Aangever is na het steken weggerend en verderop in elkaar gestort. [22] De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen een aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard. De verdediging heeft aangevoerd dat het forsere postuur van aangever de kans verlaagt dat vitale organen worden geraakt bij het steken. Hiertoe heeft de verdediging echter geen onderbouwing overgelegd. De rechtbank gaat hier dan ook niet in mee. Ook dat de daadwerkelijke verwondingen relatief ondiep zijn gebleken doet niet af aan de aanmerkelijke kans dat de dood kon intreden.
Het onder feit 1 (impliciet primair) en feit 2 tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen. Bij deze feiten is sprake van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde feiten hebben betrekking op hetzelfde geweldsincident.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank is van oordeel dat ook bewezen kan worden dat verdachte op 1 december 2024 heeft gepoogd aangever [benadeelde partij 2] dodelijk letsel toe te brengen door meermalen op hem in te steken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Feiten en omstandigheden
Op basis van de beschrijving van de camerabeelden van het incident [23] stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en aangever [benadeelde partij 2] treffen elkaar buiten nachtclub John Doe aan het Rembrandtplein in de vroege ochtend van 1 december 2024. Daar vindt een interactie plaats tussen verdachte en de (groep van) aangever. Op de beelden is zichtbaar dat verdachte en aangever met enige emotie communiceren. [24] Aangever wordt meermalen tegengehouden door de personen waar hij mee is. [25] Op een gegeven moment loopt verdachte weg in de richting van de Paardenstraat, waarna aangever hem volgt. In eerste instantie lopen verdachte en aangever parallel aan elkaar aan weerszijden van de straat. Verdachte loopt met zijn rechterhand in zijn rechterjaszak. [26] Vervolgens doet aangever zijn jas uit en rent hij de straat over richting verdachte. Verdachte haalt met zijn rechterarm uit richting aangever. [27] Hierna vindt er een worsteling plaats tussen aangever en verdachte. Aangever geeft verdachte een schop en komt daardoor ten val. Verdachte maakt viermaal een stekende beweging richting het lichaam van aangever, die op dat moment op de grond ligt. [28] Verdachte rent weg en aangever volgt hem en poogt hem nogmaals te schoppen.
Verdachte wordt een aantal dagen later aangehouden naar aanleiding van de onder feit 4 en 5 ten laste gelegde gebeurtenissen. Hij verklaart uiteindelijk in januari 2026 dat hij betrokken is geweest bij voornoemd geweldsincident, welke betrokkenheid hij ter terechtzitting heeft bevestigd. [29] Verdachte bekent ter terechtzitting ook dat hij aangever gedurende de worsteling heeft gestoken met een mes, maar zegt dat dit uit zelfverdediging was. [30]
Aanmerkelijke kans op de dood ofwel zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier dodelijk of zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Verdachte heeft meerdere keren met een mes ingestoken op het bovenlichaam, bovenbeen en de rug van [benadeelde partij 2] en heeft hem daarbij daadwerkelijk geraakt. Aangever heeft hierdoor meerdere steekwonden opgelopen, onder andere in zijn borstkas en zijn bovenbeen. Aangever had een klaplong en bloed in zijn borstkas als gevolg van de steekwonden. Hij heeft dan ook na het incident ruim een week in het ziekenhuis doorgebracht. Er was onder andere een long-drainage vereist. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam kwetsbare en vitale organen en slagaders bevinden. Het dijbeen is eveneens een bijzonder kwetsbaar lichaamsdeel gelet op de grote slagaders aldaar. Als deze organen of slagaders geraakt worden is in de regel sprake van een levensbedreigende situatie die tot de dood van het slachtoffer kan leiden. Dat is in onderhavige zaak, gelet op het toegebrachte letsel, zonder meer het geval.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen de aanmerkelijke kans op de dood in het leven heeft geroepen en deze kans bewust heeft aanvaard. Het is niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer niet daadwerkelijk is overleden.
Het onder feit 3 tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 4
Het ten laste gelegde wapen- en munitiebezit kan worden bewezen, gelet op de hierna genoemde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.
1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024288901-15 van 3 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] Son, digitale pagina’s 81 tot en met 84 van het bestand “Procesdossier”.
2. Een proces-verbaal van onderzoek met nummer 2024289209 van 26 november 2024de rechtbank begrijpt dat het hier om een kennelijke verschrijving gaat gelet op de datum waarop verdachte is aangehouden)
, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] , digitale pagina’s 144 tot en met 147 van het bestand “Procesdossier”.
3. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de openbare terechtzitting van 7 juli 2026.
Omdat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft bekend en de raadslieden hiervoor geen vrijspraak hebben bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met voornoemde opgave van de bewijsmiddelen.

5.Het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
op 21 september 2022 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de linker bovenarm en onderarm en oksel en in de buik van die [benadeelde partij 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
2
op 21 september 2022 te Amsterdam op de openbare weg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van bank- en toegangspassen en een identiteitskaart op naam van [benadeelde partij 1] en een kaarthouder en een telefoon (iPhone 11) toebehorende aan die [benadeelde partij 1] , door die [benadeelde partij 1] met een mes in de linker bovenarm en onderarm en oksel en in de buik te steken,
3
op 1 december 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de rug en in de borst van die [benadeelde partij 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
4
op 3 december 2024 te Amsterdam
- een vuurwapen van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, merk Springfield Armory, type XS mod. 2, kaliber 9x19mm, en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten ongeveer 17 kogelpatronen van het merk Sarsilmaz, kaliber 9x19mm,
voorhanden heeft gehad.

6.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

6.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 3 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.
Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Verdachte heeft zich verweerd met een mes, omdat dit het eerste was wat hij tot zijn beschikking had. Een dergelijke reactie is niet disproportioneel gezien de omstandigheden van dit geval. Indien de rechtbank deze reactie wel disproportioneel acht, is deze het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging, voortkomend uit voornoemde aanranding. Daarbij is relevant dat andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding kunnen bijdragen aan die hevige gemoedsbeweging. Verdachte heeft veel traumatische ervaringen gehad en ervaart als gevolg daarvan overmatige alertheid. Hij reageerde uit paniek op de handelingen van aangever. Gelet op de persoon van verdachte is de reactie van verdachte niet dermate disproportioneel dat hij zijn recht op noodweerexces heeft verspeeld.
6.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer of noodweerexces toekomt. Hoewel sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is de reactie van verdachte niet te rechtvaardigen. Verdachte pakte een mes en maakte direct stekende bewegingen. Vervolgens lag aangever op de grond en stak verdachte meermalen op hem in. Hiermee is een beroep op noodweer niet aan de orde en geen sprake van noodweerexces aangezien geen sprake was van een verdediging die daarna is doorgeslagen. Verdachte begon namelijk direct met steken toen aangever op hem afkwam.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
De rechtbank gaat uit van de in rubriek 4.3. genoemde feiten en omstandigheden. Daarbij is met name het volgende van belang.
De aangever heeft volgens het dossier de confrontatie met verdachte opgezocht. Hij rende op verdachte af, terwijl verdachte probeerde weg te lopen van de oorspronkelijke confrontatie. Verdachte maakte eerst een afwerende beweging met zijn mes. Aangever schopte vervolgens verdachte en kwam daarbij zelf ten val, waarna verdachte meermalen op hem insteekt.
De rechtbank is – met de verdediging en de officier van justitie – gelet op het voorgaande van oordeel dat er op het moment dat aangever op verdachte afrende en hem schopte sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Voor een succesvol beroep op noodweer is evenwel vereist dat de verdediging proportioneel was. Dit is niet aannemelijk geworden op grond van het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting.
De afwerende beweging die verdachte met zijn mes in eerste instantie maakte is op zich niet direct disproportioneel. Aangever viel vervolgens echter op de grond, waarna verdachte meermalen op aangever instak. De rechtbank is van oordeel dat de toen gekozen gedragingen van verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding, die op het moment dat aangever ongewapend op de grond viel feitelijk was geëindigd.
Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Noodweerexces
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot eigen verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Ook is aannemelijk dat bij de verdachte sprake was van een gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Echter, de rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging niet het onmiddellijk gevolg is geweest van die gemoedsbeweging, nu niet aannemelijk is geworden dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedragingen van de verdachte.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een “dergelijk onmiddellijk gevolg” sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden en ook aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 27 mei 2008, LJN BC6794, NJ 2008/510).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft bij de aard en intensiteit van de gemoedsbeweging ook een rol gespeeld dat verdachte een persoon is die vaker met geweld in aanraking is gekomen. Verdachte komt al vele jaren in contact met justitie in verschillende landen, onder andere voor geweldsfeiten en verboden wapenbezit. Hij liep op de onderhavige dag bewapend rond. Dit deed verdachte vaker, onder andere gezien hetgeen in rubriek 4.3. is overwogen ten aanzien van zijn bezit van een geladen vuurwapen en het andere bewezen feit waarbij verdachte aangever [benadeelde partij 1] heeft gestoken met een mes dat hij bij zich had. Dit betekent dat verdachte vaker in gewelddadige situaties terechtkomt, bekend is met emoties die ontstaan in gewelddadige situaties en ervoor kiest om wapens in te zetten in dergelijke situaties. De persoon van verdachte maakt dat aannemelijk is dat de intensiteit van de gemoedsbeweging als gevolg van een aanranding minder groot is dan bij iemand die zich niet (vaak) in gewelddadige situaties bevindt.
De rechtbank is op basis van voornoemde omstandigheden van oordeel dat verdachte kennelijk een man is die geweld niet schuwt en goed weet hoe hij zich daarin moet bewegen. Hij verkoos zich te verdedigen tegen de onbewapende aangever door naar een mes te grijpen en hem meermalen te steken terwijl aangever al op de grond lag. Die reactie en het buitenproportionele geweld jegens aangever zijn hoofdzakelijk te wijten aan de tendens tot geweld bij verdachte, terwijl de grenzen van de noodzakelijke verdediging in grote mate zijn geschonden. Dat maakt dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen beroep toekomt op noodweerexces. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Er is met het voornoemde ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de samenloop tussen feiten 1 en 2, en de omstandigheden van feit 3 waarin aangever de aanstichter was van het geweld. Subsidiair is ten aanzien van de feiten 1 en 3 het uiteindelijk ontstane letsel relevant volgens de OM-richtlijnen, hetgeen relatief licht is gebleven.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] (en een afpersing met geweld waarbij sprake is van samenloop) en een poging tot doodslag van [benadeelde partij 2] .
Verdachte heeft [benadeelde partij 1] op straat aangevallen met een mes en hem beroofd. Verdachte heeft oorspronkelijk op vriendelijke toon contact gezocht waarna hij aangever is blijven volgen. Vervolgens heeft verdachte hem uit het niets aangevallen. Hij heeft [benadeelde partij 1] daarbij geslagen en meermalen gestoken. Gedurende het geweld heeft hij tegen aangever gezegd dat hij zijn geld moest overhandigen. Na het feit heeft verdachte doelbewust zijn kleding veranderd om de opsporing te belemmeren, waarmee hij heel berekenend te werk is gegaan. Het ging verdachte enkel en alleen om het behalen van winst. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de argeloosheid van aangever [benadeelde partij 1] en geen respect getoond voor zijn lichamelijke integriteit noch zijn eigendommen. Aangever was kwetsbaar; een toerist in een vreemde stad en onder invloed van alcohol. Verdachte heeft daar op grove wijze misbruik van gemaakt. Uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij blijkt ook dat [benadeelde partij 1] hier langdurig nadelige gevolgen van ondervindt, waaronder complexe PTSS-klachten. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen angst- en onveiligheidsgevoelens teweeggebracht bij aangever maar ook bijgedragen aan het onveiligheidsgevoel in de maatschappij. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan.
Verdachte heeft daarnaast [benadeelde partij 2] meermalen gestoken met een mes. De rechtbank houdt weliswaar rekening met het feit dat aangever de confrontatie heeft opgezocht, maar verdachte heeft sterk disproportioneel gereageerd op de aanval van aangever door hem viermaal te steken met het mes dat hij bij zich had. Aangever had als gevolg van de steekwonden onder andere een klaplong en bloed in zijn borstkas. Zonder het vlugge medisch ingrijpen van hulpverleners was het veel slechter met aangever afgelopen. Dit feit heeft zich gedurende de nachtelijke uren afgespeeld buiten een uitgaansgelegenheid op de openbare weg. Hiermee heeft verdachte (wederom) niet alleen de aangever een gevoel van onveiligheid toegebracht maar ook de omstanders. Dergelijk zinloos uitgaansgeweld veroorzaakt ook een algemeen gevoel van onveiligheid binnen de samenleving. Daarbij heeft verdachte ter terechtzitting erkend dat hij zijn haar na dit incident heeft afgeschoren om te vermijden dat de politie hem makkelijk zou opsporen, in verband met zijn internationale signalering. Verdachte is hier wederom berekenend te werk gegaan.
Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wapenbezit. Hiermee heeft verdachte ook bijgedragen aan onveiligheid en gevoelens van angst in de maatschappij. Wapenbezit leidt immers meer dan eens tot wapengebruik, waarbij (dodelijke) slachtoffers kunnen vallen.
De ernst van de feiten rechtvaardigt daarom een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 januari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder in contact is gekomen met justitie in Nederland.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte uit Noorwegen en Groot-Brittannië. Verdachte is daar eerder veroordeeld wegens (onder andere) een geweldsfeit, wapenbezit en drugsgerelateerde feiten en heeft daarvoor forse gevangenisstraffen opgelegd gekregen.
Het is de rechtbank bekend dat de overlevering van verdachte aan Noorwegen op 11 maart 2025 is toegestaan voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 662 dagen voor feiten betreffende
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. [31]
De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia-rapport van 5 juni 2026, opgesteld door A. Wulterkens (psychiater) en Th.J.M. Zuijdwijk (psycholoog), naar aanleiding van een observatieperiode bij het Pieter Baan-Centrum. Verdachte is afkomstig uit Groot-Brittannië. Hij is daar op dertienjarige leeftijd van school gestuurd vanwege gedragsproblematiek. Zijn familie is kort hierna zonder hem ergens anders gaan wonen, waarna hij op straat zwierf en af en toe in pleeggezinnen verbleef. Hij kreeg op zijn vijftiende zijn eerste gevangenisstraf opgelegd. Hierna volgden veroordelingen voor strafbare feiten in Australië, Groot-Brittannië en Noorwegen. Zijn familie weigerde mee te werken aan het milieuonderzoek. Verdachte was aan het begin van de observatieperiode in het Pieter Baan-Centrum rustig, maar droeg uiteindelijk in grote mate bij aan een negatieve sfeer op de afdeling. Hij gedroeg zich dwingend en verbaal agressief tegen groepsgenoten en heeft meerdere conflicten gehad met de groepsleiding. De groepsleiding benoemt dat hij vaak grenzen opzocht op de groep en meermalen zijn stem verhief tegen anderen. De deskundigen merken op dat verdachte hoog scoort op de PCL-R (de psychopathie-checklist). De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Voortvloeiend uit deze stoornis is bij verdachte sprake van een gestoorde agressie- en impulsregulatie. Ook is sprake van een gebrek aan zelfinzicht en zelfcontrole. Zij kunnen gedragskundig niet onderbouwen hoe deze stoornis van invloed is geweest op de feiten. Hierdoor kunnen zij ook geen advies geven over de mate van toerekening en geen inschatting van het recidiverisico maken of een behandelplan voorstellen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 18 juni 2026, opgesteld door [opsporingsambtenaar 2] der Heide van het Leger des Heils Reclassering. Dit rapport is opgesteld op basis van bovengenoemd rapport van het Pieter Baan-Centrum en de justitiële documentatie van verdachte, zonder contact met verdachte op te nemen. Hierin wordt vermeld dat bij verdachte sprake is van verschillende criminogene factoren, waaronder voornoemde antisociale persoonlijkheidsstoornis en instabiliteit op meerdere leefgebieden. Het ontbreekt hem volledig aan beschermende factoren. Daarbij benoemen zij – met name op basis van zijn justitiële documentatie – dat het risico op ernstig en impulsief geweld nadrukkelijk aanwezig blijft. Ten slotte noemen zij dat een gedragsverandering binnen een reclasseringstoezicht of ambulante behandeling niet realistisch is, onder andere omdat verdachte in Noorwegen een lange openstaande gevangenisstraf heeft.
Hoewel niet gevorderd door de officier van justitie heeft de rechtbank zich ambtshalve afgevraagd of oplegging van een TBS-maatregel passend zou zijn, maar zij is van oordeel dat gelet op vorenstaande beperkingen van het onderzoek door het PBC, de nog te ondergane straf in Noorwegen en de wens van verdachte om daarna terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk, oplegging van een maatregel in Nederland niet opportuun is.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en afspraken van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Hierbij wordt ook rekening gehouden met voornoemde vrijspraak voor feit 5, welk feit de officier van justitie wel bij haar eis heeft betrokken.
De rechtbank acht een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden en zal verdachte daartoe veroordelen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.Beslag

8.1.
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht alle inbeslaggenomen goederen te onttrekken aan het verkeer. Er hoeft geen beslissing te worden genomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geld aangezien hier conservatoir beslag op ligt.
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
8.2.
Het oordeel van de rechtbank
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een patroon, een pistool, een vals rijbewijs en een mes, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en/of deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank is van oordeel dat wel beslist dient te worden op het strafrechtelijk inbeslaggenomen geldbedrag. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het inbeslaggenomen geld, te weten een geldbedrag van € 1.520,-, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Op dit bedrag rust nog wel conservatoir beslag.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
De vordering van [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 260,- aan vergoeding van materiële schade en € 22.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering ter zake van het contante geld gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vordering is verder geheel toewijsbaar.
9.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële posten onvoldoende zijn onderbouwd en hiermee niet voor toewijzing vatbaar zijn dan wel gematigd dienen te worden. Uit het dossier is niet gebleken dat de telefoon van aangever door verdachte is gestolen gedurende het incident. Daarbij wordt in de vordering ter vergelijking verwezen naar een tweedehands iPhone die op het internet te koop staat, hetgeen moeilijk te vergelijken is met de verloren telefoon. Ten aanzien van het contante geld blijkt uit het dossier ook niet hoeveel is weggenomen.
De gevorderde immateriële schade is te hoog vergeleken met de Rotterdamse Schaal. Deze vergoeding dient te worden gematigd tot een bedrag van € 2.750,-.
9.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feiten 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De benadeelde partij heeft gesteld € 150,- te hebben gepind en € 100,- aan contant geld te zijn verloren gedurende het bewezenverklaarde. Uit het dossier blijkt echter dat twee briefjes van € 50,- zijn teruggevonden. De rechtbank zal deze post dan ook toewijzen tot een bedrag van € 50,-.
De rechtbank stelt vast dat in de aangifte wordt vermeld dat aangever zijn iPhone is verloren gedurende dit incident. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Aangever heeft dan ook rechtstreekse schade geleden door het handelen van verdachte en heeft hierdoor recht op een schadevergoeding. Een iPhone 11 is in 2018 voor het eerst op de markt gebracht en kostte destijds nieuw minimaal € 800,-. Op basis daarvan was de dagwaarde van de telefoon ten tijde van het bewezenverklaarde – rekening houdend met afschrijving – hoger dan de gevorderde € 129,-. De rechtbank zal deze post dan ook toewijzen.
Daarnaast zal de rechtbank de post die ziet op de daggeldvergoeding voor het ziekenhuis toewijzen, nu deze voldoende is onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 210,- (tweehonderdtien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Immateriële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feiten 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat aantasting in de persoon in de vorm van psychisch letsel door het bewezenverklaarde voldoende is onderbouwd.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij aansluiting zoekt bij hetgeen genoemd wordt in de Rotterdamse Schaal. De rechtbank let bij haar begroting op de Rotterdamse Schaal en de smartengeldgids, waarin de relevante bedragen grotendeels overeenkomen. De benadeelde partij is volgens de onderbouwing van de vordering gediagnostiseerd met een Post Traumatische Stress Stoornis (hierna: PTSS). Hij ondervindt hiervan chronische klachten en zal in de nabije toekomst aanzienlijke beperkingen behouden (zie hoofdstuk 14.2, cat. b van de Rotterdamse schaal). Hier dient uitgegaan te worden van een bandbreedte van € 16.000,- tot € 41.000,-. De rechtbank acht een bedrag onderaan die bandbreedte billijk voor de omstandigheden zoals die in de vordering zijn omschreven, en gaat uit van € 18.000,-.
Daarnaast heeft hij meerdere littekens op zijn arm, buik en in zijn oksel (zie hoofdstuk 10, cat. b, idem). Hier dient uitgegaan te worden van een bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,-. Een aantal van zijn littekens zijn goed zichtbaar, met name die op zijn arm, en een aantal niet. Hij heeft tevens last van een aanhoudende pijn in zijn arm, hetgeen mogelijk door een beknelde zenuw komt naar aanleiding van het bewezenverklaarde. De rechtbank acht wederom een bedrag onderaan de bandbreedte billijk en gaat uit van een bedrag van € 8.000,-. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro’ (zie rechtspraak.nl). Hierin wordt overwogen dat bij meervoudig letsel het zwaarste letsel volledig meeweegt en het in ernst tweede letsel voor 50% meegewogen dient te worden. Nu de nadruk ligt op het geestelijk letsel zal het fysieke letsel voor 50% worden meegerekend, zoals ook in de vordering vermeld. Hier wordt uitgegaan van een bedrag van € 8.000,-, waarvan dus € 4.000,- wordt opgeteld bij het totale bedrag.
Gelet op het voorgaande begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 22.000,- (tweeëntwintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen aangezien verdachte, jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 22.210,- (tweeëntwintigduizend tweehonderdtien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
9.2.
De vordering van [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 19.878,05 aan vergoeding van materiële schade en € 15.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering dat ziet op de gederfde inkomsten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden aangezien dit onvoldoende is onderbouwd. De medische kosten zijn voor toewijzing vatbaar. Het deel van de vordering dat ziet op immateriële schadevergoeding is goed onderbouwd en ook voor toewijzing vatbaar.
9.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Om een volledig debat te voeren over de eigen schuld van aangever zou nader onderzoek nodig zijn, hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Subsidiair zijn de materiële posten onvoldoende onderbouwd en dient de gevorderde immateriële vergoeding gematigd te worden gelet op de Rotterdamse Schaal.
9.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
Hoewel aangever de confrontatie met verdachte opzocht is het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de schadevergoedingsplicht van verdachte in verband met deze zeer beperkte mate van eigen schuld te verminderen, nu de schade van aangever is veroorzaakt door het disproportionele en daarmee strafbare handelen van verdachte.
Materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het materiële deel van zijn vordering. De mate van arbeidsongeschiktheid van aangever en het causaal verband met het bewezenverklaarde is niet onderbouwd. Ook is onduidelijk of hij medisch verzekerd was in Nederland ten tijde van het feit en welke behandelingen voor zijn herstel noodzakelijk waren. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 onder Pro b BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.
De benadeelde partij heeft aansluiting gezocht bij hetgeen genoemd wordt in de Rotterdamse Schaal. De rechtbank let bij haar begroting op de Rotterdamse Schaal en de smartengeldgids, waarin de relevante bedragen grotendeels overeenkomen. De aangever heeft ten gevolge van het bewezen verklaarde steekincident een klaplong gehad, waarbij hij bloed in zijn borstkas had (zie hoofdstuk 4, cat. f van de Rotterdamse schaal). Hierbij dient uitgegaan te worden van een bandbreedte van € 2.675,- tot € 3.500,-. Hij heeft ook meerdere littekens op zijn rug, borst en bovenbeen (zie hoofdstuk 10, cat. b, idem). Hierbij dient uitgegaan te worden van een bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,-. De rechtbank acht een bedrag tussen deze twee bandbreedtes billijk en gaat uit van € 5.000,-.
Aangever stelt onder verwijzing naar een verklaring van een psycholoog ook psychische klachten te hebben, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waaruit deze klachten bestaan en of deze het gevolg zijn van het bewezenverklaarde.
Gelet op het voorgaande begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 5.000,- (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat het debat over de eventuele psychische klachten van aangever niet volledig heeft kunnen plaatsvinden op basis van de beschikbare stukken. Aanhouding van de procedure ten einde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering op dit punt nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen aangezien verdachte, jegens het slachtoffer [benadeelde partij 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 5 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
1. en 2

eendaadse samenloop van:

poging tot doodslag
en
afpersing
3
poging tot doodslag
4
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
vijf (5) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 1 DV Patroon (G6589701),
  • 1 STK Pistool (G6589699),
  • 1 STK Rijbewijs (G6589911),
  • 1 STK Mes (G6589707).
Gelast de teruggave aan veroordeelde van:
1.520 EUR Geld Euro (G6589705).
Vordering van [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 210,- (tweehonderdtien euro) aan vergoeding van materiële schade en € 22.000,- (tweeëntwintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 september 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 22.210,- (tweeëntwintigduizend tweehonderdtien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 132 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering van [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 5.000,- (vijfduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaken ten grondslag liggende dossiers bevinden, volgens de in die dossiers toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte van 21 september 2022 met nummer PL1300-2022199329-15, digitale pagina’s 14 tot en met 16 in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
3.Proces-verbaal van bevindingen van 9 november 2022 met nummer PL1300-2022199329-27, digitale pagina’s 53 tot en met 62 (inclusief bijlagen) in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] (met nummer PL1300-2022199329-7) en proces-verbaal van verhoor getuige C.D. Williams van 21 september 2022 (met nummer PL1300-2022199329-10), respectievelijk digitale pagina’s 38 en 42 in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
7.Proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2022 met nummer PL1300-2022199329-19, digitale pagina’s 36 en 37 (inclusief fotobijlage) in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
9.Een geschrift, namelijk een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2022 met nummer PL1300-2022199329-18, digitale pagina’s 34 en 35 in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
12.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van 28 september 2022 met nummer PL1300-2022199329-20, digitale pagina’s 86 tot en met 92 (inclusief fotobijlagen) in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
14.Een geschrift, te weten een NFI-rapport: ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident in Amsterdam op 21 september 2022’ van 26 september 2022, opgemaakt door dr. J. Wagenaar (NFI-deskundige forensisch onderzoek), digitale pagina’s 102 tot en met 105 in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
18.Een geschrift, namelijk een brief van het NFI: ‘Match met buitenlands DNA-profiel’ van 20 oktober 2022, opgesteld door Kim Mutsaers (medewerker Nederlandse DNA-databank voor Strafzaken), digitale pagina 106 in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
19.Een geschrift, namelijk een Police National Computer Record van 18 mei 2023, opgesteld door [naam 2] (politieagent in Groot-Britannië), digitale pagina’s 114 tot en met 127 in “Dossier zaak 2022 [verdachte] ”.
21.Een geschrift, namelijk een aanvraagformulier medische informatie van 26 september 2022, opgesteld door W. ten Berger (arts AMC), digitale pagina 21 onder het kopje ‘
23.Een proces-verbaal van bevindingen van 10 december 2024 met nummer 2024286797, digitale pagina’s 43 tot en met 53 in “nazending raadkamer”.
29.De verklaring van verdachte, afgelegd op de openbare terechtzitting van 7 juli 2026.