ECLI:NL:RBAMS:2026:7440

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13-332195-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 56 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling en mishandeling moeder met voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 6 december 2025 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en mishandeling van zijn moeder. Hij kneep haar neus en keel dicht, drukte een kussen op haar gezicht en trok een deken over haar hoofd, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Daarnaast sloeg hij haar met kracht, wat leidde tot diverse verwondingen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet). De mishandeling en poging tot zware mishandeling werden als voortgezette handelingen beschouwd. Verdachte werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en reclasseringstoezicht.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de relatie tussen verdachte en zijn moeder. Ook werd het Pro Justitia rapport meegewogen, waarin sprake was van verslavingsproblematiek, psychische stoornissen en een hoog recidiverisico. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/332195-25
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd te: [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.N. Voogd naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de deskundige, mevrouw [persoon 1] (reclasseringsmedewerkster), naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 6 december 2025 telkens in [plaats 1] heeft schuldig gemaakt aan
primair
poging tot zware mishandeling van zijn moeder [slachtoffer] , door haar neus en keel dicht te knijpen, een kussen in haar gezicht te duwen en een deken over haar hoofd heen te trekken;
subsidiair:
mishandeling van zijn moeder [slachtoffer] , door haar neus en keel dicht te knijpen, een kussen in haar gezicht te duwen en een deken over haar hoofd heen te trekken;
mishandeling van zijn moeder [slachtoffer] door haar te slaan/stompen (tegen haar oren).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde onder feit 1 en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. De officier van justitie heeft – kort gezegd – aangevoerd dat een poging zware mishandeling bewezen kan worden, omdat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] heeft aanvaard door zijn moeder haar adem te ontnemen.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde onder feit 2, omdat volgens hem het slaan of stompen tegen de oren op basis van het dossier niet bewezen kan worden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde onder feit 1. De verdediging heeft betwist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij zijn moeder. Hij handelde immers vanuit een acute emotionele ontregeling. Hierbij verwijst de verdediging naar de bevindingen van de Pro Justitia rapporteurs. Er was geen sprake van de bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het subsidiair onder feit 1 en het onder feit 2 tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Feit 1: poging tot zware mishandeling
De rechtbank gaat voor wat betreft de door verdachte verrichtte handelingen uit van wat aangeefster hierover heeft verklaard. Haar verklaringen zijn gedetailleerd, consistent en vinden steun in ander objectief bewijs, zoals de letselverklaring en de verklaring van de politie ter plaatse. De rechtbank stelt daardoor op basis van het procesdossier het volgende vast.
Op 6 december 2025 is er een conflict ontstaan tussen verdachte en aangeefster. Verdachte is hierbij naar aangeefster gegaan die zich in de slaapkamer bevond. Vervolgens heeft een worsteling op bed plaatsgevonden, waarbij verdachte de keel en neus van zijn moeder heeft dichtgeknepen, een kussen op haar gezicht heeft geduwd en een deken over haar hoofd heeft getrokken. Ook heeft verdachte zijn moeder op haar buik gedraaid en haar in een wurggreep rondom haar keel vastgegrepen, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Verder heeft verdachte zijn moeder geslagen. Aangeefster verklaart dat zij veel pijn heeft ervaren en dat zij dacht dat zij zou overlijden. Daarbij was het knijpen in haar keel zo hard, dat zij haar urine heeft laten lopen. Uit de letselverklaring volgen verschillende verwondingen bij aangeefster haar hoofd, hals, rug en billen en bovendien hebben de ter plaatse gekomen verbalisanten waargenomen dat aangeefster opgedroogd bloed rondom haar lippen had en bij beide ogen een bloeduitstorting had.
(Voorwaardelijk) opzet
Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat er sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dit letsel heeft gehad. De rechtbank overweegt dat niet vast is komen te staan dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij zijn moeder. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of kan worden vastgesteld dat hij bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij zijn moeder heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet).
Aanmerkelijke kans
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Verdachte moet daarnaast de wetenschap hebben gehad van deze aanmerkelijke kans en die bewust hebben aanvaard.
Op basis van de aangifte, letselverklaring en de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse acht de rechtbank bewezen dat verdachte verschillende geweldshandelingen ten aanzien van aangeefster heeft verricht. Verdachte heeft samendrukkend geweld toegepast op kwetsbare lichaamsdelen, waaronder de keel van aangeefster. Uit de letselverklaring blijkt dat twee dagen na het incident op de hals van aangeefster nog verkleuringen waarneembaar waren. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat het niet anders kan dan dat het knijpen van zodanige duur en druk is geweest dat verdachte aangeefster hard gewurgd heeft. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hard dichtknijpen van de keel en neus van enige duur kan leiden tot zuurstofgebrek, waardoor bijvoorbeeld hersenletsel kan ontstaan. Naar algemene ervaringsregels is deze kans ook aanmerkelijk te achten. Met het handelen van verdachte bestond dan ook de aanmerkelijke kans dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Bewuste aanvaarding
De rechtbank overweegt tevens dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft geweld toegepast op zijn 66-jarige moeder, terwijl hij wist dat zij – zo heeft hij zelf verklaard – kwetsbaar was. Hij heeft meerdere keren vitale lichaamsdelen dichtgedrukt of dichtgeknepen, door middel van een kussen, deken en een wurggreep, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te zijn gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
Al met al heeft verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij zijn moeder aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
4.3.2
Feit 2: mishandeling
De rechtbank overweegt anders dan de officier van justitie dat de mishandeling onder feit 2 ook bewezen kan worden. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft geslagen. Zij weet niet meer precies hoe, maar wel dat het heel erg pijn deed. Uit de letselverklaring en de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse volgt dat aangeefster meerdere bloeduitstortingen in haar gezicht had. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat aangeefster dit letsel heeft opgelopen door het slaan van verdachte in haar gezicht. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte aangeefster met kracht heeft geslagen en komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 2. Dat verdachte aangeefster specifiek tegen de oren heeft geslagen, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen. Verdachte wordt daarom van dit gedeelte partieel vrijgesproken.
4.3.3
Voortgezette handeling
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot het onder feit 1 primair tenlastegelegde en feit 2 sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De twee bewezenverklaarde feiten vloeien voort uit één ongeoorloofd wilsbesluit om [slachtoffer] te mishandelen en de feiten volgen elkaar kort in tijd op. De gedragingen hangen zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet uiteenloopt.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
op 6 december 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht
- de neus van voornoemde [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en
- ( middels een wurggreep) de keel en hals van voornoemde [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en
- een kussen in het gezicht van voornoemde [slachtoffer] heeft gedrukt en een deken om het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft getrokken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2:
op 6 december 2025 te [plaats 1] [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] met kracht te slaan, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Hij heeft daarbij gevorderd dat de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd en dat deze dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de verdediging verzocht een deels voorwaardelijke straf op te leggen waaraan de bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals door de reclassering geadviseerd. In het kader van de strafmaat heeft de verdediging verzocht het advies van de deskundigen te volgen dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was. Ook is verzocht de complexe gezinssituatie tussen moeder en verdachte te verdisconteren in de straf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en mishandeling van zijn moeder. Verdachte heeft de keel en neus van zijn moeder dichtgeknepen, een kussen in haar gezicht geduwd en een deken over haar hoofd heen getrokken, waardoor zijn moeder geen lucht meer kreeg. Ook heeft verdachte een wurggreep om haar nek toegepast en haar geslagen.
Het is alleszins voorstelbaar dat het slachtoffer erg van deze geweldshandelingen geschrokken is. Het slachtoffer heeft ook verklaard dat zij dacht dat zij het niet zou overleven en dat zij erg bang was op dat moment. Haar angst blijkt onder meer ook uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten ter plaatse die beschrijven dat zij bij aankomst een angstige vrouw zien, die hevig trilde en paniek in haar ogen had.
Verdachte heeft door middel van zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij het slachtoffer in haar eigen woning heeft aangevallen en haar gevoelens van onveiligheid heeft bezorgd. Een woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Daarbij rekent de rechtbank verdachte aan dat hij deze feiten tegen zijn eigen moeder heeft begaan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 25 april 2026, opgesteld door GZ-psycholoog [persoon 2] en supervisant [persoon 3] (hierna: de Pro Justitia rapporteurs). Zij hebben, kort weergegeven, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan stoornis in het gebruik van cocaïne (die als matig tot ernstig kan worden aangemerkt), een persisterende depressieve stoornis en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Daarnaast beschrijven zij dat er sprake is van afhankelijke en vermijdende trekken in de persoonlijkheid, met aanwijzingen voor een onderliggende persoonlijkheidsstoornis die zich uit in langdurige problemen in cognities, emotieregulatie en interpersoonlijk functioneren, maar dat deze persoonlijkheidsstoornis momenteel niet kan worden vastgesteld, vanwege de verslavingsproblematiek die bij verdachte op de voorgrond staat. De Pro Justitia rapporteurs stellen vast dat de stoornissen ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig waren en dat zij enige doorwerking hebben gehad in de gedragingen van verdachte. Geadviseerd wordt de tenlastegelegde feiten, bij een bewezenverklaring, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank volgt de conclusies van de Pro Justitia rapporteurs voor wat betreft de stoornissen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde onder feit 1 primair en feit 2 in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Uit de Pro Justitia rapportage komt naar voren dat verdachte bekend is met een geschiedenis van huiselijk geweld en middelenmisbruik. Verdachte heeft een complexe relatie met zijn moeder en hij voelt zich verantwoordelijk om voor haar te zorgen. Sinds het overlijden van zijn vader is hij bij zijn moeder ingetrokken, waarna hij steeds meer cocaïne is gaan gebruiken en verder weg is gezakt in negatieve gevoelens en somberheid. Verdachte heeft moeite met het reguleren van zijn emotie en kan handelen vanuit boosheid en frustratie. Hij reguleert zijn oplopende spanning en frustratie met middelen- en medicatiemisbruik en door zijn kwetsbare persoonlijkheidsstructuur is hij niet goed in staat om zich tegen deze verslaving te verzetten. Zijn kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en inadequate copingvaardigheden maken ook dat hij bij oplopende spanning en stress kan reageren met agressief gedrag wat wordt versterkt door het gebruik van cocaïne. Volgens de Pro Justitia rapporteurs toont verdachte enig zelfinzicht en probleembesef.
Het recidiverisico wordt als hoog beschreven en de Pro Justitia rapporteurs spreken van een behandelingsnoodzaak. Om recidive te voorkomen is behandeling nodig voor het problematische middelengebruik en het bereiken van blijvende abstinentie. Ook is traumabehandeling geïndiceerd en is het van belang dat de behandeling wordt afgestemd op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, zodat onder andere zijn emotieregulatie en autonomiegevoel verbeterd kunnen worden. Verder beschrijven de Pro Justitia rapporteurs dat verdachte de juiste medicatie moet krijgen vanwege zijn depressieve klachten. Gezien de ernst en de duur van zijn verslaving in combinatie met zijn persisterende depressieve stoornis wordt het van belang geacht dat de behandeling van verdachte intensief begint door middel van een eerste klinische fase in een Forensische verslavingskliniek met een laag beveiligingsniveau, zoals een FPA of FVK. De Pro Justitia rapporteurs achten een klinische start noodzakelijk, omdat verdachte vanuit zijn vermijdende en afhankelijke trekken moeite heeft om een behandeling zelf vorm te geven en vol te houden. Aansluitend zou een ambulante behandeling in de vorm van een bijzondere voorwaarde kunnen plaatsvinden.
Gelet op het voorgaande wordt bij een bewezenverklaring geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder in ieder geval een klinische opname in een forensische verslavingskliniek en reclasseringstoezicht.
Reclasseringsmedewerkster [persoon 1] heeft in het door haar opgestelde adviesrapport van 7 mei 2026 geadviseerd om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in een begeleid wooninstelling of maatschappelijke opvang, dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van middelengebruik.
Ter terechtzitting heeft voornoemde reclasseringsmedewerkster de inhoud van het rapport bevestigd. Daarnaast heeft zij toegelicht dat verdachte is aangemeld bij de Dienst Individuele Zaken (DIZ). De DIZ heeft verdachte aangemeld voor een intakegesprek bij de FPA-kliniek in [plaats 2] . De reclasseringsmedewerkster kon geen uitsluitsel geven over de toelating en wachttijd bij deze zorginstelling, maar hoopte binnen vier weken zekerheid te kunnen geven. Zij heeft aangegeven dat de problematiek van verdachte en de voorgestelde bijzondere voorwaarden in beginsel passend zijn voor deze kliniek.
Verdachte heeft zich tijdens de terechtzitting bereid getoond zich aan de voorwaarden van de reclassering te houden. Hij heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij gemotiveerd is om geen verdovende middelen meer te gebruiken, hiertoe ook aan een klinische opname wil meewerken en dat hij op dit moment abstinent is van verdovende middelen.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in 2022 eerder is veroordeeld voor mishandeling van zijn moeder en daarvoor een taakstraf in voorwaardelijke vorm opgelegd heeft gekregen. Verdachte was door deze veroordeling een gewaarschuwd mens en heeft desondanks niet geleerd van zijn fouten. De rechtbank rekent verdachte dit aan en weegt dit strafverzwarend mee.
De op te leggen straf
De rechtbank acht het van belang dat verdachte hulp en begeleiding krijgt bij zijn verslavingsproblematiek en het creëren van een gezonde relatie tussen hem en zijn moeder. De reclassering kan hem daarbij helpen en de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd bieden daar de juiste mogelijkheden voor.
Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de aard en ernst van onderhavige feiten, het gegeven dat verdachte zijn moeder eerder heeft mishandeld en dat het recidiverisico door de deskundigen als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte - zonder de juiste behandeling en begeleiding - een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 56, 300, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
een voortgezette handeling van:
poging tot zware mishandeling
en
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijd van 2 jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
- Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] . De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
Opname in een zorginstelling
- Dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op middelengebruik, traumabehandeling en emotieregulatie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
Ambulante behandeling
- Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra veroordeelde is geaccepteerd door de zorgverlener. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op middelengebruik, traumabehandeling en emotieregulatie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra veroordeelde is geaccepteerd door de instelling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
Dagbesteding
- Dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
Aflossing schulden
- Dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
Beheersing middelengebruik
- Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan de reclassering opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling-van der Maarel, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en R. van de Water, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. R.T. Lo Dico en M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.
[…]
[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]