ECLI:NL:RBAMS:2026:7463

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/13/781620
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 sub a BWArt. 1:275 lid 1 BWArt. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming voogd over vier minderjarige kinderen

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over vier minderjarige kinderen, die sinds 2021 onder toezicht staan en in een gezinshuis verblijven. De moeder voerde verweer en verzocht om uitbreiding van omgang en benoeming van een bijzondere curator.

De rechtbank stelde vast dat de kinderen ernstige ontwikkelingsbedreigingen ondervinden door de situatie bij de moeder, die niet in staat is gebleken haar situatie te verbeteren. De moeder vertoont onvoorspelbaar gedrag, werkt niet samen met hulpverlening en heeft het contact met de kinderen bemoeilijkt, onder meer door een incident tijdens een omgangsmoment en het niet toestaan van noodzakelijke onderzoeken.

Gelet op het belang van de kinderen en hun perspectief in het gezinshuis, oordeelde de rechtbank dat beëindiging van het gezag proportioneel en noodzakelijk is. De voogdij wordt toegewezen aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam. De rechtbank wees het verzoek tot uitbreiding van omgang af totdat een herstelgesprek heeft plaatsgevonden en zag geen aanleiding voor een bijzondere curator. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en Jeugdbescherming Regio Amsterdam wordt benoemd tot voogd over de vier minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/781620 / FA RK 26-209
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2020 in [geboorteplaats 4] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] (voornaam conform geboorteakte) of [minderjarige 4] (voornaam in de processtukken),
gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D. Nan uit Alkmaar.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen JBRA.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 12 januari 2026;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze rechtbank van 14 april 2026, dat hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;
  • het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 20 mei 2026.
1.2.
Op 23 juni 2026 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mevrouw
[naam 1] namens de Raad en [naam 2] namens JBRA.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , gelet op hun leeftijd, naar hun mening gevraagd. Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
1.4.
De advocaat van de moeder heeft een pleitnotitie overgelegd en aan de hand daarvan het woord gevoerd.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.2.
De vader van de kinderen heeft geen actieve rol of betrokkenheid in het leven van de kinderen.
2.3.
De kinderen hebben nog een halfzus ( [naam 3] ) en een halfbroer ( [naam 4] ).
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 30 juni 2021 zijn de kinderen (voorlopig) onder toezicht gesteld van JBRA. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 26 juli 2026.
2.5.
In het kader van de (voorlopige) ondertoezichtstelling is ten aanzien van de kinderen met ingang van 30 juni 2021 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd. De laatst verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor verblijf in een gezinshuis is geldig tot 26 juli 2026.
2.6.
De kinderen verblijven in gezinshuis [locatie] van het Leger des Heils in [plaats] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds september 2024 en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] sinds oktober 2024.
2.7.
De kinderen hebben begeleide omgang met de moeder die plaatsvindt op een locatie van Levvel en wordt begeleid door de pleegzorgwerker(s) en pleegouder(s). De ene maand heeft de moeder omgang met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de andere maand heeft zij omgang met [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.8.
JBRA heeft zich bij brief van 15 december 2025 bereid verklaard om de voogdij ten aanzien van de kinderen te aanvaarden.

3.Het verzoek van de Raad

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en JBRA tot voogd over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het verweer van de moeder tevens houdende zelfstandige verzoeken

4.1.
De moeder heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht het verzoek van de Raad niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.
4.2.
Bij zelfstandig verzoek verzoekt de moeder de rechtbank te bepalen:
*dat de moeder in ieder geval eenmaal per twee weken gedurende vier uur omgang heeft
met alle vier de kinderen gezamenlijk, althans een zodanige zorgregeling tussen de moeder en alle vier de kinderen vast te stellen als de rechtbank in het belang van de kinderen juist acht, met de opdracht aan JBRA om binnen twee maanden na de start van de uitbreiding te evalueren om toe te werken naar verdere uitbreiding, onbegeleid en bij de moeder thuis;
*een bijzondere curator te benoemen voor de kinderen om hun belangen en behoeften in deze procedure en terzake het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging van de moeder zelfstandig te vertegenwoordigen, te onderzoeken en daarover aan de rechtbank te rapporteren, althans een zodanige beslissing te nemen ten aanzien van het benoemen van
een bijzondere curator voor de kinderen als de rechtbank juist acht.

5.De standpunten

De Raad
5.1.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd onder verwijzing naar het op 12 januari 2026 uitgebrachte rapport met bijlagen. De Raad voert aan dat de kinderen al bijna vijf jaar uit huis zijn geplaatst en het in die periode niet is gelukt de kinderen op een veilige manier weer terug te kunnen plaatsen bij de moeder. De kinderen hebben in het verleden bij hun moeder grote onveiligheid ervaren en hebben op meerdere plekken gewoond bij verschillende opvoeders. Dit heeft op alle kinderen een blijvend effect gehad en zij hebben hulp nodig om dit te kunnen verwerken. De Raad voert aan dat tijdens het raadsonderzoek is gezien dat de kinderen van hun moeder houden maar ook dat het nu goed gaat met de kinderen in het gezinshuis, zij het daar fijn hebben en zij zich goed ontwikkelen. De Raad geeft aan dat het perspectief van de kinderen is dat zij niet meer bij de moeder gaan wonen. Het is van belang dat de kinderen duidelijkheid krijgen over waar zij mogen opgroeien en dat zij rust krijgen. Daarbij is het van belang dat ook goed gekeken wordt naar het contact tussen de moeder en de kinderen en wat het beste is voor hen. De omgang verloopt op dit moment onvoorspelbaar. Gekeken moet worden wat haalbaar is voor zowel de moeder als de kinderen. De kinderen wensen dat de moeder ook een keer naar het gezinshuis komt, maar de moeder heeft dit tot op heden nog niet gedaan. Hiermee gaat de moeder voorbij aan het belang van de kinderen. Daarnaast vindt de Raad het van belang dat er gekeken wordt naar mogelijkheden/wenselijkheid voor contact tussen de kinderen met hun vader en hun halfbroer en -zus.
De moeder en haar advocaat
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder het verweerschrift en de zelfstandige verzoeken gehandhaafd. De moeder voert aan dat een gezagsbeëindiging een verstrekkende maatregel is waar terughoudend mee moet worden omgegaan. Het enkele feit dat de kinderen in het gezinshuis verblijven en dat daar hun perspectief ligt betekent niet automatisch dat het gezag moet worden beëindigd. Onvoldoende is nog onderzocht of een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk is. Het contact tussen de moeder en de kinderen verloopt betekenisvol en de kinderen kijken uit naar het contact met hun moeder. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben ook aangegeven dat zij hun moeder vaker willen zien. Daarnaast heeft [minderjarige 1] ook expliciet aangegeven dat hij wil dat moeder de beslissingen over hem blijft nemen. Door een gezagsbeëindiging zal de moeder verder uit het leven van de kinderen verdwijnen, wat niet in hun belang is. Er is geen noodzaak voor de beëindiging van het gezag en het is van belang dat de omgang zo spoedig mogelijk wordt uitgebreid. Naar aanleiding van het incident op 3 juni 2026 tijdens een omgangsmoment merkt de moeder op dat zij de plek waar het omgangsmoment met de kinderen plaatsvond (bij het OKT) niet veilig vond en dat zij is weggegaan met de kinderen om hen naar een rustigere plek te brengen. Zij heeft daarbij de kinderen niet in gevaar gebracht. De moeder vindt het zorgelijk dat JBRA als reactie hierop de omgang per direct heeft opgeschort waardoor er nu helemaal geen omgang meer is tussen haar en dekinderen. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij niet op het door JBRA geplande herstelgesprek met de omgangsbegeleidster is geweest omdat zij verwacht dat praten niet veel aan de situatie zal veranderen. Daarnaast geeft de moeder aan dat zij op ervan op de hoogte is dat de kinderen het leuk zouden vinden als zij naar het gezinshuis zou komen maar dat zij dit niet doet omdat de kinderen juist naar buiten moeten en naar haar toe moeten komen. De moeder geeft aan dat haar gezag stelselmatig wordt ondermijnd door JBRA en dat zij niet blij is dat dezelfde instantie uit haar belaste verleden beslissingen over haar kinderen kan nemen. De moeder geeft aan dat JBRA niet naar haar luistert en haar niet respecteert. De moeder wenst haar gezag te behouden, zelf beslissingen over haar kinderen te kunnen nemen en alleen contact te onderhouden met mensen van dezelfde culturele en etnische achtergrond als zij heeft. Dat is ook in het belang van de kinderen. Verder betwist de moeder dat zij structureel gezagsbeslissingen ten aanzien van de kinderen zou frustreren. Wel stelt de moeder vragen over de noodzaak, veiligheid en gevolgen van een beslissing. Dat maakt echter niet dat zij het gezag frustreert of misbruik maakt van haar gezag.
JBRA
5.3.
JBRA ondersteunt het verzoek van de Raad en is bereid de voogdij van de kinderen op zich te nemen. JBRA voert aan dat het perspectief van de kinderen bij het gezinshuis ligt en het van belang is dat de kinderen nu rust en duidelijkheid krijgen. JBRA geeft aan dat er begeleide omgang is gedurende één uur per twee kinderen per maand, maar dat deze omgang is opgeschort na een incident tijdens het omgangsmoment op 3 juni 2026. Tijdens het omgangsmoment is de moeder tegen de afspraken in met de kinderen naar een andere locatie gegaan. Zij is met de kinderen op de metro gestapt en ondanks diverse verzoeken van de omgangsbegeleidster niet teruggekeerd. De omgangsbegeleidster voelde zich ook niet prettig en veilig tijdens het incident in het contact met de moeder. Op het geplande herstelgesprek op 15 juni 2026 om te spreken over het incident en nieuwe afspraken te maken over de omgang is de moeder niet verschenen. JBRA geeft aan open te staan voor een eventuele uitbreiding van de omgang tussen de moeder en de kinderen maar op eerder geplande afspraken van JBRA om hierover te spreken is de moeder niet verschenen. Ook zouden de kinderen en de gezinshuisouders het leuk vinden als de omgang in het gezinshuis zou plaatsvinden maar hier staat de moeder niet voor open. Desgevraagd geeft JBRA aan dat ten aanzien van de geplande (diagnostische) onderzoeken met betrekking tot de kinderen, waarvoor zij nu op de wachtlijst staan, de moeder nog geen toestemming heeft gegeven. Indien dit nodig mocht zijn zal JBRA toestemming moeten vragen aan de rechtbank tot vervangende toestemming.

6.De beoordeling

Beëindiging gezag
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
6.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarigen beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarigen staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. [2]
6.4.
De rechtbank stelt vast dat de kinderen in de thuis- en opvoedsituatie bij de moeder veel hebben meegemaakt. Er is sprake geweest van grote onveiligheid, instabiliteit en verwaarlozing van de kinderen waardoor de kinderen op 30 juni 2021 met spoed uit huis zijn geplaatst. Ook waren er zorgen over het psychisch functioneren van de moeder, haar onvoorspelbaarheid en haar emotionele beschikbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat de moeder in de afgelopen jaren niet heeft laten zien dat zij in staat is om haar situatie op een positieve manier te veranderen. De moeder heeft nog steeds geen goed inzicht gegeven in haar psychisch functioneren, is verward en achterdochtig en werkt nog altijd niet goed mee met de hulpverlening. De moeder werkt niet samen met JBRA en communiceert niet met hen. JBRA mag ook niet bij de moeder thuis komen. Ook blijkt dat de moeder onvoorspelbaar is, ook in het contact met de kinderen. Op dit moment is de begeleide omgang opgeschort na een incident op 3 juni 2026 waarbij de moeder tegen de afspraken in met de kinderen de (begeleide) omgangslocatie heeft verlaten. Op het herstelgesprek op 15 juni 2026 om daarover te spreken met de omgangsbegeleidster en JBRA is de moeder niet verschenen. Daarnaast blijkt dat de kinderen hebben aangegeven dat zij het fijn zouden vinden dat de moeder naar het gezinshuis komt om daar omgang te hebben, en dat zij ook op hun verjaardagen komt. Daar heeft de moeder tot op heden nog geen gehoor aan gegeven, waarmee de moeder blijk geeft het belang van de kinderen niet voorop te kunnen stellen. Verder blijkt de moeder weigerachtig om toestemming te verlenen voor basiszaken voor de kinderen (reisdocument/paspoort, medische zaken en inschrijvingen), en onderzoeken voor de kinderen die voor hen van groot belang zijn, wat zorgelijk is. Praktische zaken worden hierdoor vertraagd of bemoeilijkt en de moeder lijkt de gevolgen hiervan voor de kinderen niet te (h)erkennen of te overzien. De rechtbank is van oordeel dat de moeder door haar psychisch functioneren, onvoorspelbaarheid en haar onvermogen om samen te werken niet in staat is om de kinderen de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig hebben voor hun ontwikkeling. De kinderen hebben gelet op hun specifieke problematiek extra zorg nodig en een opvoeder die (emotioneel) beschikbaar is. Dat kan de moeder hen niet bieden.
6.5.
Gelet op vorenstaande is de rechtbank, met de Raad, van oordeel dat de aanvaardbare termijn, waarbinnen de moeder weer in staat moet worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen, is verstreken en dat beëindiging van het gezag in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is. Het is in het belang van de kinderen dat er rust en duidelijkheid komt over hun toekomstperspectief en waar zij verder mogen opgroeien. De rechtbank is van oordeel dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt maar in het gezinshuis waar zij sinds het najaar van 2024 verblijven en waar zij het fijn hebben en zij zich goed ontwikkelen. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat hun verblijf in het gezinshuis wordt voortgezet. In het gezinshuis krijgen de kinderen wat zij nodig hebben en wordt de kinderen een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving geboden.
6.6.
De rechtbank zal derhalve het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.
6.7.
De rechtbank overweegt dat door de beëindiging sprake is van een inmenging in het familie- en gezinsleven van de kinderen en de moeder, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Deze inmenging in het familie- en gezinsleven is evenwel bij de wet voorzien en, gelet op voorgaande, noodzakelijk in het belang van de kinderen. Nu verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing naar het oordeel van de rechtbank niet meer toereikend zijn, geldt bovendien dat de maatregel van de beëindiging van het gezag proportioneel is. De inmenging in het familie- en gezinsleven van de kinderen en de moeder is dus gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de kinderen.
6.8.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. [3] JBRA heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank zal conform het verzoek van de Raad JBRA met de voogdij over de kinderen belasten nu JBRA al lang betrokken is bij het gezin en de situatie van de kinderen kent.
6.9.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van de kinderen zal kunnen hebben. De moeder is en blijft de biologische moeder van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Het is belangrijk dat het contact tussen de moeder en de kinderen wordt hersteld en dat door JBRA wordt gekeken of uitbreiding van de (begeleide) omgangsmomenten mogelijk is. Daarvoor is in de eerste plaats nodig dat de moeder deelneemt aan het herstelgesprek met de omgangsbegeleidster en JBRA om goede afspraken te maken over de omgangsmomenten. De rechtbank gunt het de moeder en de kinderen om op een fijne manier omgang met elkaar te hebben. Zolang de moeder het contact met JBRA afhoudt is dat echter moeilijk te realiseren. Daarnaast geeft de rechtbank de moeder mee dat het leuk voor de kinderen zou zijn als de moeder ook naar het gezinshuis gaat, bijvoorbeeld op de verjaardagen van de kinderen.
6.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
Uitbreiding omgang
6.11.
Voor toewijzing van het verzoek van de moeder om de (begeleide) omgangsmomenten tussen haar en de kinderen uit te breiden ziet de rechtbank op dit moment geen gronden. Zoals hiervoor onder 6.9. verwoord zal eerst een herstelgesprek tussen de moeder en de omgangsbegeleidster en JBRA moeten plaatsvinden om afspraken te maken over het onbelast en veilig laten verlopen van de omgang. In overleg met JBRA en de begeleidende instantie zal verder moeten worden gekeken of uitbreiding van de omgang mogelijk en in het belang van de kinderen is.
Bijzondere curator
6.12.
De rechtbank ziet geen aanleiding tot benoeming van een bijzondere curator ten aanzien van de kinderen nu JBRA al betrokken is en de kinderen al meerdere hulpverleners spreken. Het verzoek van de moeder zal derhalve worden afgewezen.
6.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.14.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats 5] (Suriname), over:
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in
[geboorteplaats 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
-
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 3] , en
-
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2020 in
[geboorteplaats 4] ;
7.2.
benoemt
Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd in Amsterdam tot voogd over genoemde minderjarigen;
7.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarigen;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Luijck, voorzitter tevens kinderrechter, en
mr. K.A. Brunner en mr. E.M. Devis (kinder-)rechters, en in het openbaar uitgesproken op
21 juli 2026, in aanwezigheid van mr. I.P.M. Dijkstra-Bakker als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
3.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
4.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.