ECLI:NL:RBAMS:2026:7469

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/13/776983
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg echtscheidingsconvenant en afwijzing beroep op redelijkheid en billijkheid

Partijen zijn in 1997 gehuwd en in 2022 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin een lening van €300.000 is overeengekomen, opeisbaar onder specifieke voorwaarden zoals verkoop van de echtelijke woning of faillissement.

[eiser] vordert betaling van een restant van de lening omdat [gedaagde] de echtelijke woning heeft verlaten en deze commercieel verhuurt, terwijl hij in een ander appartement woont. Zij beroept zich op onvoorziene omstandigheden en de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW Pro) om de lening direct opeisbaar te verklaren.

De rechtbank oordeelt dat de tekst van het convenant helder is en geen leemte bevat die aanvulling rechtvaardigt. Het beroep op de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt omdat partijen bewust de voorwaarden voor opeisbaarheid limitatief hebben omschreven. De financiële nadelen voor [eiser] zijn niet onaanvaardbaar. De vordering wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vordering tot directe opeisbaarheid van de lening wordt afgewezen omdat de overeenkomst duidelijk is en het beroep op redelijkheid en billijkheid niet slaagt.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776983 / HA ZA 25-1579
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij (hierna: [eiser] ),
advocaat: mr. C.L. Verhoeven,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij (hierna: [gedaagde] ),
advocaat: mr. R.C. van Bakel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 6 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 12 november 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 24 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 11 juli 1997 gehuwd in gemeenschap van goederen. Samen hebben zij twee kinderen.
2.2.
Bij beschikking van 17 maart 2022 is de echtscheiding van partijen uitgesproken. De beschikking is op 22 maart 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Onderdeel van de beschikking is een tussen partijen, met behulp van een mediator, tot stand gekomen echtscheidingsconvenant, getekend op 11 februari 2022.
2.3.
Het echtscheidingsconvenant vermeldt onder andere dat de echtelijke woning aan [gedaagde] is toegedeeld en dat [gedaagde] bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor een bedrag van € 1.361.934,33 is overbedeeld. [gedaagde] heeft [eiser] € 1.061.934,33 betaald en het bedrag van € 300.000 is [gedaagde] in de vorm van een lening aan [eiser] schuldig gebleven. In het echtscheidingsconvenant is daarover – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:
“ (…)
Artikel 6. Financiële afwikkeling
6.1
Uit hoofde van de in dit convenant genoemde artikelen is de man aan de vrouw de navolgende bedragen verschuldigd:
Artikel 3.6 Echtelijke woning € 331.613,30
Artikel 4.18 Verdeling overig vermogen € 1.030.321,03
In totaal € 1.361.934,33
(…)
6.8
De man zal het resterende door hem verschuldigde bedrag ter hoogte van € 300.000,-- schuldig blijven aan de vrouw. Dit bedrag is ineens opeisbaar wanneer er sprake is van:
- verkoop en levering aan derden van de echtelijke woning;
- faillissement, surseance van betaling of schuldsanering ingevolge de Wet schuldsanering natuurlijke personen van de man;
- overlijden van de vrouw;
- overlijden van de man.
De man kan elk moment bovengenoemde lening boetevrij geheel of gedeeltelijk aflossen. De man is met ingang van de datum van overdracht van de echtelijke woning aan hem over het openstaande bedrag een rente van 2% per jaar aan de vrouw verschuldigd, maandelijks achteraf te voldoen. Dit rentepercentage geldt voor de gehele duur van deze schuld. Partijen zijn overeengekomen dat de man de lening in 25 jaar aflost en dat de aflossing van voornoemde schuld gebeurt op basis van annuïteiten met een maandbedrag van € 1.271,56.
(…)”
2.4.
In 2024 heeft een vennootschap van [gedaagde] , Brilsalamander Holding B.V., een appartement gekocht aan het [adres] (hierna: het appartement). [gedaagde] staat ingeschreven op het adres van het appartement.
2.5.
Hierna heeft [gedaagde] de echtelijke woning voor enige periode te huur aangeboden op het platform Airbnb.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 267.288, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding (6 oktober 2025) en de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat partijen met artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant hebben beoogd te regelen dat de lening opeisbaar zou worden op het moment dat [gedaagde] de echtelijke woning zou verlaten. Partijen zijn dit destijds overeengekomen om ervoor te zorgen dat [gedaagde] na de echtscheiding in de echtelijke woning kon blijven wonen, omdat de echtelijke woning grenst aan zijn onderneming. Daarbij is het volgens [eiser] uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen geweest om ervoor te zorgen dat [gedaagde] de echtelijke woning op haar kosten als tweede huis kon aanhouden. Verder voert [eiser] aan dat partijen bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant geen rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat [gedaagde] niet meer in de echtelijke woning zou wonen maar in het appartement, terwijl hij de echtelijke woning commercieel uitbuit. Daar komt nog bij dat [eiser] er vanwege de afspraken over de lening financieel op achteruit gaat. De rentevergoeding van 2% die [eiser] over de lening ontvangt, is lager dan de belasting die zij daarover moet betalen. Als het geleende bedrag op haar spaarrekening zou hebben gestaan, had zij er meer aan overgehouden. Dit zijn onvoorziene omstandigheden. Het vasthouden aan de tekst van artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant is onder deze omstandigheden onaanvaardbaar. De rechter moet de afspraken in het echtscheidingsconvenant op grond van artikel 6:248 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) daarom zo aanvullen dat de lening van [eiser] aan [gedaagde] direct opeisbaar is en [gedaagde] het restant van de lening ter hoogte van € 267.288 aan haar moet terugbetalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en betoogt dat het echtscheidingsconvenant moet worden gezien als een pakketovereenkomst, waarin partijen met elkaar samenhangende afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling en gevolgen van de echtscheiding. Het is dan ook onredelijk om één afspraak uit het echtscheidingsconvenant te beoordelen, zonder daarbij rekening te houden met de overige afspraken in het echtscheidingsconvenant. [gedaagde] betwist daarnaast dat partijen destijds zijn overeengekomen dat de lening ook opeisbaar zou zijn in het geval hij de echtelijke woning zou verlaten. Partijen zijn bewust een limitatieve opsomming overeengekomen van de voorwaarden waaronder de lening ineens opeisbaar zou worden. Aan die voorwaarden is niet voldaan. Daar komt bij dat [gedaagde] de echtelijke woning slechts eenmalig heeft verhuurd en hij zowel in de echtelijke woning als in het appartement woont. Verder voert [gedaagde] nog aan dat [eiser] met de afspraken in het echtscheidingsconvenant meer dan redelijk is gecompenseerd en dat zij geen financieel nadeel van deze afspraken ondervindt. Ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant bedroeg de gemiddelde spaarrente in Nederland namelijk 0,01%, terwijl [eiser] 2% rente ontvangt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen verschillen van mening over hoe artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant moet worden uitgelegd.
4.2.
Het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen hangt af van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). De rechtbank acht bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden van belang.
4.3.
Partijen zijn bij het opstellen van het echtscheidingsconvenant bijgestaan door een professionele mediator. Om die reden zal extra waarde worden gehecht aan de letterlijke tekst van het echtscheidingsconvenant.
4.4.
De tekst van artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant is helder. De lening wordt opeisbaar bij verkoop of levering van de echtelijke woning aan derden, bij faillissement, surseance van betaling of schuldsanering van [gedaagde] en bij het overlijden van een van partijen. Deze situaties doen zich niet voor. Uit de tekst van artikel 6.8 volgt niet dat [gedaagde] permanent in de echtelijke woning moet verblijven.
4.5.
[eiser] stelt dat partijen destijds niet hebben voorzien dat zich een situatie zou voordoen waarin [gedaagde] de echtelijke woning zou verlaten, maar niet zou verkopen. In dat kader doet zij een beroep op de aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro). De rechtbank overweegt als volgt.
4.6.
Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW Pro is slechts plaats indien een overeenkomst een leemte bevat, wat door uitlegging van de overeenkomst moet worden vastgesteld. Zoals hiervoor overwogen, hebben partijen expliciet in de overeenkomst vastgelegd onder welke omstandigheden de lening opeisbaar wordt. Daarmee is van een leemte geen sprake, zodat voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 BW Pro geen plaats is.
4.7.
Ook het beroep van [eiser] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW Pro slaagt niet. Het enkele feit dat de in artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant vervatte afspraak minder voordelig is dan [eiser] destijds verwachtte, maakt nog niet dat de afspraak op zichzelf zodanig onredelijk is dat die afspraak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Partijen zijn overeengekomen dat de lening in een periode van 25 jaar moet worden afgelost. Binnen een dergelijke periode doen zich nu eenmaal veranderingen voor. Dat hadden partijen kunnen voorzien en dat hebben zij, door de afspraken op deze manier vast te leggen, ook geaccepteerd. De door [eiser] geschetste financiële (fiscale) consequenties van de lening vergeleken met spaargeld op de rekening van [eiser] , zijn verder niet zodanig nadelig dat de op dit punt gemaakt afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de lening alleen opeisbaar wordt in de artikel 6.8 van het echtscheidingsconvenant genoemde gevallen. Nu geen van die gevallen zich heeft voorgedaan, zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
4.9.
[gedaagde] heeft gevorderd [eiser] te veroordelen in de proceskosten. In zaken waarin partijen ex-echtelieden zijn, is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd, tenzij sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Omdat niet is gebleken dat daar in onderhavig geval sprake van is, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiser] in de proceskosten te veroordelen. De proceskosten zullen dus worden gecompenseerd, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.