ECLI:NL:RBAMS:2026:7470

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
C/13/776122 / HA ZA 25-1521
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.C.J. Hamming
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:81 BWArt. 6:83 BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 BWArt. 6:277 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst en afrekening op basis van werkelijke waarde uitgevoerde werkzaamheden

Een restaurant in Amsterdam sloot een aannemingsovereenkomst met een aannemer voor sloop- en renovatiewerkzaamheden. Na onenigheid over de afspraken en betalingsachterstanden legde de aannemer de werkzaamheden neer en werd de overeenkomst door het restaurant ontbonden. Het restaurant vorderde terugbetaling van reeds betaalde bedragen en schadevergoeding wegens winstderving.

De rechtbank stelde vast dat de Werkomschrijving niet integraal onderdeel van de overeenkomst was en dat geen oplevertermijn of bindende betaaltermijnen waren overeengekomen. De aannemer kon de werkzaamheden niet rechtsgeldig opschorten wegens betalingsachterstand, maar beëindigde de werkzaamheden onrechtmatig. Hierdoor was de ontbinding door het restaurant rechtsgeldig.

De rechtbank bepaalde dat de afrekening moest plaatsvinden op basis van de werkelijke waarde van het uitgevoerde werk. Deskundigenrapporten verschilden, maar de rechtbank sloot aan bij het reeds betaalde bedrag van circa € 92.358,00. De vorderingen tot terugbetaling en aanvullende betaling werden afgewezen. Ook de vorderingen tot schadevergoeding wegens winstderving en incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De conservatoire beslagen gelegd door het restaurant werden onrechtmatig geoordeeld en moesten worden opgeheven. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd. De rechtbank wees de overige vorderingen af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van het restaurant af en bepaalt dat partijen geen verdere betalingen aan elkaar verschuldigd zijn, met compensatie van proceskosten en opheffing van het conservatoire beslag.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/776122 / HA ZA 25-1521
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. M.S. Benistant,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B. Altena.

1.De zaak in het kort

1.1.
[gedaagde] heeft in opdracht van [eisende partij] sloop- en renovatiewerkzaamheden uitgevoerd aan een restaurant van [eisende partij] in Amsterdam. [gedaagde] heeft de werkzaamheden stilgelegd, omdat [eisende partij] zich volgens haar niet aan het betaalschema hield. Vervolgens heeft [eisende partij] de overeenkomst ontbonden. [eisende partij] vordert terugbetaling van het door haar betaalde bedrag. Volgens [gedaagde] mocht zij de werkzaamheden opschorten en mocht [eisende partij] niet ontbinden. Daarom vindt [gedaagde] dat zij [eisende partij] niets verschuldigd is. In reconventie vordert [gedaagde] betaling van een onbetaalde factuur.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat [eisende partij] de overeenkomst mocht ontbinden, maar dat zij geen recht heeft op terugbetaling. Partijen moeten namelijk afrekenen aan de hand van werkelijke waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk. De rechtbank stelt deze waarde gelijk aan het door [eisende partij] betaalde bedrag. Daarom wordt ook de vordering in reconventie van [gedaagde] afgewezen. Hierna worden deze beslissingen uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 september 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 19 november 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 31 december 2025 met producties,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juni 2026 en de daarin genoemde stukken. De zittingsaantekeningen van de griffier zijn in het dossier gevoegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eisende partij] exploiteert diverse restaurants in Amsterdam. [gedaagde] is een aannemingsbedrijf. [eisende partij] heeft [gedaagde] ingeschakeld voor de sloop en renovatie van een restaurant aan de [adres] .
3.2.
Op 29 mei 2024 heeft [gedaagde] een offerte aan [eisende partij] verstuurd voor de sloopwerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 11.858,00 inclusief btw. [eisende partij] heeft dit bedrag op 3 juni 2024 betaald. Op diezelfde dag zijn de werkzaamheden begonnen.
3.3.
Partijen hebben voor het bouwproject een WeChat-groepschat aangemaakt met als leden de directeurs van [eisende partij] en [gedaagde] en de architect van het project. Op 4 juli 2024 heeft de architect de Werkomschrijving Restaurant Go Beef Hotpot (de Werkomschrijving) in de groepschat gedeeld en op 5 juli 2024 het Go Beef Ruimteboek met tekeningnummer CY-IM100 (het Ruimteboek).
3.4.
Op 4 augustus 2024 heeft [gedaagde] een offerte met nummer 30207 voor de verbouwingswerkzaamheden verstuurd, ter hoogte van € 173.998,00 inclusief btw. Op de offerte staat onder meer het volgende vermeld:

Betreft verbouwing volgens het ruimteboek CY-IM100”
(…)
Betalingen bij Akkoord:
50% Aanbetaling, 25% Start werkzaamheden, 15% Halverwege werkzaamheden en bij oplevering 10% (in overleg)
3.5.
Op 7 augustus 2024 heeft [gedaagde] een factuur voor € 60.500,00 inclusief btw verzonden met beschrijving “
Aanbetaling werkzaamheden volgens Offerte 30207”. [eisende partij] heeft deze factuur in twee delen betaald: € 30.000,00 op 9 augustus 2024 en € 30.500,00 op 25 augustus 2025.
3.6.
Op 20 september 2025 heeft [gedaagde] een factuur gestuurd voor € 60.500,00 inclusief btw verzonden met beschrijving “
2e Aanbetaling werkzaamheden volgens Offerte 30207”. [eisende partij] heeft vervolgens op 30 september 2024 € 20.000,00 betaald.
3.7.
In november 2024 heeft [gedaagde] de werkzaamheden neergelegd. In januari tot en met maart 2025 heeft [gedaagde] diverse betalingsherinneringen voor € 40.500,00 aan [eisende partij] verzonden.
3.8.
Op 7 maart 2025 heeft [eisende partij] per e-mail het volgende aan [gedaagde] bericht:

We have not received responses to our reminders to initiate work as per the agreed schedule. Due to these unaddressed delays, we contest the current invoice and urgently request a meeting to discuss and revise the project timelines
3.9.
Op 25 maart 2025 heeft de administratief dienstverlener van [gedaagde] per brief het volgende aan [eisende partij] meegedeeld:

Met datum 20 september 2024 ontving u voor die werkzaamheden een 2e aanbetalingsfactuur (factuurnummer 10229), welke tot op heden niet volledig betaald werd. Meermaals is u verzocht om de resterende betaling te verzorgen.
Nu daarop geen enkele reactie volgde, heeft onze klant het besluit moeten nemen om de werkzaamheden niet langer bij u uit te voeren. De werkzaamheden zijn wat hem betreft dus nu beëindigd.
In verband daarmee ontvangt u een creditering van het openstaande factuurbedrag. (…)
3.10.
[eisende partij] heeft door Bouwkundig Adviesbureau Zwanenburg (hierna: Zwanenburg) een onderzoek naar de uitgevoerde werkzaamheden laten verrichten. Op 30 april 2025 heeft Zwanenburg in een rapport onder meer geconcludeerd dat er nog niets helemaal klaar was en dat de werkzaamheden gebrekkig zijn uitgevoerd. Volgens Zwanenburg bedraagt de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden € 51.551,52 inclusief btw. Zwanenburg rapporteert ook over herstelkosten.
3.11.
Op 13 mei 2025 heeft (de advocaat van) [eisende partij] de overeenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde] ontbonden en [gedaagde] gesommeerd om € 92.358,00 terug te betalen.
3.12.
Op 24 juni 2025 heeft [gedaagde] de uitgevoerde werkzaamheden door Expertise Bureau Noord (hierna: EBN) laten beoordelen. EBN concludeert dat er geen sprake is van gebreken, maar vooral van onvoltooid werk. Volgens het definitieve rapport van EBN van 5 augustus 2025 bedraagt de waarde van de uitgevoerde werkzaamheden € 134.600,00 inclusief btw.
3.13.
In augustus 2025 heeft [eisende partij] derdenbeslag gelegd op de bankrekeningen van [gedaagde] .
3.14.
[eisende partij] heeft de verbouwing door een andere aannemer af laten ronden.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
[eisende partij] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de overeenkomsten van aanneming van werk op 13 mei 2025 buitengerechtelijk zijn ontbonden, dan wel deze overeenkomsten bij vonnis ontbindt;
en [gedaagde] veroordeelt tot (terug)betaling van (telkens te vermeerderen met wettelijke rente)
II. € 92.358,00;
III. € 97.105,40 ter zake van winstderving;
IV. € 2.678,68 aan incassokosten;
V. € 5.804,00 ter zake van vaststellingskosten;
VI. € 2.579,65 ter zake van beslagkosten; en
VII. voorwaardelijk, indien een of meerdere schadevergoedingen nader begroot dienen te worden, [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van alle schades van [eisende partij] , nader op te maken bij staat;
VII. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
4.2.
[eisende partij] baseert haar vorderingen op het volgende. [eisende partij] en [gedaagde] hebben aannemingsovereenkomsten gesloten waarop volgens [eisende partij] de Werkomschrijving van toepassing is. In de Werkomschrijving zijn een fatale opleverdatum van 1 oktober 2024 en diverse kwaliteitseisen overeengekomen. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen doordat zij de opleverdatum niet heeft gehaald, gebrekkig werk heeft geleverd en onrechtmatig heeft opgezegd. [gedaagde] is in verzuim geraakt, waardoor [eisende partij] de aannemingsovereenkomsten mocht ontbinden. Als gevolg hiervan zijn ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan en moet [gedaagde] de betaalde € 92.358,00 terugbetalen. [eisende partij] heeft herstelwerkzaamheden moeten laten uitvoeren, waardoor de waarde van het door [gedaagde] uitgevoerde werk nihil is en zij niets meer aan [gedaagde] is verschuldigd. [gedaagde] moet als schadevergoeding de gederfde winst van [eisende partij] betalen, aldus [eisende partij] .
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eisende partij] de overeenkomst niet rechtsgeldig kon ontbinden, waardoor geen (terug)betalingsverplichting bestaat en zij geen schadevergoeding verschuldigd is. De vorderingen van [eisende partij] moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
In reconventie
4.4.
[gedaagde] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eisende partij] veroordeelt tot betaling van € 40.500,00, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
II. [eisende partij] voorwaardelijk (als de vorderingen van [eisende partij] in conventie worden afgewezen) veroordeelt om de door haar gelegde beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag;
III. voorwaardelijk (als de vorderingen van [eisende partij] in conventie worden afgewezen) voor recht verklaart dat [eisende partij] onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld en te veroordelen tot schadevergoeding nader op te maken bij staat;
IV. [eisende partij] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.5.
[gedaagde] baseert haar vorderingen op het volgende. [eisende partij] heeft zich niet gehouden aan het overeengekomen betaalschema. [gedaagde] heeft vervolgens haar werkzaamheden opgeschort. De overeenkomst is niet rechtsgeldig door [eisende partij] ontbonden en bestaat dus nog steeds. [gedaagde] vordert nakoming van de overeenkomst en betaling van € 40.500,00 (het restant van de tweede factuur). [eisende partij] heeft onrechtmatig beslag gelegd, waardoor de beslagen moeten worden opgeheven en [eisende partij] schadevergoeding verschuldigd is, aldus [gedaagde] .
4.6.
[eisende partij] voert verweer. [eisende partij] betwist dat er een betaalschema zou zijn afgesproken. [gedaagde] kon het werk niet rechtsgeldig opschorten en [eisende partij] heeft de overeenkomst terecht ontbonden. [eisende partij] is [gedaagde] niets meer verschuldigd. Daarom moeten de vorderingen worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Werkomschrijving niet overeengekomen
5.2.
Tussen partijen staat vast dat er twee aannemingsovereenkomsten zijn gesloten op basis van twee offertes: een voor sloopwerk voor een totaalbedrag van € 11.858,00 inclusief btw en een voor verbouwingswerkzaamheden voor een totaalbedrag van € 173.998,00 inclusief btw. Partijen verschillen van mening over de inhoud van de overeenkomst met betrekking tot de verbouwing. Schriftelijke vastlegging daarvan ontbreekt. Volgens [eisende partij] maakt de Werkomschrijving deel uit van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] is alleen het Ruimteboek overeengekomen.
5.3.
De rechtbank zal eerst moeten vaststellen wat partijen nu precies met elkaar hebben afgesproken. De vraag wat partijen precies zijn overeengekomen en dus over en weer aan elkaar verplicht zijn moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf [1] . Daarbij komt het aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.
5.4.
De architect die door [eisende partij] is ingeschakeld heeft de Werkomschrijving gedeeld in de WeChat-groepschat. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat [eisende partij] uitvoering van de daarin genoemde werkzaamheden voor ogen had, maar daaruit blijkt niet dat dit document integraal onderdeel is geworden van de overeenkomst. Het enkele delen van de Werkomschrijving is daarvoor onvoldoende. Dat de architect daarbij vermeld heeft dat de Werkbeschrijving gebruikt
konworden voor een ‘cross-check’ van de offerte maakt ook niet dat de Werkbeschrijving deel werd van de afspraken tussen partijen.
5.5.
Nergens blijkt uit dat [gedaagde] met de Werkomschrijving heeft ingestemd. De verbouwingsofferte die [gedaagde] uitbracht verwijst wel expliciet naar het Ruimteboek, maar de Werkomschrijving wordt daarin niet genoemd en de geoffreerde werkzaamheden zijn ook niet gelijk aan die van de Werkomschrijving. [eisende partij] heeft ter zitting bevestigd dat zij de offerte van [gedaagde] in feite ook als basis voor de werkzaamheden heeft opgevat. Hierdoor moet uitgegaan worden van een overeenkomst tussen partijen voor een verbouwing volgens in de offerte beschreven werkzaamheden.
Geen oplevertermijn overeengekomen
5.6.
De door [eisende partij] gestelde oplevertermijn van 1 oktober 2024 is uitsluitend gedeeld in de Werkomschrijving waarover hiervoor is overwogen dat deze niet van toepassing is. Verder is uit niets op te maken dat deze opleverdatum toch zou zijn afgesproken. De feiten wijzen juist op het tegendeel. Zo heeft een andere vennootschap van de bestuurder van [eisende partij] in de periode rond de beweerdelijke opleverdatum aan [gedaagde] nog opdracht gegeven andere werkzaamheden aan een loods te verrichten. Deze opdracht is uitgevoerd en betaald. Dit terwijl de verbouwing aan de [adres] nog niet klaar was en voorzienbaar was dat een andere klus gevolgen zou kunnen hebben voor de voortgang van het werk aan de [adres] . Daarnaast heeft [eisende partij] op 30 september 2024, twee dagen vóór de gestelde opleverdatum, nog een betaling verricht. Uit het dossier valt niet op te maken dat toen of op enig ander moment door [eisende partij] melding is gemaakt van de gestelde opleverdatum. Deze omstandigheden laten zich moeilijk verenigen met het bestaan daarvan. Hierdoor is niet komen vast te staan dat partijen een opleverdatum van 1 oktober 2024 zijn overeengekomen.
Geen betaaltermijnen overeengekomen
5.7.
Partijen zijn het verder oneens of zij betaaltermijnen zijn overeengekomen zoals opgenomen in de offerte van [gedaagde] (zie 3.4). Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet geval. Er is niet schriftelijk gereageerd op de offertes. [eisende partij] heeft op zitting wel bevestigd dat de offertes (mondeling) akkoord zijn bevonden, maar daaraan toegevoegd dat dit zich niet uitstrekte over de daarin genoemde betaaltermijnen. Aan de gestelde termijnen is in ieder geval geen uitvoering gegeven. De door [gedaagde] verzonden facturen sluiten niet aan bij die betaaltermijnen. Bovendien hebben beide partijen bevestigd dat over de gefactureerde bedragen en momenten van betaling telkens overleg is geweest. Uit deze omstandigheden blijkt dat beide partijen de termijnen die genoemd stonden op de offerte niet (meer) als bindend hebben beschouwd. De rechtbank concludeert daarom dat deze niet tussen partijen gelden.
Geen opschorting, [eisende partij] kon ontbinden
5.8.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij in november gerechtigd was de werkzaamheden op te schorten, omdat de factuur ter hoogte van € 40.500,00 opeisbaar was en niet werd betaald. [eisende partij] stelt dat zij slechts tot betaling hoefde over te gaan nadat eerst overleg had plaatsgevonden over de stand en kwaliteit van het werk, hetgeen [gedaagde] weigerde.
5.9.
De rechtbank overweegt dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door haar verzonden factuur ten tijde van het neerleggen van de werkzaamheden opeisbaar was. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de in de offerte opgenomen betaaltermijnen niet van toepassing. Partijen hebben beiden verklaard dat de betalingen in onderling overleg plaatsvonden. [gedaagde] heeft niet weersproken dat daarbij de stand van het werk leidend was. Dat ook [gedaagde] rekende op betaling naar de stand van het werk wordt ondersteund door een WeChat-bericht van 4 februari 2025 van [gedaagde] , waarin zij het volgende aan [eisende partij] heeft geschreven:
“I’ve already competed more than half of the work, and you’ve only paid me 1/3 of the agreed amount”.
5.10.
In de werkwijze dat er betaling plaatsvindt aan de hand van de stand van het werk, ligt besloten dat partijen de stand van het werk moeten kunnen (laten) vaststellen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het verzoek van [eisende partij] om hierover te overleggen niet onredelijk. [eisende partij] heeft aangevoerd dat meerdere keren contact is gezocht voor overleg. [gedaagde] heeft geweigerd om in overleg te treden. Zij heeft het werk neergelegd en om betaling gevraagd. Tot er betaald werd, wilde zij geen gesprek. Zonder dit gesprek was de factuur echter niet opeisbaar. Dit betekent dat [gedaagde] de uitvoering van het werk niet rechtsgeldig kon opschorten wegens het uitblijven van betaling.
5.11.
Bij brief van 25 maart 2025 heeft [gedaagde] de overeenkomst beëindigd (zie 3.7). Gezien het definitieve karakter van deze brief wordt [gedaagde] niet gevolgd in haar stelling dat deze brief begrepen moet worden als een opschorting. [gedaagde] schrijft het werk niet langer te willen uitvoeren, het werk is volgens dit schrijven beëindigd en er zou een creditfactuur volgen, waarmee kennelijk werd aangestuurd op de financiële (eind)afwikkeling na beëindiging van de samenwerking.
5.12.
Er was geen grond voor deze beëindiging. [eisende partij] hoefde immers niet te betalen zonder dat er een overleg plaatsvond over de stand van het werk. Dit betekent dat [gedaagde] door de onrechtmatige beëindiging van de uitvoering van het afgesproken werk tekortschoot in de nakoming van de overeenkomst. Uit de brief van 25 maart 2025 kon [eisende partij] afleiden dat [gedaagde] niet meer na zou komen, zodat [gedaagde] volgens 6:81 jo. 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling in verzuim verkeerde. [eisende partij] was daardoor gerechtigd om de overeenkomst op 13 mei 2025 te ontbinden.
Afrekenen aan de hand van werkelijke waarde
5.13.
Op grond van artikel 6:271 BW Pro ontstaan na ontbinding van een overeenkomst over en weer verplichtingen om ontvangen prestaties ongedaan te maken. Ongedaanmaking van de door [gedaagde] verrichte verbouwingswerkzaamheden is echter naar de aard van die prestatie onmogelijk. Daardoor ontstaat voor [eisende partij] op grond van artikel 6:272 lid 2 BW Pro een verbintenis tot vergoeding van de waarde van die prestatie, beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor [eisende partij] werkelijk heeft gehad. [gedaagde] is op haar beurt uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis verplicht om het door [eisende partij] betaalde bedrag terug te betalen. Partijen zijn het er ook over eens dat de rechtbank in het geval van ontbinding dient vast te stellen wat na uitvoering van de ongedaanmakingsverbintenissen over en weer nog resteert.
Betaald bedrag is werkelijke waarde; geen van de partijen moet betalen
5.14.
Voor de bepaling van de werkelijke waarde van het uitgevoerde werk sluiten partijen aan bij de rapporten van de door hun ingeschakelde deskundigen. Volgens Zwanenburg, ingeschakeld door [eisende partij] , is 26% van het werk gereed en vertegenwoordigt het uitgevoerde werk in totaal een waarde van € 51.551,52 (inclusief meerwerk). Volgens EBN, ingeschakeld door [gedaagde] , is 67% van het werk gereed en vertegenwoordigt het uitgevoerde werk in totaal een waarde van € 134.605,95 (inclusief meerwerk).
5.15.
De rechtbank volgt geen van beide deskundigen onverkort in hun conclusies. Ten aanzien van het rapport van Zwanenburg geldt dat hij zijn beoordeling heeft gebaseerd op een overeenkomst waarop de Werkomschrijving, inclusief de aanvullende eisen en normen en het daarin beschreven werk, van toepassing is. Zwanenburg kent aan bepaalde delen van het uitgevoerde werk geen of amper waarde toe, omdat het niet zou voldoen aan die (afgesproken) eisen. Hiervan is reeds geoordeeld dat dit niet is wat tussen partijen gold. Ten aanzien van het rapport van EBN geldt dat sommige onderdelen relatief hoog in waarde worden geschat omdat niet duidelijk zou zijn welke vlakheidseisen en kwaliteitseisen zijn afgesproken. Hoewel dat juist is, was [gedaagde] nog altijd gehouden goed en deugdelijk werk te leveren. Op onderdelen (zoals het tegelwerk) is onvoldoende weersproken dat dit ondermaats is uitgevoerd. Daarom lijkt de inschatting van de waarde door EBN op onderdelen aan de hoge kant.
5.16.
Inmiddels is het werk uitgevoerd door een ander. Het inwinnen van nadere expertise over de waarde van het werk op het moment van ontbinding is niet aangewezen.
5.17.
De rechtbank ziet in al het voorgaande, waaronder de inhoud van de beide rapportages en hetgeen daartegen is aangevoerd aanleiding om voor het bepalen van de werkelijke waarde van het werk aan te sluiten bij het door [eisende partij] reeds betaalde bedrag van € 92.358,00. Het gemiddelde van de door de beide deskundigen ingeschatte waarden komt uit op een bedrag van € 93.078,74. Het verschil met hetgeen daadwerkelijke betaald is, is zeer gering en zoals eerder overwogen, gingen beide partijen er in feite van uit dat er werd betaald naar de stand van het werk. [eisende partij] heeft een gedeelte (€ 20.000) van de tweede factuur betaald, kennelijk tot het bedrag dat zij op dat moment redelijk vond gelet op de stand van het werk. [gedaagde] heeft bij de (onterechte) beëindiging vervolgens aangegeven een creditfactuur te zullen sturen voor het onbetaalde restant van de factuur. Kennelijk wilde [gedaagde] toen hij stopte, gelet op de stand van het werk op dat moment, op die manier tot financiële eindafwikkeling komen. Dan zou over en weer geen (terug)betalingsverplichting meer resteren. De rechtbank acht dit juist.
5.18.
De rechtbank ziet geen aanleiding om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte nader uit te laten over de laatst ingebrachte producties van [eisende partij] . Deze stukken zijn niet redengevend voor de gehanteerde percentages en de beslissing van de rechtbank. Daarbij komt dat de stukken tijdig zijn ingediend en [gedaagde] ter zitting in de gelegenheid is geweest hierop te reageren.
5.19.
Gelet op het voorgaande wordt de vordering in conventie die ziet op terugbetaling van € 92.358,00 afgewezen. Omdat niet is gebleken dat [gedaagde] nog recht heeft op meer dan het door [eisende partij] betaalde bedrag, wordt ook de vordering in reconventie tot betaling van € 40.500,00 afgewezen.
Geen verklaring voor recht
5.20.
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomsten van aanneming van werk zijn ontbonden.
5.21.
Artikel 3:303 BW Pro bepaalt dat een vordering slechts toewijsbaar is indien diegene die de vordering instelt daarbij voldoende belang heeft. Hiervoor is reeds geoordeeld dat [eisende partij] de overeenkomst(en) rechtsgeldig heeft ontbonden, reden om tot beoordeling van de ongedaanmakingsverbintenissen over te gaan. [eisende partij] heeft (desgevraagd) niet toegelicht waarom zij in dat geval nog belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Daardoor wordt deze vordering wegens gebrek aan belang afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering om de overeenkomst in dit vonnis (alsnog) te ontbinden.
Vorderingen [eisende partij] ter vergoeding van winstderving afgewezen
5.22.
[eisende partij] voert aan dat zij door de tekortkoming van [gedaagde] schade heeft geleden in de vorm van winstderving. Volgens [eisende partij] heeft de wanprestatie van [gedaagde] (de onterechte beëindiging van het werk) ervoor gezorgd dat het restaurant niet open kon op 1 november 2024 zoals gepland. [eisende partij] vordert op grond van artikel 6:277 BW Pro een vergoeding van € 9.710,54 per maand van november 2024 tot en met augustus 2025. Voor de berekening van deze winstderving heeft [eisende partij] aansluiting gezocht bij de cijfers van een ander restaurant van [eisende partij] . Volgens [gedaagde] is zij niet schadeplichtig en gaat de vergelijking met het andere restaurant niet op.
5.23.
De rechtbank wijst de vordering af. Hoewel [gedaagde] niet bevoegd was haar verplichtingen op te schorten of te beëindigen, is de door [eisende partij] gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Hiervoor is reeds geoordeeld dat de door [eisende partij] gestelde opleverdatum niet overeengekomen is. Uit geen van de stukken blijkt dat [gedaagde] rekening moest houden met een gewenste opening per 1 november 2024. Het werk was op 20 september 2024, toen [gedaagde] zijn laatste factuur stuurde, nog voor minder dan de helft af. Het restaurant is uiteindelijk pas in februari 2026 geopend. Welke stappen na het vertrek van [gedaagde] concreet door [eisende partij] zijn ondernomen (en op welk moment) om het werk te laten afronden en welke keuzes zij hierin heeft gemaakt, is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. [eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd op grond waarvan (en voor welk deel) de latere opening van het restaurant is veroorzaakt doordat [gedaagde] het werk beëindigde. Daarom kan niet worden vastgesteld dat (en voor welk deel) de vertraging voor rekening en risico van [gedaagde] moet komen.
5.24.
Daarbij merkt de rechtbank nog op dat [gedaagde] de hoogte van de door [eisende partij] gestelde winstderving gemotiveerd heeft betwist. Gelet op die betwisting had het op de weg van [eisende partij] gelegen haar schade nader te concretiseren, bijvoorbeeld door de gestelde winstderving te onderbouwen aan de hand van de daadwerkelijk gerealiseerde omzet en winst na de opening van het restaurant aan de [adres] . Dat heeft zij nagelaten. Daarbij wordt opgemerkt dat ter zitting is gebleken dat het restaurant aan de [adres] enkele maanden na de opening alweer is gesloten.
5.25.
De conclusie is dat de gestelde schade wegens winstderving onvoldoende is onderbouwd. De vordering tot betaling daarvan wordt afgewezen. Aangezien [eisende partij] ook de mogelijkheid van schade ook onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wijst de rechtbank de vordering tot verwijzing naar schadestaat ook af.
Expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen
5.26.
Ook de vordering van [eisende partij] met betrekking tot vergoeding van de kosten van deskundige Zwanenburg wordt afgewezen, nu aansprakelijkheid van [gedaagde] niet vast is komen te staan. [eisende partij] maakt om die reden ook geen aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter verhaal van de gestelde vordering.
Opheffing beslag, geen verwijzing schadestaat
5.27.
[gedaagde] heeft in reconventie voor het geval de hiervoor besproken vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen (en dat is het geval) opheffing van het beslag gevorderd.
5.28.
[eisende partij] heeft conservatoir beslag laten leggen ten laste van [gedaagde] ter zekerheid van de hiervoor besproken vorderingen in conventie. Deze vorderingen zijn afgewezen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarom het gelegde beslag onrechtmatig is jegens de beslagene, [gedaagde] . De vordering die strekt tot het doen opheffen van de beslagen wordt daarom toegewezen. [eisende partij] heeft (onweersproken) aangevoerd dat de gevorderde termijn van twee dagen voor het doen opheffen van de beslagen onredelijk kort is. Daarom zal hiervoor een termijn van vijf dagen worden gehanteerd. De vordering om aan deze verplichting een dwangsom te koppelen wordt afgewezen, aangezien [eisende partij] ter zitting heeft bevestigd dat zij, indien daartoe veroordeeld, de beslagen zal laten opheffen.
5.29.
De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, omdat [gedaagde] niet heeft toegelicht waarom zij hier een voldoende belang bij heeft.
5.30.
De door [gedaagde] gevorderde verwijzing naar de schadestaat wordt afgewezen. Indien het conservatoir beslag onrechtmatig geoordeeld is kan de beslaglegger gehouden zijn kosten en schade te vergoeden indien daartoe gronden zijn. [gedaagde] heeft haar schade echter enkel onderbouwd met een (summier) aantal blote stellingen. [eisende partij] heeft gemotiveerd betwist dat van enig nadeel sprake is. [eisende partij] heeft daarbij ook gewezen op het relatief kleine bedrag waarvoor het beslag doel getroffen heeft. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om, gelet op al hetgeen [eisende partij] hiertegen heeft aangevoerd, het bestaan van schade (nader) te onderbouwen. [gedaagde] heeft op de stellingen van [eisende partij] echter in het geheel niet gereageerd. De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is daarmee niet gehaald.
Proceskosten
5.31.
Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, waarbij zowel [eisende partij] als [gedaagde] op onderdelen in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat beide partijen in conventie de eigen proceskosten dragen en dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt. Ook in reconventie, waar het debat in overwegende mate samenhing met de beoordeling in conventie, zijn partijen over en weer in het (on)gelijk gesteld en zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
6.3.
veroordeelt [eisende partij] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de door haar bij exploten van 4 augustus 2025 en 13 augustus 2025 gelegde conservatoire beslagen uit hoofde van de beschikking met kenmerk C/13/773307 op te heffen,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders door [gedaagde] gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (