ECLI:NL:RBAMS:2026:7476

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
13/329004-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 261 SrArt. 6:106 BWArt. 532 SvArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging en smaadschrift met taakstraf en contactverbod

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan belaging en smaadschrift jegens aangever in de periode van januari tot december 2023. Verdachte heeft herhaaldelijk contact gezocht met aangever en diens omgeving, ondanks duidelijke afwijzing en een stopgesprek, en heeft smadelijke berichten en een geluidsfragment openbaar gemaakt.

De rechtbank verwierp het beroep op de rechtvaardigingsgrond van noodzakelijke verdediging en oordeelde dat verdachte met opzet de eer en goede naam van aangever heeft aangetast en diens persoonlijke levenssfeer heeft geschonden. De gedragingen waren van ernstige aard en hadden een grote impact op aangever en zijn omgeving.

De straf bestaat uit een taakstraf van 120 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, en een contactverbod met aangever dat direct uitvoerbaar is. Daarnaast is een immateriële schadevergoeding van €2.500 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, en een vergoeding van proceskosten van €1.662. De rechtbank matigde de gevorderde straf ten opzichte van het requisitoir, rekening houdend met de persoon van verdachte en het tijdsverloop.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een contactverbod met aangever.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/329004-23
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. P.W.M. Soekhai, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [aangever] (hierna: aangever) en van hetgeen zijn advocaat, mr. J.S. Jordan, tijdens het onderzoek op de terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich in de periode van 7 januari 2023 tot en met 24 december 2023 in Nederland heeft schuldig gemaakt aan:
1. belaging van [aangever] ;
2. smaadschrift ten aanzien van [aangever] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie heeft hierbij gewezen op de berichten die verdachte heeft gestuurd naar aangever, de e-mails en berichten die verdachte heeft gestuurd naar de vriendin en vrienden van aangever en het geluidsfragment en de berichten die verdachte heeft geplaatst op sociale mediakanalen en juicekanalen.
4.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de verschillende handelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging niet kunnen worden bewezen dan wel niet kunnen worden gekwalificeerd als belaging en smaadschrift.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat op grond van de in
bijlage IIgenoemde wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Ten aanzien van feit 1: belaging
Juridisch kader
Van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is sprake wanneer iemand opzettelijk een ander herhaaldelijk lastigvalt waardoor inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, alsook de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Het gaat daarbij niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die de wet aan belaging stelt.
Voor een bewezenverklaring van belaging is voorts niet vereist dat het slachtoffer zich van alle belagingshandelingen direct bewust is geweest, mits het slachtoffer nadien tenminste van een van die handelingen op de hoogte is geraakt. Evenmin is vereist dat het slachtoffer voorafgaand aan de tenlastegelegde gedragingen aan de verdachte te kennen heeft gegeven dat hij geen verder contact met verdachte wilde hebben, bijvoorbeeld middels een zogenoemd stopgesprek. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan door de verdediging is aangevoerd, ook handelingen die hebben plaatsgevonden vóór de stopmededeling door aangever aan verdachte op 10 februari 2023 eveneens kunnen bijdragen aan een bewezenverklaring van de tenlastegelegde belaging. Dit geldt eveneens voor de handelingen van de verdachte waarvan de aangever pas op een later moment op de hoogte is geraakt.
Uit de bewijsmiddelen, waarvan een selectie in de bijlage II is opgenomen, blijkt in dit verband het volgende.
Aangever heeft op 2 mei 2023 aangifte gedaan van smaad, laster en chantage door verdachte. Aangever heeft – samengevat – verklaard dat hij een affaire heeft gehad met verdachte en dat verdachte hem lastigvalt nadat hij de affaire heeft beëindigd en hem is blijven lastigvallen ook nadat hij heeft aangegeven geen contact meer te willen. Aangever heeft verklaard dat verdachte op 7 januari 2023 contact heeft opgenomen met zijn vriendin om haar te vertellen over de affaire, waarop aangever verdachte op WhatsApp heeft geblokkeerd. Hierna bleef verdachte hem en zijn omgeving lastig vallen. Op 27 juni 2023 heeft aangever opnieuw aangifte gedaan tegen verdachte, dit keer wegens stalking. Daarin geeft hij aan dat hij denkt dat verdachte inmiddels minstens 100 à 150 keer contact heeft gezocht met hem of met zijn vrienden, door (anonieme) tekstberichten te sturen, door (anoniem) te bellen, door via verschillende sociale media accounts contact met hen te zoeken, door e-mailberichten te sturen en door het plaatsen van berichten over hem en het plaatsen van een audiobericht waarin zijn stem is te horen op haar sociale media accounts.
Verdachte heeft erkend dat zij onder haar eigen naam meerdere e-mailberichten heeft gestuurd naar aangever waarin zij hem beschuldigt van het doen van valse aangiftes, van smaad, van chantage, van seksueel wangedrag en machtsmisbruik. Zij was boos op aangever omdat hij zijn deel van gezamenlijke hotelrekeningen en de rijlessen die zij voor hem had betaald niet wilde terugbetalen, hij een valse aangifte tegen haar zou hebben gedaan en zij haar politieopdracht door hem kwijt was geraakt. Zij wilde van hem een publiekelijke rectificatie en zij stond naar eigen zeggen dan ook in haar recht om contact met hem te (blijven) zoeken. Ook heeft zij contact opgenomen met de partner van aangever, [naam partner] (hierna: [naam partner] ), ook nadat [naam partner] had aangegeven dat zij niks meer van verdachte wilde horen. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat het klopt dat zij berichten heeft gestuurd naar [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en dat is blijven doen, ook nadat hij had gezegd dat hij niet gediend was van haar berichten. Verder heeft zij gereageerd op berichten die over haar en aangever waren geplaatst op RealityFBI en heeft zij contact gehad met [naam 2] (hierna: [naam 2] ), zakelijk vertegenwoordiger van aangever.
De verdediging heeft ten aanzien van de anonieme berichten/berichten van een anoniem of onbekend telefoonnummer in het dossier, gesteld dat verdachte deze niet heeft verzonden. De rechtbank gaat er evenwel vanuit dat verdachte ook achter meerdere anonieme tekstberichten in het dossier zit. Zo staat in het tekstbericht van 2 december 2023 met als afzender ‘Sinterklaas’ dat publiekelijke rectificatie wordt geëist en wordt aangever ‘p diddy’ genoemd. In het bericht dat verdachte onder eigen naam heeft geplaatst op 16 oktober 2023 op het juicekanaal RealityFBI eist verdachte eveneens publiekelijke rectificatie en in de e-mail die verdachte op 29 november 2023 onder haar eigen naam naar verdachte heeft gestuurd zegt zij onder meer ‘P. Diddy is er niks bij’. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat de tekstberichten van een anoniem nummer die zijn gestuurd op 16 februari 2023 en 6, 14 en 28 maart 2023 ook van de hand van verdachte zijn, gelet op het taalgebruik en omdat zij het bericht van 6 maart 2023 heeft afgesloten met haar voornaam, [verdachte] .
Gelet op de context, de specifieke terminologie, de inhoud van de berichten die afkomstig zijn van het onbekende/anonieme nummer alsmede het ontbreken van enige aanwijzing dat een ander achter die berichten zou zitten, gaat de rechtbank ervan uit dat ook deze berichten van verdachte zijn.
De bewijsmiddelen bevestigen dat verdachte, nadat aangever haar had geblokkeerd, contact heeft opgenomen met verschillende vrienden van aangever.
Zo heeft [naam partner] verklaard dat verdachte in januari 2023 contact via Instagram met haar heeft opgenomen om haar te vertellen over de affaire tussen verdachte en aangever. [naam partner] heeft verdachte vervolgens geblokkeerd. Desondanks heeft verdachte op 29 september 2023 nogmaals contact gezocht met [naam partner] via haar Instagram bedrijfsaccount, waarin verdachte [naam partner] en aangever aansprakelijk stelt voor alle schade die zij heeft geleden en waarin verdachte aangever uitmaakt voor narcist en manipulator en waarin zij aangever beticht van het doen van valse aangiftes, intimidatie en het misbruiken van vrouwen.
Een goede vriend van aangever, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), heeft verklaard dat verdachte hem op 10 januari 2023 via Instagram heeft benaderd en tegen hem heeft gezegd dat aangever haar in een vervelende positie heeft gebracht, dat zij excuses van aangever wilde en dat zij haar geld terug wilde. Hierna heeft hij nog verschillende berichten van verdachte ontvangen met het verzoek of hij aangever kon vragen om haar te bellen. Op 7 december 2023 heeft verdachte nog een e-mail aan [naam 3] gestuurd waarin zij aangever beticht van het doen van valse aangiftes en hem beschuldigt van seksueel wangedrag.
Ook [naam 2] , een vrouw waarmee aangever al jarenlang samenwerkt, heeft op 2 november 2023 via Instagram een bericht van verdachte ontvangen, waarin verdachte zegt dat aangever zijn valse aangiftes tegen haar moet intrekken, dat aangever leugens heeft verteld, laster heeft gepleegd, haar kapot wil maken en misbruik van haar heeft gemaakt.
Uit het screenshot van een gesprek met het telefoonnummer van verdachte, eindigend op * [nummer] , blijkt dat verdachte via WhatsApp contact met [naam 1] heeft opgenomen over aangever.
Aan [naam 4] (hierna: [naam 4] ) heeft verdachte op 17 december 2023 via Instagram berichten gestuurd, waarin zij aangever beschuldigt van het doen van valse aangiftes, intimidatie en het misbruiken van vrouwen.
De rechtbank gaat er verder van uit dat verdachte een geluidsfragment op haar openbare Facebookaccount heeft geplaatst waarop te horen is “wanneer gaan we stoute dingen doen?” Aangever heeft verklaard dat hij van [naam 5] (hierna: [naam 5] ) heeft gehoord dat zij een audiobericht van hem had gehoord op de Facebook pagina van verdachte en [naam 5] heeft per e-mail van 25 april 2023, verzonden naar de advocaat van aangever, bevestigd dat zij het bericht, geplaatst op 7 april 2023, met het geluidsfragment op Facebook heeft gezien. [naam 5] heeft verklaard dat zij [aangever] herkende op het geluidsfragment, omdat hij door zowel zijn radio- als televisiewerk, een bekende en vooral herkenbare stem heeft.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte zich herhaaldelijk negatief heeft uitgelaten over [aangever] via het juicekanaal RealityFBI. In de berichten die op dit kanaal worden geplaatst en afkomstig zijn van verdachte, benoemt zij de affaire die zij met aangever heeft gehad, noemt zij aangever een leugenaar, zegt zij dat hij zijn macht heeft misbruikt, beschuldigt zij hem van het doen van valse aangiftes, en daagt zij hem uit voor een
real talkin de vorm van een podcast. Ook eist zij terugbetaling van de door haar gemaakte kosten en een publiekelijke rectificatie. [naam 2] heeft verklaard dat het juicekanaal haar heeft benaderd en dat het juicekanaal vertelde dat verdachte hen zeer veel berichten stuurt over privé communicatie tussen haar en aangever, ze er inmiddels gek van werden en hebben besloten niets meer van haar te plaatsen.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van wederkerigheid in het contact tussen verdachte en aangever, zoals is aangevoerd door de verdediging. Dit blijkt niet uit het dossier en dit verweer is ook niet nader onderbouwd. Uit het dossier blijkt dat aangever verdachte op 7 januari 2023 heeft geblokkeerd en dat hij nog één keer op 10 februari 2023 een bericht naar verdachte heeft gestuurd om haar te zeggen te stoppen met contact te zoeken. Daarna heeft hij haar meteen opnieuw geblokkeerd.
Het is voorstelbaar dat een einde van een affaire gepaard kan gaan met emoties en dat er eenzijdig behoefte bestaat om zaken uit te praten en af te ronden. Het moet verdachte echter duidelijk zijn geweest dat aangever geen contact meer wilde toen hij haar blokkeerde nadat verdachte de vriendin van aangever had ingelicht over de affaire. Verdachte is hierna echter doorgegaan met haar pogingen contact af te dwingen met aangever, ook nadat hij meerdere keren had aangegeven dat hij geen contact meer wilde, nadat een stopgesprek met haar was gevoerd door de politie en zelfs nadat een gedragsaanwijzing aan haar was uitgereikt. Toen verdachte aangever niet meer rechtstreeks kon bereiken, heeft zij dit via zijn omgeving geprobeerd en toen ook dat onvoldoende effect had, is zij overgestapt op sociale media. Dit alles, in combinatie met haar aankondigingen dat verdere stappen of maatregelen zouden volgen als aangever geen contact met haar zou opnemen, heeft een grote impact op het persoonlijke leven van aangever en zijn omgeving gehad en verdachte heeft hiermee de strafrechtelijke grenzen ruim overschreden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de ten laste gelegde gedragingen, zoals hierboven tot uitdrukking gebracht, en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangever zodanig zijn geweest dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde belaging.
De rechtbank gaat uit van 17 december 2023 als einddatum van de belaging te weten de datum van het laatste door de rechtbank te verifiëren bericht van verdachte, te weten het bericht aan [naam 4] en zal daarom de bewezenverklaarde periode beperken tot en met 17 december 2023.
Ten aanzien van feit 2: smaadschrift
De rechtbank moet beoordelen of verdachte aangever hierdoor opzettelijk in zijn eer en goede naam heeft aangetast, met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Onder ‘ruchtbaarheid geven’, zoals bedoeld in artikel 261 Sr Pro, wordt verstaan het ter kennis brengen van de uitlating aan een bredere kring van (voor verdachte) betrekkelijk willekeurige derden.
Telastlegging van een bepaald feit
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift is onder meer vereist dat sprake is van tenlastelegging van een ’bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr Pro. Daarvan is sprake indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst. Voor een bewezenverklaring van smaadschrift is het niet vereist dat komt vast te staan dat de beschuldiging onwaar is. Ook beschuldiging van ware feiten kan strafwaardig zijn.
Uit de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte op haar Facebookaccount een geluidsfragment heeft geplaatst waarop aangever te horen is die zegt “wanneer gaan we stoute dingen doen?” en dat verdachte contact heeft opgenomen met het juicekanaal RealityFBI en met tussenkomst van dit juicekanaal berichten heeft geplaatst over aangever. Op 28 juli 2023 heeft verdachte voorts een bericht op haar openbare Facebookpagina gepost over mannelijk privilege en intimidatie. Daarbij heeft zij kennelijke screenshots van RealityFBI gepost waarin zij aangever onder meer beticht van het doen van valse aangiften jegens haar.
Ook heeft zij, zoals hierboven reeds in het kader van feit 1 is overwogen, derden benaderd. Daarbij beticht zij aangever van het doen van valse aangiften, machtsmisbruik (van vrouwen) en overspel. Dat zijn concrete gedragingen van de ander.
Smadelijk karakter
In het algemeen heeft een beschuldiging een smadelijk karakter wanneer het een min of meer concreet omschreven misdrijf of zodanig omschreven feit betreft dat met de positieve moraal strijdt, iemands eer of goede naam wordt aangerand of waarmee iemand publiekelijk in een ongunstig daglicht wordt gesteld.
Het doen van een valse aangifte is een misdrijf. Machtsmisbruik, en dan ook nog op het seksuele vlak, is evident in strijd met de positieve moraal. In de maatschappij is immers al langere tijd een debat gaande betreffende grensoverschrijdend gedrag, en is er veel aandacht voor (slachtoffers van) seksueel misbruik. Door het in privé opgenomen geluidsfragment met een seksueel getinte lading openbaar te maken, en dan ook nog in de context van misbruik, overspel en het doen van valse aangifte door aangever, wordt aangever in een ongunstig daglicht gesteld. Aangever heeft, door zijn werk als radio-dj in het publieke domein, een herkenbare stem. De rechtbank oordeelt dat de beschuldigingen onmiskenbaar een smadelijk karakter hebben.
Ruchtbaarheid geven
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift is verder vereist dat vast komt te staan dat de verdachte de kennelijke bedoeling heeft gehad om aan de door hem geuite beschuldiging ruchtbaarheid te geven. Onder ‘ruchtbaarheid geven’ als bedoeld in artikel 261 Sr Pro dient te worden verstaan ‘het ter kennis van het publiek brengen’. Met zodanig 'publiek' is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld. Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is hieraan voldaan. Het kennelijke doel van verdachte was om een bredere kring van personen te bereiken en de inhoud verder te verspreiden, nu het geluidsfragment verspreid is op haar openbare Facebook account, waarop zij meer dan 9000 volgers heeft. Aangever heeft verklaard dat hij zich hierdoor aangetast voelde in zijn goede naam en eer, omdat hij een
voice artistis en iedereen die FunX luistert, zijn stem herkent op het geluidsfragment. Dit moet verdachte hebben geweten en verdachte moet ook hebben beoogd dat anderen op de hoogte raakten van het geluidsfragment. Ook ten aanzien van de berichten die verdachte heeft geplaatst op het juicekanaal RealityFBI is voldaan aan het vereiste ‘ruchtbaarheid geven’, aangezien dit een openbaar Instagram account is. Verdachte heeft het geluidsfragment en de berichten op het juicekanaal opzettelijk aan een brede groep verspreid. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat zij berichten heeft verzonden aan vrienden en bekenden van aangever met dezelfde smadelijke aantijgingen en heeft zij een bericht van die strekking op haar Facebookpagina gepost. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het kennelijke doel om aan de door haar geuite beschuldiging ruchtbaarheid te geven.
De inhoud, toon, formulering en context van de berichten die verdachte heeft geplaatst over het overspel van aangever en de beschuldigingen richting hem van het doen van valse aangifte, machtsmisbruik en (seksueel) wangedrag, zijn van ernstige aard en hebben een beledigend en denigrerend karakter. Verdachte heeft daarbij ook aangegeven dat zij enorm boos was op aangever en heeft in de berichten de suggestie gewekt dat zij hem terug wilde pakken. De rechtbank kan het plaatsen van het geluidsfragment en de berichten dan ook niet anders zien dan bedoeld om aangever in een kwaad daglicht te stellen en hem te schaden in zijn sociale en professionele reputatie.
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat verdachte handelde met het opzet om de eer en goede naam van aangever aan te tasten. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan smaadschrift.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op meerdere tijdstippen in de periode van 7 januari 2023 tot en met 17 december 2023 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever] , met het oogmerk voornoemde [aangever] , te dwingen iets te doen en te dulden, immers heeft zij, verdachte, meermalen
- voornoemde [aangever] tekstberichten gestuurd en
- voornoemde [aangever] tekstberichten gestuurd per e-mail en
- de partner van voornoemde [aangever] tekstberichten gestuurd per Instagram en
- vrienden van voornoemde [aangever] tekstberichten gestuurd per Instagram, Whats-app en email en
- op Facebook berichten over voornoemde [aangever] geplaatst en
- op Facebook een geluidsfragment/audiobericht van voornoemde [aangever] geplaatst en
- contact opgenomen met een sociale media kanaal/juice kanaal over voornoemde [aangever] .
ten aanzien van feit 2:
zij op meer tijdstippen in de periode van 7 januari 2023 tot en met 24 december 2023 in Nederland, opzettelijk, de eer en de goede naam van [aangever] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven en door middel van geschriften openlijk tentoongesteld en door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door
- Op haar Facebookaccount een bericht te plaatsen
• waaruit zou blijken dat voornoemde [aangever] overspel met haar zou hebben gepleegd en
• over het zogenaamde machtsmisbruik en wangedrag van voornoemde [aangever] en dat voornoemde [aangever] bij de politie zogenaamde valse aangiften tegen haar had gedaan en
- Op haar Facebookaccount een geluidsfragment/audio-opname te plaatsen waarin voornoemde [aangever] haar zou vragen wanneer zij weer “stoute dingen” gaan doen en
- Contact op te nemen met juice-kanaal Reality FBI over haar relatie/overspel met voornoemde [aangever] en op juice-kanaal Reality FBI te reageren op berichten over haar relatie/overspel met voornoemde [aangever] en het machtsmisbruik en wangedag van voornoemde [aangever] en
- per WhatsApp vrienden en/of collega’s van voornoemde [aangever] te berichten over haar relatie/overspel met [aangever] en het machtsmisbruik en wangedrag van voornoemde [aangever] ;

6.De strafbaarheid van de feiten

Rechtvaardigingsgrond

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte voor feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu zij enkel berichten heeft geplaatst om zichzelf te verdedigen en doet daarmee een beroep op de exceptie van artikel 261 lid Pro 3. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft vanaf het eerste moment consequent dezelfde lezing gegeven. Zij heeft aangifte gedaan. Zij heeft procedures gevoerd. Zij heeft zich tot politie en instanties gewend. Dat gedrag past niet bij iemand die bewust onwaarheden verspreidt. Het past bij iemand die meent slachtoffer te zijn en die haar eigen belangen probeert te beschermen.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Voor ‘noodzakelijke verdediging’ geldt dat de handeling objectief noodzakelijk, gericht op bescherming van een concreet belang en proportioneel moet zijn. Dat verdachte zich moest verdedigen is niet aannemelijk geworden. De feitelijke onderbouwing van dit verweer is daartoe onvoldoende en ook overigens blijkt uit het dossier niet van omstandigheden waartegen verdachte zich zou hebben moeten verdedigen. Om geld terug te krijgen had zij andere (juridische) wegen kunnen en moeten bewandelen. Daarmee is niet voldaan aan noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte komt om die reden geen geslaagd beroep toe op de rechtvaardigingsgrond uit artikel 261 lid 3 Sr Pro.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest en met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, met een proeftijd van twee jaren met daarbij als bijzondere voorwaarde ‘het verwijderen van berichten, geluidsopnames en beelden van aangever van de sociale media accounts van verdachte en deze verwijderd te houden, inclusief een verbod om nieuw materiaal te plaatsen of publiceren’. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met aangever (direct en indirect), inclusief het verbod om anderen te benaderen over aangever, met toepassing van de vervangende hechtenis van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden hechtenis. De officier van justitie heeft gevorderd om de bijzondere voorwaarde en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
8.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft geen verzoeken gedaan met betrekking tot de strafoplegging, gelet op de door haar bepleite vrijspraak.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich, na het verbreken van een affaire, schuldig gemaakt aan belaging en smaadschrift. Zij heeft veelvuldig intimiderende en denigrerende en/of smadelijke berichten en e-mails gestuurd naar aangever, zijn vriendin en zijn vrienden en een (voice)bericht over aangever geplaatst op sociale media, waarin zij hem beschuldigt van overspel, het doen van valse aangiftes, wangedrag en machtsmisbruik. Verdachte heeft door alle gedragingen op indringende wijze en gedurende geruime tijd een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever en zijn omgeving. Zij heeft hem naar zijn vrienden toe en in het openbaar in een kwaad daglicht gesteld. De gevolgen voor aangever zijn op de zitting duidelijk en invoelbaar door zijn advocaat verwoord in de slachtofferverklaring van aangever, waarin hij aangeeft dat het gedrag van verdachte een grote impact heeft gehad op hem en zijn gezin en dat hij jarenlang in angst heeft geleefd. De rechtbank vindt dit gedrag van verdachte zeer kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 29 juni 2026. Hieruit komt – kort gezegd – naar voren dat verdachte zichzelf als slachtoffer ziet en het strafbare karakter van haar handelen ontkent, zoals zij ook op zitting heeft gedaan. Verder komt naar voren dat verdachte haar leven goed op orde heeft. Er is geen sprake van problematiek op het gebied van middelen en/of financiën. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De straf
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij het bepalen van aard en de hoogte van de op te leggen straf beoogt de rechtbank onder meer recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor aangever. De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden bestraft voor haar gedrag, maar vindt het daarbij ook van groot belang dat dergelijk gedrag in de toekomst niet meer plaatsvindt. Net als de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd met een proeftijd, die verdachte ervan zal weerhouden opnieuw de fout in te gaan.
De rechtbank is echter van oordeel dat, ook gelet op de persoon van verdachte en hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd in die zin dat zij de geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf enigszins zal matigen. Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop tussen de bewezenverklaarde feiten en de behandeling van de strafzaak.
Gelet op al het voorgaande, vindt de rechtbank een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
De rechtbank ziet, net als de officier van justitie, aanleiding om aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Ondanks dat aangever duidelijk had gemaakt geen contact meer met verdachte te willen, er met verdachte een stopgesprek is gevoerd en een gedragsaanwijzing aan haar is uitgereikt, is zij het contact blijven zoeken met aangever en zijn omgeving.
Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte het kwalijke en strafbare karakter van haar gedragingen niet inziet en heeft zij verklaard dat zij niet wil dat er een contactverbod met aangever wordt opgelegd. Er zijn ook sterke aanwijzingen dat verdachte nog steeds gepreoccupeerd is door aangever en zich met hem blijft bezig houden. Gelet op deze omstandigheden, acht de rechtbank oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bij uitstek aangewezen teneinde de verdachte ervan te weerhouden aangever (opnieuw) te belagen. De maatregel houdt in een contactverbod met aangever zoals hierna in het dictum nader omschreven.
Gelet op bovenstaande omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan door zich (opnieuw) belastend te gedragen jegens aangever. Daarom zal zij bevelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen noodzaak om aan verdachte ook een bijzondere voorwaarde op te leggen, bestaande uit ‘het verwijderen van berichten, geluidsopnames en beelden van aangever van de social media accounts van verdachte en deze verwijderd te houden, inclusief een verbod om nieuw materiaal te plaatsen of publiceren’. Het gaat hier om een vergaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, terwijl verdachte wel reeds gebonden zal zijn aan het verbod om direct danwel indirect contact met aangever op te nemen en het doen (of op sociale media behouden van) van smadelijke, beledigende, of opruiende uitspraken uiteraard reeds valt onder de algemene voorwaarde om geen strafbare feiten te plegen.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij, [aangever] , vordert een bedrag van € 10.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder vordert de benadeelde partij een bedrag van
€ 5.445,- aan vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen. Ten aanzien van de immateriële schade acht de officier van justitie toewijzing van een bedrag van € 2.500,- redelijk en billijk. Ten aanzien van kosten voor rechtsbijstand heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze vallen onder ‘proceskosten’ en dat de hoogte van de vergoeding van deze kosten moet worden bepaald aan de hand van het liquidatietarief (tarief I). De officier van justitie meent dat € 1662,- kan worden toegwezen, omdat in dit tarief ieder punt gewaardeerd wordt op € 554,- en voor deze zaak drie punten kunnen worden toegekend. De officier van justitie heeft verzocht om deze bedragen toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de immateriële schade en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen vanwege de bepleite vrijspraak van beide feiten en subsidiair dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering ondeugdelijk is onderbouwd en de gevorderde schade niet is beperkt tot schade die rechtstreeks voortvloeit uit de ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
- verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
- de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
- de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Omdat bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift, is de wettelijke grond voor vergoeding van immateriële schade gegeven.
Gelet op de aard, ernst en duur van de bewezenverklaarde feiten, de wijze waarop verdachte de benadeelde partij in zijn persoonlijke levenssfeer heeft aangetast en de gevolgen die dit voor hem heeft gehad en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,-. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen.
Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2026, zijnde de einddatum van de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd en de schade is ontstaan, tot aan de dag van algehele voldoening.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f Sr aan de verdachte opgelegd.
De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Kosten voor rechtsbijstand
Ten aanzien van de gevorderde proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv Pro brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Van een reden om hiervan af te wijken en de daadwerkelijke hogere kosten, zoals gevorderd, te vergoeden is niet gebleken.
Bij de toepassing van het liquidatietarief dient aansluiting te worden gezocht bij de competentieregels voor de civielrechtelijke procedure. Dat wil zeggen dat voor vorderingen tot en met € 25.000,- het Liquidatietarief kanton wordt gehanteerd en voor vorderingen boven € 25.000,- het Liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 1.662,- (drie punten à € 554,- ).

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 261, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1:
belaging
feit 2:
smaadschrift, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
drie maanden.
Bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van
twee jarenop geen enkele wijze - direct of indirect, waaronder begrepen via sociale media - contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [aangever] , geboren op [geboortedatum] , met uitzondering van contact via een rechtshulpverlener in het kader van een legitieme juridische procedure.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
één weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden hechtenis.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] toe tot een bedrag van € 2.500,-(tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 17 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op €1662,- (duizend zeshonderdtweeënzestig euro).
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 2.500,-(tweeduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 17 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. C.P.E. Meewisse en M.E. Kleinherenbrink rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.