ECLI:NL:RBAMS:2026:7486

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/13/775788 / HA ZA 25-1502
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:258 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering op grond van onvoorziene omstandigheden bij verkoop aandelen joint venture

Esco Nederland B.V. en Low Carbon Netherlands Storage Limited (LCNS) waren aandeelhouders in een joint venture en later in een vennootschap voor Battery Energy Storage Systems. Esco vorderde wijziging van de afspraken in de Subscription and Shareholders Agreement (SSA) op grond van onvoorziene omstandigheden, omdat LCNS de aandelen te vroeg en tegen een lagere waarde verkocht, waardoor Esco financieel benadeeld zou zijn.

De rechtbank overweegt dat de SSA uitgebreide bepalingen bevatte over goedkeuring van verkoopbesluiten en een deadlock-regeling, waardoor Esco de verkoop had kunnen blokkeren. Hoewel Esco stelde dat zij praktisch geen invloed had vanwege de dominantie van LCNS en druk door liquiditeitsproblemen, is onvoldoende gebleken dat dit tot onvoorziene omstandigheden leidde.

De rechtbank concludeert dat de situatie niet buiten de contractuele afspraken viel en dat er geen grond is voor aanpassing van de overeenkomst op basis van artikel 6:258 BW Pro. De vordering wordt afgewezen en Esco wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op €19.639,00 plus wettelijke rente en nakosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Esco af en veroordeelt Esco in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/775788 / HA ZA 25-1502
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
ESCO NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: Esco,
advocaat: mr. A. Robustella,
tegen
LOW CARBON NETHERLANDS STORAGE LIMITED,
gevestigd te London (Verenigd Koninkrijk),
gedaagde partij,
hierna te noemen: LCNS,
advocaat: mr. H.T. Verhaar.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 4 februari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 23 augustus 2017 hebben Esco en Low Carbon Limited (hierna: LC Limited) als joint venture LC Energy B.V. (hierna: joint venture) opgericht. Het doel van de joint venture is het ontwikkelen van grootschalige zonne-energieprojecten in Nederland. Het aandelenkapitaal is daarbij 50 / 50 verdeeld tussen Esco en LC Limited. Het bestuur van de joint venture bestaat uit twee bestuurders die door Esco zijn aangeleverd en twee die door LC Limited zijn aangeleverd.
2.2.
In 2021 is op initiatief van het managementteam van de joint venture een nieuwe activiteit ontwikkeld: Battery Energy Storage Systems (BESS).
2.3.
Op 1 februari 2022 is er een presentatie gegeven met de naam
“LC Energy: Future Strategy, the next 4 years”(hierna: de presentatie).
2.4.
Voor de nieuwe activiteit is op 26 april 2023 LC Energy Grid Services B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. 75% van de aandelen van de vennootschap wordt gehouden door LC Limited en de overige 25% door Esco. Het bestuur van de vennootschap wordt gevormd door vier bestuurders, wederom twee vanuit Esco en twee vanuit LCNS.
2.5.
De door partijen gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de Subscription and Shareholders Agreement van 4 mei 2023 (hierna: de SSA). Hierin staat, voor zover relevant:
2. Initial Subscriptions2.1 At Completion, Esco NL and Low Carbon shall subscribe for the following shares as set out in the table below:
Subscriber
No. of Shares to be allotted
Total subscription monies (€)
Low Carbon
150 Ordinary Shares
150
Low Carbon
1 Non-Voting Cumulative Preference Share
1
Esco NL
50 Ordinary Shares
50
Total
200 Ordinary Shares and 1 Non-Voting Cumulative Preference Share
201

9.Reserved Matters9.1 Without prejudice to any other provisions of this Agreement, the Parties shall exercise all rights available to them to ensure that none of the Shareholders, the Company, the Board, the SPVs of the boards of directors of the SPVs shall take or agree to take any action referred to in Schedule 3 (Reserved Matters) except with the prior written consent of both Shareholders.

(…)
(…)
2.6.
In ‘Schedule 3’ van de SSA staat onder andere:

1.Shareholder reserved matters(…)

1.8
Transfer of some or all shares held by any Shareholder.
2.7.
Vanaf begin 2024 hebben LC Limited en Esco onderzocht of zij de aandelen in de joint venture zouden verkopen.
2.8.
Op 17 september 2024 zijn LCNS en Esco met S4 Energy B.V. exclusiviteit overeengekomen ten aanzien van de onderhandelingen voor een verkoop. Op 22 oktober 2024 is de joint venture verkocht.

3.Het geschil

3.1.
Esco vordert – na vermindering van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de afspraken tussen partijen, zoals vastgelegd in de SSA, wijzigt dan wel aanvult in die zin dat de rechtbank vaststelt dat Esco en LCNS beide aanspraak hebben op 50% van de totale koopprijs voor de aandelen, bestaande uit een direct betaalde koopprijs van € 30.000.000,- en een bedrag aan uitgestelde koopprijs die afhankelijk van de resultaten kan oplopen tot een bedrag van € 17.000.000,-;
II. LCNS veroordeelt tot betaling aan Esco van de bedragen van € 5.542.535,20 en € 208.296,22, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. LCNS voorwaardelijk, te weten voor het geval de deferred/uitgestelde koopprijs voor de Aandelen, maximaal groot € 17.000.000,- door de koper wordt voldaan, veroordeelt tot betaling aan Esco van het bedrag van maximaal groot
€ 5.542.535,20, althans een bedrag gelijk aan 25% van de deferred/uitgestelde en daadwerkelijk uitgekeerde koopprijs;
IV. LCNS veroordeelt in de kosten van de procedure, alsmede de nakosten.
3.2.
Esco legt aan haar vordering ten grondslag dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden ex artikel 6:258 BW Pro. Er is namelijk van een leemte gebleken in de SSA. De SSA voorziet niet in de situatie dat, indien de aandelen op een bedrijfseconomisch onlogisch moment worden verkocht, er een financiële compensatie aan Esco wordt geboden vanwege het niet gecompenseerd worden voor het instemmen met de 75% - 25% verdeling en het mislopen van in het vooruitzicht gestelde rendement.
Daarnaast is ook niet voorzien in de situatie dat LC Limited of LCNS eind 2023 genoodzaakt zou worden om de aandelen te verkopen om een aan haar kant gerezen liquiditeitsprobleem op te lossen. Zou deze situatie zijn voorzien, dan zou Esco nooit hebben ingestemd met een 25% - 75% verdeling en de gemaakte afspraken in de SSA.
3.3.
LCNS voert verweer. LCNS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Esco, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Esco, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Esco in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Esco beroept zicht op onvoorziene omstandigheden en vraagt daarbij om aanpassing van de afspraken uit de SSA. Zij licht dat als volgt toe.
4.2.
Bij de oprichting van de vennootschap zijn partijen overeengekomen dat er voor de nieuwe bedrijfsactiviteit een budget van € 7.250.000,- zou worden gereserveerd. Esco verwijst daarvoor naar de presentatie van 1 februari 2022. Daarin is een termijn opgenomen van 2022 – 2027 om de nieuwe activiteit optimaal te ontwikkelen met het oog op maximaal resultaat. Daarnaast zijn bij de oprichting van de vennootschap een aantal projecten van de joint venture overgeheveld naar de vennootschap, zonder dat daar een reële koopprijs tegenover stond. Esco is daarmee, en ook met de 75% - 25% verdeling, enkel akkoord gegaan omdat zij de gerechtvaardigde verwachting had dat die projecten een maximale ontwikkeling zouden meemaken en een maximale waarde zouden bereiken.
4.3.
Toen LCNS echter besloot om acht maanden na de oprichting van de vennootschap de aandelen te verkopen, was er maar € 3.000.000,- geïnvesteerd, in plaats van de afgesproken € 7.250.000,-. Daarnaast is het moment van verkoop een economisch onlogisch moment, omdat de maximale marktwaarde nog niet was bereikt. Hiermee viel voor Esco ook de rechtvaardiging voor de bedongen 75% - 25% verhouding weg.
4.4.
LCNS betwist dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden. Bij de oprichting van de vennootschap was het de bedoeling dat de aandelen op enig moment zouden worden verkocht. Partijen hebben niet afgesproken dat dit pas vanaf een specifiek moment mocht, een zogenoemde exithorizon of lock-up periode. Daarnaast hebben partijen een regeling opgenomen ten aanzien van de verkoop van de aandelen. Voor een beroep op onvoorziene omstandigheden is hier dan ook geen ruimte. Ten aanzien van het bedrag van € 7.250.000,- heeft LCNS aangevoerd dat de presentatie waarop Esco zich baseert enkel een verkennend karakter had. Daarnaast zijn er in de presentatie meerdere scenario’s besproken. Het bedrag van € 7.250.000,- was één van de scenario’s. Uiteindelijk zijn partijen na onderhandelingen uitgekomen op de afspraken opgenomen in de SSA.
Toetsingskader
4.5.
Op grond van artikel 6:258 lid 1 BW Pro kan de rechter op verlangen van één der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
4.6.
Voor een geslaagd beroep op dit artikel zal allereerst moeten komen vast te staan dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. Daarmee wordt gedoeld op omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan, terwijl partijen bij het sluiten van de overeenkomst geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van het intreden van die omstandigheden. Niet van belang is of (één van de) partijen die omstandigheden hadden kunnen voorzien of hadden behoren te voorzien. Van belang is uitsluitend of zij de mogelijkheid van het intreden van die omstandigheden uitdrukkelijk of stilzwijgend in de overeenkomst hebben verdisconteerd (Parl. Gesch. Boek 6, p. 971).
Geen onvoorziene omstandigheden
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat er van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW Pro geen sprake is. Allereerst geeft de SSA beide partijen de mogelijkheid om verkoop van de aandelen te blokkeren, bijvoorbeeld tot nadat er een bedrag van
€ 7.250.000,- is geïnvesteerd of tot een bepaalde datum. LCNS heeft terecht betoogd dat partijen voor de verkoop van aandelen een uitgebreide regeling hebben getroffen in de SSA via de ‘
Reserved Matters’bepaling. In die bepaling is tot op aandeelhoudersniveau geregeld voor welke besluiten goedkeuring was vereist. Daarnaast voorziet de SSA in een Deadlock-regeling voor het geval partijen het niet eens zouden worden. Met andere woorden: de SSA voorziet in de situatie dat LCNS de aandelen op een voor Esco suboptimaal moment wilde verkopen. Esco had de mogelijkheid om voor een eventuele verkoop te gaan liggen en dat heeft zij niet gedaan en zij heeft bij haar bereidheid tot verkoop ook geen voorbehouden gemaakt.
4.8.
Esco heeft daarover verklaard dat zij die mogelijkheid juridisch misschien wel had, maar praktisch gezien niet. Het was in de praktijk namelijk LCNS die alle touwtjes in handen had en degene die bepaalde welke besluiten er genomen moesten worden. Als Esco daar niet in meeging, dan kon dat discontinuïteit opleveren dat zou afstralen op de joint venture. Daarbij heeft LCNS de druk opgevoerd bij het verkoopproces door liquiditeitsproblemen te benoemen als argument om het verkoopproces te versnellen. Esco had weinig keus dan om mee te werken aan de verkoop en zij heeft dat dan ook gedaan onder protest.
4.9.
De rechtbank overweegt dat het in het midden kan blijven of LCNS liquiditeitsproblemen heeft gebruikt als argument. Partijen zijn bij het gehele traject, van het aangaan van de SSA tot het verkopen van de aandelen bijgestaan door professionele partijen, hetgeen ook heeft geresulteerd in de waarborgen zoals hierboven al genoemd. Daarnaast is ook onvoldoende gebleken dat er daadwerkelijk een dusdanige druk is uitgeoefend door LCNS. Het had dan ook op de weg van Esco gelegen om die stelling verder te motiveren. Dit betekent dat de vordering van Esco zal worden afgewezen.
Proceskostenvergoeding
4.10.
LCNS stelt dat Esco veroordeeld moet worden voor een hogere dan de gebruikelijke proceskostenvergoeding. De vordering van Esco is namelijk zo evident ongegrond dat zij deze achterwege had moeten laten.
4.11.
De rechtbank overweegt dat veroordeling in de in werkelijk gemaakte kosten slechts voor toewijzing in aanmerking komt, indien er sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanvangen van een procedure. Het gaat aldus om een hoge drempel, waarbij terughoudendheid gepast is.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door Esco. Het enkele feit dat de vordering – volgens LCNS - weinig kans maakte op toewijzing, maakt niet zonder meer dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Rechtszoekenden zijn vrij om toegang tot de burgerlijke rechter te zoeken.
4.13.
Esco is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LCNS worden begroot op:
- griffierecht
10.188,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
19.639,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
5.1.
wijst de vorderingen van Esco af,
5.2.
veroordeelt Esco in de proceskosten van € 19.639,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Esco niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Esco tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.