ECLI:NL:RBAMS:2026:7487

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
12208048 \ CV EXPL 26-6242
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 108 lid 2 RvArt. 74 lid 1 RvArt. 110 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident en verwijzing naar kantonrechter Gelderland in geschil over levering kantoorcontainers

In deze civiele procedure vordert Artillerie Inrichtingen Armaments B.V. (AIA) ontbinding van een overeenkomst met [gedaagde 1] B.V. wegens niet-levering van twee kantoorcontainers en betaling van een aanbetaling. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam en stellen dat de kantonrechter Gelderland bevoegd is, omdat het forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden niet geldig is.

De rechtbank onderzoekt het incident en stelt vast dat de vordering van AIA onder de drempel van € 25.000,- blijft en dat er geen uitzonderingssituaties zijn die het forumkeuzebeding doen gelden. Daarom kan AIA zich niet op het forumkeuzebeding beroepen en is de rechtbank Amsterdam onbevoegd.

De zaak wordt verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie [woonplaats]. AIA wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op € 361,-. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de kantonrechter Gelderland; AIA wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12208048 \ CV EXPL 26-6242
Vonnis in incident van 23 juli 2026
in de zaak van
ARTILLERIE INRICHTINGEN ARMAMENTS B.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: AIA,
gemachtigde: mr. S.J. Macro,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. B. Coskun.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 april 2026, met producties,
- de incidentele conclusie inzake de exceptie relatieve onbevoegdheid,
- conclusie van antwoord incidentele conclusie tot onbevoegdheid,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten, voor zover van belang in het incident

2.1.
AIA is een vennootschap die zich bezighoudt met activiteiten op het gebied van defensie, veiligheid en beveiliging.
2.2.
[gedaagde 1] opereert in het handelsverkeer onder de naam “[naam]”. [gedaagde 2] is enig bestuurder van [gedaagde 1].
2.3.
Op 20 mei 2025 is op verzoek van AIA aan haar een offerte uitgebracht voor twee kantoorcontainers voor een bedrag van € 15.827,76 excl. btw. Op de offerte staat [gedaagde 1] als contractspartij.
2.4.
Op 12 juni 2025 heeft AIA de order geplaatst. De overeengekomen levertijd voor de containers bedroeg acht weken na betaling.
2.5.
Op 23 juni 2025 heeft AIA een aanbetaling van € 9.496,66 gedaan.
2.6.
In de maanden daarna heeft AIA meerdere malen contact gezocht over de stand van zaken met betrekking tot de levering van de containers. Nadat AIA meerdere keren te horen kreeg dat er sprake was van vertraging, heeft zij op 23 oktober 2025 een e-mail gestuurd met als onderwerp
‘CANDELLATION OF ORDER’.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
AIA vordert - samengevat -, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de overeenkomst van 12 juni 2025 tussen AIA en [gedaagde 1] rechtsgeldig is ontbonden per 23 oktober 2025 en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (naar de rechtbank begrijpt: hoofdelijk) te veroordelen tot betaling van € 9.496,66 plus rente en kosten.
3.2.
AIA legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekortgeschoten is in nakoming van de overeenkomst. De twee kantoorcontainers zijn namelijk nog steeds niet geleverd. AIA spreekt daarnaast [gedaagde 2] aan op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde 2] is als bestuurder van [gedaagde 1] verbintenissen aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.
3.3.
[gedaagden] hebben nog niet van antwoord gediend.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagden] vorderen in incident dat de kantonrechter te Amsterdam zich onbevoegd verklaard, met veroordeling van AIA in de kosten van het incident. [gedaagden] leggen hieraan ten grondslag dat AIA de hoofdzaak heeft aangebracht in Amsterdam op grond van het forumkeuzebeding in de algemene voorwaarden, maar dat beding is niet geldig. [gedaagden] hebben namelijk nooit de algemene voorwaarden ter hand gesteld aan AIA. Volgens [gedaagden] is de kantonrechter van de rechtbank Gelderland bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
4.2.
AIA voert verweer. Volgens AIA maken de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] wel deel uit van de overeenkomst en is het forumkeuzebeding geldig.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Artikel 108 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beperkt in een aantal gevallen de werking van een forumkeuze. Uitgangspunt is dat een forumkeuze geen gevolg heeft als sprake is van vorderingen tot € 25.000,00 of als sprake is van een arbeidszaak, consumentenzaak of huurzaak. Daarop zijn twee uitzonderingen: 1) als de forumkeuze is overeengekomen na het ontstaan van het geschil of 2) als de werknemer, de partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel de huurder zich tot de aangewezen rechter wendt.
5.2.
Het gaat in deze zaak om een vordering tot € 25.000,00 en van een uitzonderings-situatie als hiervoor bedoeld is niet gebleken. Dat betekent dat AIA zich in deze zaak niet op het forumkeuzebeding kan beroepen indien dat tussen partijen rechtsgeldig is overeengekomen. Het geschil zal daarom worden verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Gelderland nu gedaagden woonachtig, dan wel gevestigd zijn in [woonplaats].
5.3.
AIA stelt dat de kosten van het incident voor rekening moeten blijven van [gedaagden], omdat [gedaagden] een incident hebben opgeworpen op onjuist feitelijke gronden, namelijk dat de algemene voorwaarden nooit ter hand zijn gesteld en niet op grond van artikel 108 lid 2 Rv Pro. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Dat een bevoegdheidsincident gegrond wordt bevonden op een grond die niet is aangevoerd, betekent niet dat de in het gelijkgestelde partij daarom geen recht zou hebben op een proceskostenvergoeding.
5.4.
AIA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op € 217,- (1 x € 217,-) aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Totaal: € 361,-.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak,
6.2.
de hoofdzaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie [woonplaats],
6.3.
wijst partijen erop dat voor voortzetting van de procedure vereist is dat een van partijen de overige partijen bij exploot oproept tegen een nieuwe roldatum (artikel 74 lid 1 jo Pro artikel 110 lid 2 Rv Pro),
6.4.
veroordeelt AIA in de proceskosten in dit incident, aan de zijde van [gedaagden] tot dit vonnis vastgesteld op € 361,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de kosten van betekening als AIA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2026.