Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
hierna te noemen: RB,
1.De procedure
- de akte van RB van 1 april 2026 met producties; en
2.Het tussenvonnis en de aanvullende standpunten van partijen
3.De verdere beoordeling
.
“risico’s delen”aan het slot van de hiervoor geciteerde e-mail, kan deze afspraak niet anders worden begrepen dan dat de betalingssystematiek die gold voor de maand april ook zou gaan gelden voor de resterende maanden. De rechtbank acht hierbij van belang dat RB in haar e-mail aan [gedaagde] van 9 april 2024 heeft benadrukt dat zij niet bereid was om alle risico’s op zich te nemen en de Overeenkomst onder dezelfde voorwaarden voort te zetten en partijen vervolgens op 10 april 2024 met elkaar om de tafel zijn gegaan. Vaststaat dat partijen tijdens deze bijeenkomst voor de maand april hebben afgesproken dat RB de tweede helft van het maandbedrag pas zou moeten betalen als [gedaagde] de afgesproken onderdelen die maand naar behoren zou opleveren. De woorden
“risico’s delen”kunnen tegen deze achtergrond niet anders worden begrepen dan dat RB betaling van de tweede helft van het maandbedrag achterwege mocht laten als [gedaagde] de afgesproken onderdelen die maand niet naar behoren zou opleveren. Bij een andere uitleg van de afspraken valt immers niet in te zien welk risico [gedaagde] daarmee op zich zou nemen. Aldus wordt RB op dit punt gevolgd, in de zin dat de afspraken van 10 april 2024 meebrengen dat zij de tweede helft van het maandbedrag in de resterende maanden alleen moest betalen als [gedaagde] de afgesproken onderdelen die maand naar behoren zou opleveren. Dat partijen in de resterende maanden geen (schriftelijke) afspraken meer hebben gemaakt over de door [gedaagde] op te leveren onderdelen, doet hier niet aan af. Uit de WhatsApp-berichten van [naam 2] (RB) aan [naam 3] ( [gedaagde] ) van 30 mei 2024 blijkt dat RB (zeer) ontevreden was over de prestaties van [gedaagde] in die maand en (kort) daarna heeft [gedaagde] haar werkzaamheden voor RB definitief stilgelegd. Het is dan ook begrijpelijk dat partijen geen afspraken meer hebben gemaakt over de door [gedaagde] op te leveren onderdelen. Het voorgaande brengt mee dat RB voor de maand mei nog één deelbetaling van € 6.043,95 aan [gedaagde] dient te voldoen. Een redelijke uitleg van de afspraken van 10 april 2024 brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat RB voor de resterende maanden geen vergoeding meer aan RB hoeft te betalen.