ECLI:NL:RBAMS:2026:7566

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/13/790040 - FA RK 26/5092
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:7 lid 2 WvggzArt. 10:11 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing klacht tegen verplichte medicatie en opname in kader Wvggz

Verzoeker, die onder een zorgmachtiging valt, klaagde bij de klachtencommissie over de toepassing van verplichte zorg, waaronder medicatie, opname en insluiting. De klachtencommissie verklaarde deze klachten ongegrond. Verzoeker wendde zich vervolgens tot de rechtbank met het verzoek deze beslissing te vernietigen en alsnog de klachten gegrond te verklaren.

Tijdens de mondelinge behandeling lichtten de behandelaars toe dat verzoeker lijdt aan een psychische stoornis waarvoor medicamenteuze behandeling noodzakelijk is. De rechtbank stelde vast dat de zorgmachtiging en de aanzegging van verplichte zorg zorgvuldig en proportioneel zijn genomen, mede gelet op de ernst van de situatie en het weigeren van medicatie door verzoeker in de thuissituatie.

De rechtbank oordeelde dat de behandeling in een klinische setting noodzakelijk en doelmatig is en dat de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn nageleefd. De klacht over de medicatie en opname werd daarom ongegrond verklaard. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de klacht niet gegrond was.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht tegen verplichte medicatie en opname ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/790040 – FA RK 26/5092
Beslissing over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 en Pro 10:11 van de Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg (Wvggz).
Beschikking van 21 juli 2026van de rechtbank Amsterdam op het ingediende verzoekschrift van:
[vezoeker],
eerder bekend en ingeschreven onder de naam
[naam 1],
geboren op [geboortedatum] 1981,
wonende te [adres 1],
verblijvende te [adres 2],
zorgaanbieder: Arkin, locatie [locatie],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. K.R. Lieuw On te Amsterdam,
tegen de beslissing van de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) van 11 mei 2026.
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
de zorgaanbieder Arkin,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de zorgaanbieder.

1.Procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen door de griffie op 24 juni 2026;
- aanvullend verweerschrift van de zorgaanbieder, ontvangen door de griffie op 15 juli 2026;
- aanvullende stukken tijdens de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling van de het onderhavige verzoek heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026 in de accommodatie van Arkin, locatie [locatie]. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door een tolk Engels;
- bovengenoemde advocaat;
- dhr. [naam 2], psychiater;
- mw. [naam 3], verpleegkundig specialist bij FACT.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 19 januari 2026 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. De zorgmachtiging voorziet onder meer in de mogelijkheid bij wijze van verplichte zorg te kunnen overgaan tot het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, het opnemen in een accommodatie en insluiten.
2.2.
Bij beslissing van 2 april 2026 en 6 mei 2026 heeft de zorgverantwoordelijke het verlenen van verplichte zorg aangezegd.
2.3.
Op 20 april 2026 en 6 mei 2026 heeft verzoeker bij de klachtencommissie klachten ingediend. Verzoeker klaagt over kort gezegd, de toepassing van verplichte zorg in de vormen van toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, het opnemen in een accommodatie en het insluiten.
2.4.
De zorgverantwoordelijke heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
2.5.
De klachtencommissie heeft op 11 mei 2026 de klachten van verzoeker ongegrond verklaard. De beslissing is op 19 mei 2026 aan verzoeker toegezonden.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoeker kan zich niet verenigen met de beslissing van de klachtencommissie. Verzoeker
verzoekt het besluit van 11 mei 2026 van de klachtencommissie te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen de klachten van verzoeker alsnog gegrond te verklaren en te bepalen dat verweerder is gehouden de door verzoeker geleden schade naar redelijkheid en billijkheid te vergoeden.

4.De standpunten

Verzoeker
4.1.
Het standpunt van verzoeker blijkt uit het verzoekschrift. Verzoeker voert inhoudelijk verweer tegen het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie. Verzoeker meent dat de medicatie juist een averechts effect geeft. Verzoeker heeft toegelicht dat hij met een alternatieve therapie en in een andere omgeving beter tot rust kan komen en dat de verplichte medicatie en een opname voor hem dus niet doelmatig is, laat staan het ingesloten zijn op zijn kamer in de eerste periode in de huidige kliniek.
4.2.
De advocaat van verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling verwezen naar de in het verzoekschrift opgenomen gronden waarop het verzoek is gebaseerd. Daarnaast heeft de advocaat een pleitnota overgelegd, welke aan het dossier is toegevoegd.
Verweerder
4.3.
De verpleegkundig specialist heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij zich kan vinden in de uitspraak van de klachtencommissie. Volgens de verpleegkundig specialist is bij verzoeker sprake van een psychische stoornis, waarvoor medicamenteuze behandeling, zoals voorgeschreven door het behandelteam, noodzakelijk is. De verpleegkundig specialist heeft voorts aangegeven dat meerdere meldingen over verzoeker waren binnengekomen en dat hij als gevolg van zijn gedrag het risico liep zijn woning te verliezen. Ter onderbouwing heeft de verpleegkundig specialist e-mailberichten overlegd, welke aan het dossier zijn toegevoegd. Uit deze berichten blijkt welke feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegen aan de aanzegging van de verplichte zorg. Ook blijkt hieruit dat overleg is geweest met de hypno- en bioresonantietherapeute, waaruit blijkt dat deze therapie naast de reguliere therapie kan worden gegeven.
4.4.
De psychiater heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij persisteert bij het eerder ingenomen standpunt. Ook de proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn zorgvuldig afgewogen. De voorgeschiedenis laat zien dat eerdere psychotische decompensaties vrijwel steeds samenhingen met het staken van medicatie en dat behandeling met antipsychotica juist leidde tot stabilisatie en het voorkomen van ernstig nadeel.

5.De beoordeling

5.1.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoeker ontvankelijk is zijn verzoek, aangezien het verzoek
binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro gestelde termijn van zes weken na de dag waarop de beslissing
van de klachtencommissie aan verzoeker is meegedeeld bij de rechtbank is ingediend.
5.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en overweegt daartoe als volgt.
Met betrekking tot de medicatie
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken is gebleken dat verzoeker lijdt aan een
psychische stoornis. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de diagnose zoals die is gesteld
door de behandelend psychiater en de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring die ten
grondslag lag aan de zorgmachtiging van 19 januari 2026. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de behandelaren in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder het toedienen van medicatie kon worden afgewend en dat deze verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief was. Voorts is voldoende aannemelijk dat bij de beslissingen tot dwangmedicatie de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid in acht zijn genomen. Ook is contact gezocht met de hypno- en bioresonantietherapeute, waaruit bleek dat de (antipsychotische) medicatie die therapie niet in de weg zat. De rechtbank acht dit een zorgvuldige wijze van handelen. Dit klachtonderdeel acht de rechtbank dan ook ongegrond.
Met betrekking tot de opname, beperken van de bewegingsvrijheid en het insluiten
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker in de thuissituatie zijn medicatie weigerde, hetgeen heeft geleidt tot verslechtering van zijn toestandsbeeld. Om het ernstig nadeel af te kunnen wenden en het toestandsbeeld van verzoeker te stabiliseren, was behandeling in een gesloten setting vervolgens noodzakelijk om betrokkene te stabiliseren en wederom in te stellen op medicatie. De rechtbank acht aannemelijk dat deze behandeling thans uitsluitend in een klinische setting op verantwoorde wijze kan plaatsvinden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verzoeker zich niet kan verenigen met de noodzaak van de behandeling en de benodigde medicatie niet vrijwillig accepteerde en toediening van dwangmedicatie in de thuissituatie onwenselijk is. Onder deze omstandigheden is een voortzetting van de behandeling in een klinische setting noodzakelijk. Dat de eerste nachten van opname betrokkene ’s deur werd gesloten om betrokkene weer in een normaal dag- en nachtritme te krijgen en de rust op de afdeling te bewaren acht de rechtbank, met de klachtencommissie eveneens noodzakelijk en doelmatig.
5.5.
De raadsman van betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie die heeft geleid tot het aanzeggen van de verplichte zorg onvoldoende onderbouwd is en niet was voorzien van bijvoorbeeld politiemutaties of andere schriftelijke stukken. De rechtbank deelt deze zienswijze niet. In beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de informatie die de behandelaars naar voren brengen. Ook omtrent wat zij van de politie of omwonenden hebben gehoord. Dit kan anders worden indien betrokkene aannemelijk maakt dat die informatie onjuist is. Dat is hier niet het geval. De rechtbank is, net als de klachtencommissie, dan ook van oordeel dat de klacht van verzoeker ongegrond is.
Schadevergoeding
5.6.
Nu de door verzoeker ingediende klacht ongegrond wordt verklaard, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding ten aanzien van verzoeker. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding dan ook af.

6.Beslissing

De rechtbank:
6.1.
verklaart de klacht van verzoeker ongegrond;
6.2.
wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.B. Martens, rechter, bijgestaan door mr. L.F. Datema als griffier op 23 juli 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.