ECLI:NL:RBAMS:2026:757

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
13-323497-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 lid 3 kaderbesluit 2002/584/PVRArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse staatsburger aan Oostenrijk op basis van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Landesgericht für Strafsachen Wien, gericht op de overlevering van een Nederlandse staatsburger verdacht van strafbare feiten volgens Oostenrijks recht.

Tijdens de procedure heeft de verdediging aangevoerd dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 Overleveringswet Pro, met name vanwege onduidelijkheid over de mate van betrokkenheid en het specialiteitsbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB en het bijbehorende A-formulier voldoende duidelijkheid bieden over de feiten en de rol van de opgeëiste persoon, waardoor het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd.

De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten deels lijstfeiten zijn waarvoor geen dubbele strafbaarheid hoeft te worden getoetst, en dat voor de overige feiten aan de dubbele strafbaarheidsvereisten is voldaan. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie dat een eventuele straf in Nederland kan worden uitgezeten, welke door Oostenrijk is toegezegd.

De rechtbank verwierp de weigeringsgrond op grond van artikel 13 Overleveringswet Pro, ondanks dat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd, omdat het Nederlandse Openbaar Ministerie geen vervolging beoogt en het onderzoek in Oostenrijk plaatsvindt. Verzoeken tot schorsing van de overleveringsdetentie werden afgewezen wegens het toenemende vluchtgevaar.

Uiteindelijk stond de rechtbank de overlevering toe, waarbij geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse staatsburger aan Oostenrijk toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-323497-25 (EAB 2)
Datum uitspraak: 29 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 9 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 november 2025 door het
Landesgericht für Strafsachen Wien, Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 23 december 2025
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters, waarnemend voor mr. J. de Vries, beiden advocaat in Zaandam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Met instemming van partijen is bepaald dat de rechtbank op de zitting van 13 januari 2026 het onderzoek enkelvoudig zal sluiten waarna direct uitspraak wordt gedaan.
Zitting van 13 januari 2026
De rechtbank heeft op de uitspraakzitting van 13 januari 2026 de behandeling van het EAB niet gesloten omdat op de dag van de uitspraakzitting het bericht is binnengekomen dat het EAB in de zaak met parketnummer 13-255611-25 (EAB 1) is ingetrokken.
E-mailcorrespondentie van 15 januari 2026
Op 15 januari 2026 hebben, op verzoek van de rechtbank, de raadsman en de officier van justitie schriftelijk hun standpunten naar voren gebracht naar aanleiding van de informatie over de intrekking van het EAB in de zaak met parketnummer 13-255611-25. Beiden hebben ermee ingestemd dat de rechtbank op 29 januari 2026 het onderzoek enkelvoudig zal sluiten waarna direct uitspraak zal worden gedaan.
Voor sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een door de rechtbank goedgekeurd aanhoudingsbevel met dossiernummer 411 St 132/23h.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en dat overlevering daarom moet worden geweigerd. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de in het EAB genoemde feiten ontbreekt. Daarnaast is vermeld dat opgeëiste persoon verdacht wordt van lidmaatschap van een criminele organisatie, maar dit is niet aangekruist als lijstfeit, noch is de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon benoemd. Deze redenen maken de naleving van het specialiteitsbeginsel niet mogelijk.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt aangeduid als dader waardoor de mate van betrokkenheid duidelijk is. Daarnaast gaat het hier om een vervolgings-EAB waardoor het precieze feitencomplex nog niet geheel uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Wel is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd. Hiermee is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB en in combinatie met het A-formulier voldaan aan deze eisen. De opgeëiste persoon wordt aangeduid als dader en daarmee is de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon voldoende duidelijk. Het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een aantal strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten, voor zover die niet onder het lijstfeit vallen – gelet op de kwalificaties zoals vermeld in onderdeel E2 van het EAB – niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het
Landesgericht für Strafsachen Wienheeft de volgende garantie gegeven:
“Het Landesgericht für Strafsachen Wien (Landelijk Strafgerecht Wenen) heeft de eer om met betrekking tot de overlevering van de Nederlandse staatsburger[de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] -1990, de volgende gevraagde garantieverklaring af te geven:
Het Landesgericht für Strafsachen Wien garandeert overeenkomstig artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit van de Raad betreffende de EHB en de overleveringsprocedures tussen de lidstaten (2002/584/PVR) en op verzoek van het Openbaar Ministerie te Amsterdam en het Openbaar Ministerie te Wenen dat[de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1990, in geval van overlevering aan de Republiek Oostenrijk na afloop van de strafprocedure aan Nederland zal worden teruggestuurd voor de tenuitvoerlegging van de straf, op voorwaarde dat na de overlevering een vrijheidsstraf of andere vrijheidsbenemende maatregel tegen deze persoon wordt opgelegd en de persoon zelf dit wenst.
Het Landesgericht für Strafsachen Wien garandeert voorts dat de overgedragen persoon in de loop van de procedure officieel zal worden geïnformeerd over zijn recht om te verzoeken om de gevangenisstraf of andere vrijheidsbenemende maatregel in Nederland uit te zitten. [..]”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek in Oostenrijk is aangevangen, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de drugs in Oostenrijk zijn ingevoerd en daar in beslag zijn genomen en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank is van oordeel, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, dat de omstandigheid dat de feiten geheel of gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Geen samenloop; overleveringsdetentie

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft in zijn e-mail van 15 januari 2026 verzocht om na de uitspraak de overleveringsdetentie te schorsen tot het moment dat de feitelijke overlevering kan worden gerealiseerd, omdat geen sprake is van vluchtgevaar. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon zich tijdens de overleveringsprocedure aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Daarbij heeft hij nog benadrukt dat de opgeëiste persoon op elke zitting is verschenen (vergezeld door een zorgvuldig ingepakte tas kleren voor het geval de schorsing van zijn overleveringsdetentie opgeheven zou worden), ook op de laatste zitting waarbij de opgeëiste persoon ervan uitging dat hij zeker feitelijk overgeleverd zou gaan worden voor een ander EAB (EAB 1). Hieruit volgt dat hij zich absoluut niet wil onttrekken aan een feitelijke overlevering wat reden zou moeten zijn om in deze zaak af te wijken van het uitgangspunt dat met de uitspraak ook de schorsing van de overleveringsdetentie wordt opgeheven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in reactie hierop bij e-mailbericht van 15 januari 2026 verzet tegen het verzoek van de raadsman, nu schorsing na uitspraak slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken. Daarnaast neemt het vluchtgevaar toe indien de overlevering is toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zich tot op heden feitelijk in (geschorste) overleveringsdetentie bevond voor EAB 1, waar heden eveneens op wordt beslist. EAB 1 betreft een Belgisch verzoek om overlevering, dat later werd ingetrokken. In verband daarmee is van samenloop van verzoeken tot overlevering geen sprake. De (geschorste) overleveringsdetentie voor EAB 1 wordt opgeheven.
Voor het onderhavige EAB heeft de rechtbank, zoals hiervoor vermeld, voor sluiting op voet van artikel 27 lid 2 OLW Pro de gevangenhouding bevolen. De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie tot aan de feitelijke overlevering af. Een dergelijke schorsing is slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde en in deze zaak is niet van dergelijke omstandigheden gebleken. Tevens neemt het vluchtgevaar toe wanneer de overlevering is toegestaan.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 38 Geneesmiddelenwet Pro, de artikelen 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het
Landesgericht für Strafsachen Wien, Oostenrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en A.R.P.J. Davids, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.