ECLI:NL:RBAMS:2026:7596

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
13/075459-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling belaging ex-partner met gebieds- en contactverbod

De rechtbank Amsterdam heeft op 24 juli 2026 een 37-jarige man veroordeeld voor belaging van zijn ex-partner, de moeder van zijn zoon. De man maakte zich schuldig aan het stelselmatig en opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner door herhaaldelijk contact te zoeken via telefoontjes, berichten en fysieke aanwezigheid bij haar woning. Dit gebeurde in de periode van 23 november 2025 tot en met 8 februari 2026.

De rechtbank nam mee dat verdachte eerder was veroordeeld voor huiselijk geweld jegens dezelfde vrouw en dat zij en hun zoon vanwege zijn gedrag meerdere malen in een Blijfhuis verbleven. Ondanks een advies van de Jeugdbescherming om geen contact te zoeken, bleef verdachte zijn ex-partner benaderen, wat leidde tot grote angst en noodgedwongen verblijf op een veilige locatie voor het slachtoffer en hun zoon.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met het oogmerk zijn ex-partner te dwingen, stelselmatig contact zocht en haar persoonlijke levenssfeer schond. De strafmaat werd bepaald op 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 61 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een gebieds- en contactverbod met elektronische monitoring. De bijzondere voorwaarden en het verbod zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard vanwege het hoge risico op recidive en letselschade. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 61 voorwaardelijk, met een gebieds- en contactverbod voor twee jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/075459-26
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 23 november 2025 tot en met 8 februari 2026 te Alkmaar en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door in voornoemde periode (telkens) een of meermalen
  • (Whatsapp en/of Signal) berichten naar die [aangeefster] te sturen en/of
  • e-mails naar die [aangeefster] te sturen en/of
  • die [aangeefster] (anoniem) te bellen en/of
  • (zonder redelijk doel) aan te bellen en/of zich op te houden bij de woning en/of verblijfplaats van die [aangeefster] ,
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit met uitzondering van het gedachtestreepje: (zonder redelijk doel) aan te bellen en/of zich op te houden bij de woning en/of verblijfplaats van die [aangeefster] .
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde feit omdat er geen sprake was van een stelselmatige wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en dat verdachte geen oogmerk had om aangeefster te dwingen of vrees aan te jagen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
Verdachte heeft een relatie gehad met [aangeefster] (hierna: aangeefster) en zij hebben samen een zoon. Verdachte is eerder veroordeeld wegens huiselijk geweld jegens aangeefster. Als gevolg hiervan hebben aangeefster en hun minderjarige zoon vanaf juli 2022 bij de Blijfgroep verbleven voor de duur van tweeëneenhalf jaar. In november 2025 zijn aangeefster en hun zoon teruggekeerd naar de Blijfgroep vanwege het gedrag van verdachte. Op 1 december 2025 is verdachte in kennis gesteld dat aangeefster en hun zoon op een veilige locatie verbleven en dat de omgang tussen verdachte en zijn zoon uit veiligheidsoverwegingen werd stopgezet.
3.3.2.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Aangeefster heeft aangifte gedaan van stalking door verdachte. Aangeefster heeft - samengevat - verklaard dat verdachte op 23 november 2025 ineens voor haar woning stond en had aangebeld. Ze had gezien dat verdachte met anderen het gebouw was ingelopen terwijl hij haar bleef bellen. Aangeefster is door verdachte op 30 november 2025 vier keer gebeld via Whatsapp en één keer via Telegram. Aangeefster is die dag ook tien keer gebeld door een anoniem nummer. Op 1 december 2025 heeft verdachte haar twee keer gebeld en meerdere berichten gestuurd met onder andere teksten als "je speelt vieze spelletjes / is nu klaar / neem op”. In de periode 2 december 2025 tot en met 4 februari 2026 is aangeefster ruim 186 keer gebeld met een anoniem nummer en met het herkenbare nummer van verdachte. Verdachte heeft aangeefster in die periode ook meerdere berichten gestuurd, onder andere met de mededeling dat hij zijn zoon wilde zien. Aangeefster heeft verklaard dat zij zich door het gedrag van verdachte erg angstig heeft gevoeld en dat zij noodgedwongen op een veilige locatie moest verblijven [2] Aangeefster heeft op 10 februari 2026 een klacht ingediend teneinde verdachte te laten vervolgen voor stalking. [3]
Uit onderzoek van screenshots van de telefoon van aangeefster is gebleken dat zij in de periode 30 november 2025 tot 25 december 2025 veelvuldig is gebeld door het nummer van verdachte en door een anoniem nummer, dat zij veel berichten van verdachte heeft ontvangen met soms dwingende teksten en dat zij op 1 januari 2026 een lange e-mail heeft ontvangen van verdachte. [4] De contactmomenten zijn onder andere afkomstig van data-applicaties zoals WhatsApp en Signal. [5]
Ter terechtzitting van 10 juli 2026 heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster vaak heeft gebeld en veel berichten heeft gestuurd omdat hij zijn zoon wilde zien. Daarnaast is hij zonder toestemming bij de woning van aangeefster geweest, heeft aangebeld en is daarna snel weer vertrokken. Hij weet niet meer precies op welk dag dit was. Hij was het niet eens met het advies van de Jeugdbescherming om geen contact op te nemen met aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat hij de adviezen had moeten aannemen en dat hij niet zo vaak contact had moeten zoeken met aangeefster, maar dat hij handelde uit wanhoop omdat hij zijn zoon wilde zien.
3.3.3.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.
Gelet op het feit dat verdachte in maart 2023 is veroordeeld voor huiselijk geweld jegens aangeefster, het feit dat zij eerder langdurig samen met hun zoon in een Blijfhuis heeft verbleven, het recente advies van de Jeugdbescherming om geen contact met aangeefster op te nemen en het feit dat aangeefster samen met hun zoon opnieuw in een Blijfhuis verbleef,was het verdachte duidelijk dat aangeefster niet van zijn toenadering gediend was. Desondanks heeft verdachte aangeefster veel gebeld, veel berichten gestuurd en haar opgezocht bij haar woning. Hieruit blijkt dat verdachte op indringende, intensieve en obsessieve wijze heeft geprobeerd met aangeefster in contact te komen. Verdachte heeft aangeefster geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact en heeft aangeefster aldus gedwongen te dulden dat hij stelselmatig contact met haar zocht. Daarnaast heeft verdachte aangeefster proberen te dwingen om hem contact te laten hebben met hun zoon. De gedragingen van verdachte hebben een grote negatieve impact op het leven van aangeefster gehad; zowel aangeefster als jeugdbescherming vonden het noodzakelijk dat aangeefster en hun zoon wederom in een Blijfhuis zouden verblijven.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de tenlastegelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
in de periode van 23 november 2025 tot en met 8 februari in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door in voornoemde periode (telkens) een of meermalen:
  • (Whatsapp en/of Signal) berichten naar die [aangeefster] te sturen en
  • e-mail naar die [aangeefster] te sturen en
  • die [aangeefster] (anoniem) te bellen en
  • (zonder redelijk doel) aan te bellen bij de woning van die [aangeefster] ,
met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen en te dulden.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
Eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangeefster en hun zoon en een locatieverbod voor een straal van tien kilometer van het centrum van Amsterdam en voor een straal van één kilometer van het adres van de moeder van aangeefster, voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd vervangende hechtenis van een week bij iedere overtreding met een maximum van zes maanden en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en daarom af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een andere strafmodaliteit. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om geen contactverbod met de zoon van verdachte op te leggen en de omvang van het locatieverbod te beperken.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner, de moeder van zijn zoon. Verdachte heeft hierbij enkel oog gehad voor zijn eigen behoefte om zijn zoon te zien en heeft zich niet bekommerd over wat zijn gedrag bij aangeefster teweeg zou brengen. Uit de slachtofferverklaring en hetgeen ter terechtzitting is behandeld blijkt hoe groot de impact is geweest op het leven van aangeefster en hun zoon. De rechtbank weegt hierin mee dat, gelet op het verleden tussen aangeefster en verdachte, het geen losstaand incident is geweest. Verdachte lijkt onvoldoende lering te trekken uit het verleden.
Strafblad
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 17 juni 2026 blijkt dat verdachte meerdere keren is veroordeeld voor huiselijk geweld, zowel tegen aangeefster als tegen een eerdere ex-partner, de moeder van zijn dochter.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van 12 juni 2026 en 7 juli 2026, opgemaakt door T.R. Hoekstra. Hieruit blijkt dat er zorgen zijn binnen het psychosociaal functioneren. Er is weinig sprake van zelfinzicht en er is sprake van gebrekkige zelfbeheersing. Verdachte lijkt veel behoefte te hebben aan controle. Het risico op recidive en letsel wordt als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met een slachtofferdevice, een locatieverbod met elektronisch toezicht en dagbesteding. Daarnaast wordt geadviseerd om een maartregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht te overwegen. Geadviseerd wordt om zowel de bijzondere voorwaarden als de maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren gelet op de grote kans op een misdrijf met schade voor personen.
Strafoplegging
Gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en acht geslagen op het feit dat verdachte 59 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek waarvan 61 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarbij wordt het locatieverbod niet verder ingeperkt en het contactverbod ook met de zoon van verdachte opgelegd. De rechtbank is van mening dat het locatieverbod en het contactverbod niet onevenredig belastend zijn voor verdachte en dat het nodig is ter bescherming van aangeefster.
Op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, wanneer er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De reclassering heeft de dadelijke uitvoerbaarheid geadviseerd en de officier van justitie heeft deze ook gevorderd. Belaging is niet zonder meer een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval wordt voldaan aan voornoemd gevaarscriterium, gelet op de eerdere veroordelingen van geweld tegen aangeefster en zijn eerdere ex-partner. Daarnaast wordt het risico op recidive en letselschade door de reclassering als hoog ingeschat. De rechtbank zal daarom bevelen de bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met aangeefster en hun zoon en het locatieverbod zoals geadviseerd door de reclassering voor de duur van twee jaar. Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

8.Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert € 13.546,- aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De rechtbank stelt vast dat het materiële deel van de vordering op de zitting uitvoerig is betwist. Ook het immateriële deel van de vordering is betwist, waarbij de rechtbank tevens opmerkt dat onvoldoende duidelijk is welk deel van de gevorderde immateriële schade ziet op schade geleden door het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde feit. De onderbouwing lijkt namelijk voor een deel te zien op schade ontstaan door een eerder strafbaar feit. Het toelaten van nadere bewijslevering en toelichting zou betekenen dat de behandeling van de gehele strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen een onevenredige belasting voor het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
belaging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
groot 61 (eenenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op psychosociaal functioneren, cognitieve vaardigheden en delictgedrag. Indien de Waag diagnostiek nodig acht werkt veroordeelde hier ook aan mee.
Contactverbod (tenzij toestemming reclassering)
Veroordeelde zoekt en heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] , en hun zoon [naam zoon] .,tenzij de reclassering en betrokken hulpverlening toestemming heeft gegeven voor het contact.
Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit contactverbod, zolang de reclassering dat nodig vindt. Door middel van de elektronische monitoring, via de enkelband en het slachtofferdevice, kan de reclassering aangeefster informeren als veroordeelde dichtbij komt.
Locatieverbod (met elektronisch toezicht)
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in Amsterdam centrum met een straal van 10 kilometer eromheen en op het adres van de moeder van aangeefster met een straal van 1 kilometer eromheen (Heerhugowaard). Plattegronden van deze gebieden zijn aan dit vonnis gehecht. De reclassering kan tijdens deze periode de verboden gebieden laten vervallen, verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van een van de verboden gebieden te bevinden. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van de locatieverboden, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich gedurende de proeftijd in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat deze opgelegde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Legt op de maatregel dat veroordeelde voor de duur van
2 (twee) jaar:
- zich
nietzal
ophoudenin Amsterdam centrum met een straal van 10 kilometer eromheen en op het adres van de moeder van aangeefster met een straal van 1 kilometer eromheen (Heerhugowaard). Plattegronden van deze gebieden zijn aan dit vonnis gehecht.
- op
geenenkele wijze - direct of indirect -
contactzal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] , en hun zoon [naam zoon] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze
vervangende hechtenisbedraagt
1 (één) weekvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Benadeelde partij
Verklaart[aangeefster]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.
Heft ophet - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. D. Bode en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en L.D. de Vries, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2026.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2026033878-2, p. 1001.
3.Proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie met nummer PL1300-2026033878-3, p. 1011.
4.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026033878-4, p. 1013 – 1038.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026033878-17, p. 1039.