ECLI:NL:RBAMS:2026:7600

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/13/791448 / HA RK 26-270
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 551a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris wegens ontbreken vooringenomenheid

Op 22 juli 2026 diende een wrakingsverzoek tegen mr. W.M. de Vries, rechter-commissaris te Amsterdam, ingediend door verzoeker vertegenwoordigd door mr. E. Tamas. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid van de rechter-commissaris in een spoedeisende ontruimingszaak van een pand.

De zaak betrof een vordering van de officier van justitie tot ontruiming van een pand wegens lekkages in de kelder en een geplande bezichtiging door kopers. Verzoeker stelde dat er geen spoedeisend belang was en dat er geen schriftelijke koopovereenkomst bestond. De rechter-commissaris stelde een verhelderende vraag aan een informant, de zoon van de eigenares, over de koopovereenkomst.

Verzoeker meende dat deze vraag de schijn van vooringenomenheid wekte omdat de rechter-commissaris vooruitliep op de vaststelling van een koopovereenkomst. De wrakingskamer oordeelde dat de rechter-commissaris slechts een verhelderende vraag stelde zonder inhoudelijk oordeel en dat er geen feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid rechtvaardigden.

De wrakingskamer verklaarde het verzoek kennelijk ongegrond en wees het af zonder mondelinge behandeling. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 22 juli 2026 ter zitting gedane en onder rekestnummer C/13/791448 / HA RK 26-270 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
raadsman: mr. E. Tamas,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. W.M. de Vries, rechter-commissaris te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
 het proces-verbaal van de hoorzitting van 22 juli 2026 op grond van artikel 551a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) inhoudende het wrakingsverzoek.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Bij de rechter is in behandeling de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 551a Sv. Op de hoorzitting van 22 juli 2026 heeft de officier van justitie gesteld dat er een spoedeisend belang is bij de ontruiming van het pand, die staat gepland op 24 juli 2026 omdat sprake is van lekkages in de kelder die dringend moeten worden verholpen. Ook is het pand verkocht. De kopers willen in het pand gaan wonen en hebben een ontwerper/architect in de arm genomen die het pand op maandag 27 juli 2026 moet kunnen bezichtigen, aldus de officier van justitie. Vervolgens heeft mr. Tamas namens verzoeker aangevoerd dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het werk in de kelder is al begonnen in 2024, maar is nog immer niet afgerond. Er is geen sprake van een schriftelijke koopovereenkomst en kennelijk is ook nog geen datum afgesproken waarop het pand aan de kopers geleverd zou moeten worden.
Hierna is de zoon van de eigenares van het pand als informant gehoord. Hij heeft het volgende verklaard, zo blijkt uit het proces-verbaal van de hoorzitting:
“De eigenares is gestart met de vergunningsaanvraag om de bestemming van het pand te wijzigen. Dit deed zij op verzoek van de kopers die in het pand willen gaan wonen. Indien de uitkomst negatief is, zullen de kopers het pand toch afnemen. Zij hebben aangegeven dat zij dit risico willen nemen. Ook is een prijs overeengekomen. Er is inderdaad nog geen schriftelijke koopovereenkomst. Er is gewacht om die op te stellen omdat partijen eerst de uitkomst van de vergunningsaanvraag wilden afwachten. De werkzaamheden met betrekking tot de lekkage in de kelder zijn al een paar jaar aan de gang. Het is tot op heden niet gelukt om de kelder droog te krijgen. Zodra de kelder droog is kan de levering van het pand plaatsvinden”
2.2.
Vervolgens is blijkens het proces-verbaal het volgende verklaard:
“De rechter-commissaris zegt tegen [naam]: Dus de kopers nemen het pand af als de lekkage is verholpen?
Mr. Tamas maakt hiertegen bezwaar. Er is schijn van vooringenomenheid aan de zijde van de rechter-commissaris en daarom wraakt hij de rechter-commissaris.
De rechter-commissaris vraagt aan mr. Tamas om de wrakingsgrond te formuleren.
Mr. Tamas antwoordt het volgende:
De rechter-commissaris wekt de schijn van vooringenomenheid om reeds vooruit te lopen op de feitelijke en juridische vaststelling dat sprake is van een koopovereenkomst en welke stappen moeten worden genomen om tot een koop te komen, ondanks dat het onderhavige dossier geen schriftelijke koopovereenkomst bevat.”

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 512 Sv Pro dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig is dan wel een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.
3.2.
Aan het verzoek zijn geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, althans waardoor een objectiveerde vrees van vooringenomenheid kan zijn gewekt. De vraag van de rechter was enkel verhelderend - of zij de verklaring van de zoon van de eigenares van het pand goed heeft begrepen - en getuigt niet van vooringenomenheid. De rechter heeft - anders dan verzoeker meent - ook geen enkel inhoudelijk oordeel gegeven over de zaak van verzoeker, de spoedeisendheid, of over het bestaan van een (schriftelijke) koopovereenkomst.
3.3.
Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
- wijst het verzoek af.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, M.V. Ulrici en K.A. Brunner, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.