ECLI:NL:RBAMS:2026:7612

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
13-267905-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot brandstichting en mishandeling met gedeeltelijke vrijspraak zwaar letsel

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor poging tot brandstichting op 6 oktober 2025 en mishandeling van de buurman op 18 juli 2025. De poging tot brandstichting werd bewezen geacht ondanks het verweer dat de gebruikte aansteker ondeugdelijk was. De mishandeling werd bewezen verklaard, maar het beroep op noodweer werd verworpen omdat verdachte de confrontatie had gezocht en de reactie disproportioneel was.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel omdat het letsel niet als zodanig werd aangemerkt. Psychische stoornissen bij verdachte leidden tot een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid voor de brandstichting. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 22 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en weigerde een tbs-maatregel vanwege de onwil en onhaalbaarheid.

Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd met een contact- en locatieverbod ten behoeve van het slachtoffer. De schadevergoeding aan het slachtoffer werd deels toegewezen, met een totaalbedrag van €7.827,50, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in een eerdere vordering tot tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, voor poging tot brandstichting en mishandeling; beroep op noodweer verworpen en geen tbs-maatregel opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13-267905-25 (zaak A) en 13-222518-25 (zaak B)
(ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering TUL: 23-002537-22
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in de [P.I.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd op de terechtzitting van 16 januari 2026. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.K. Cheng, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen mr. P.W. van Rijmenam-Van Oosterom, advocaat te Amsterdam, namens de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
feit 1
een poging tot brandstichting op 6 oktober 2025 in Amsterdam, waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was;
feit 2
het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing op 6 oktober 2025 in Amsterdam;
Zaak B
het mishandelen van [slachtoffer] op 18 juli 2025 in Amsterdam, terwijl deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de poging tot brandstichting. Volgens de raadsman was het middel (de aansteker) absoluut ondeugdelijk. Daardoor ontbreekt een begin van uitvoering en kan er niet gesproken worden van een strafbare poging. Verder heeft de raadsman betoogd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer] , waardoor hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. [slachtoffer] zou de confrontatie zijn begonnen en verdachte heeft zichzelf vervolgens slechts verdedigd. Met betrekking tot het overtreden van de gedragsaanwijzing heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1 -
De poging tot brandstichting (zaak A, feit 1)
Uit de aangifte van de moeder van verdachte volgt dat verdachte op 6 oktober 2025 omstreeks 22:10 uur naar het huis van zijn moeder is gegaan aan de [adres 1] in Amsterdam. Ook zijn twee zusjes waren daar aanwezig. Vervolgens heeft verdachte zijn moeder om geld gevraagd. Nadat zijn moeder aangaf geen geld te hebben, heeft verdachte zichzelf met benzine overgoten en geprobeerd de benzine aan te steken met een aansteker.
Verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd. Bij de politie op 10 oktober 2025 heeft hij verklaard dat hij het niet had aangestoken, dat hij het wel probeerde en dat het geen bewuste keuze was dat hij het niet heeft aangestoken. Op 13 oktober 2025 heeft verdachte tegenover de rechter-commissaris verklaard dat het klopt dat hij zichzelf met benzine had overgoten en had geprobeerd dit met een aansteker aan te steken, maar dat alles nat was geworden met benzine dus dat het sowieso niet af zou gaan. Daarnaast verklaarde hij dat het een aparte aansteker was die geen vonken kreeg. Hij had hier naar eigen zeggen van tevoren over nagedacht. Op de zitting van 7 juli 2026 heeft verdachte verklaard dat hij wist dat de aansteker geen vuursteen meer bevatte en dat deze daardoor niet zou werken. Verdachte heeft niet uit kunnen leggen waarom hij na zijn verhoor bij de politie zijn verklaring steeds heeft aangevuld met details over de werking van de aansteker. De rechtbank is van oordeel dat deze aanvullingen – die gelijk opgaan met het verweer van zijn raadsman dat er sprake is van een ondeugdelijke poging – ongeloofwaardig zijn. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de verklaring die verdachte bij zijn eerste verhoor bij de politie heeft afgelegd. Deze verklaring vindt namelijk ook steun in de aangifte van zijn moeder.
De rechtbank overweegt verder dat voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf vereist is dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde gedragingen die verdachte heeft verricht van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer gericht op brandstichting, dat de rechtbank vaststelt dat verdachtes opzet hierop ten volle was gericht.
Er is daarbij geen sprake van een absoluut ondeugdelijke poging. Op zichzelf is het hanteren van een aansteker, zoals verdachte heeft gedaan, een geschikte methode om benzine in brand te steken. Het feit dat de aansteker in dit concrete geval door specifieke omstandigheden op dat moment kennelijk geen vonk teweeg heeft gebracht, maakt dit middel relatief ondeugdelijk, hetgeen een strafbare poging oplevert.
Gelet op het feit dat verdachte zichzelf in een slaapkamer in de woning van zijn moeder, in haar directe nabijheid, heeft gepoogd in brand te steken, was naar het oordeel van de rechtbank gevaar voor de woning en levensgevaar voor de moeder van verdachte te duchten. De rechtbank merkt op dat in de tenlastelegging abusievelijk de voornaam ( [voornaam moeder verdachte] ) en achternaam ( [achternaam moeder verdachte] ) van de moeder van verdachte zijn verwisseld. De rechtbank leest de tenlastelegging op dit punt verbeterd en acht bewezen dat voor [voornaam moeder verdachte] . [achternaam moeder verdachte] (en niet [achternaam moeder verdachte] [voornaam moeder verdachte] ) levensgevaar te duchten was.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem ten laste gelegde poging tot brandstichting.
3.3.2 -
Het overtreden van de gedragsaanwijzing (zaak A, feit 2)
De rechtbank acht bewezen dat hij op 6 oktober 2025 opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing.
De rechtbank volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit ter terechtzitting heeft bekend, en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.
3.3.3 -
De mishandeling van [slachtoffer] (zaak B)
Vast staat dat er op 18 juli 2025 een fors handgemeen heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] . Uit het dossier komt naar voren dat verdachte en [slachtoffer] een langlopend conflict met elkaar hebben. Verdachte heeft daarvoor reeds in december 2024 een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen, waarbij hij gedurende drie maanden geen contact mocht hebben met [slachtoffer] .
Toen verdachte [slachtoffer] op 18 juli 2025 buiten voor zijn woning zag lopen, heeft verdachte [slachtoffer] uitgescholden waarna de situatie is geëscaleerd. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem als eerste heeft geslagen en dat hij vervolgens uit zelfverdediging heeft teruggeslagen. [slachtoffer] heeft verklaard dat het juist verdachte was die als eerste heeft geslagen.
De rechtbank stelt voorop dat verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht door [slachtoffer] uit te schelden. Volgens vaste jurisprudentie sluit dit echter niet uit dat sprake kan zijn van een geslaagd beroep op noodweer. [1] Voor de beoordeling of aan verdachte een beroep op noodweer toekomt is het volgende van belang.
Daargelaten de vraag wie de eerste klap heeft uitgedeeld, volgt uit de aangifte van [slachtoffer] ende getuigenverklaring van zijn vrouw dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] op de grond viel. Ook toen [slachtoffer] op de grond lag heeft verdachte [slachtoffer] nog meermalen geslagen.
Zelfs als de rechtbank uit zou gaan van de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] de eerste klap heeft uitgedeeld, is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van verdachte geboden waren door een noodzakelijke verdediging.
Verdachte had zich aan de situatie kunnen en moeten onttrekken. Onder de gegeven omstandigheden bestond voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl dat ook van de verdachte kon worden gevergd. [slachtoffer] lag immers al op de grond. Desondanks heeft verdachte [slachtoffer] nog meerdere malen geslagen, hetgeen in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de situatie. Deze handelingen van verdachte kunnen zelfs naar de kern bezien als aanvallend worden aangemerkt. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Op basis van het dossier kan de rechtbank tenslotte niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verdachte [slachtoffer] met sleutels heeft geslagen. De rechtbank spreekt verdachte hiervan dan ook vrij.
Partiële vrijspraak zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door verdachte toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Na de mishandeling heeft [slachtoffer] op dezelfde dag de spoedeisende hulp bezocht. Daar is door de dienstdoende arts bij [slachtoffer] onder meer een fractuur in zijn kaakbijholte en een laceratie (weefselverscheuring) in het aangezicht vastgesteld. De laceratie is gesloten met huidlijm en voor de fractuur is [slachtoffer] verwezen naar de Polikliniek Mond, Kaak- en Aangezichtschirurgie voor een vervolgafspraak. Op 22 juli 2025 is verdachte gezien op de polikliniek en is de fractuur door de MKA-chirurg geduid als en NOE-fractuur (een breuk in het gebied waar de neus, oogkassen en het zeefbeen samenkomen), waarbij de botdelen niet meer in hun normale positie staan (dislocatie). De botdelen zijn direct poliklinisch door de MKA-chirurg samen met een KNO-arts teruggeplaatst. Op de scan die nadien is gemaakt was een verbetering te zien. Vervolgens is in samenspraak met [slachtoffer] voor een afwachtend beleid gekozen met poliklinische controles.
Omdat onvoldoende bekend is over de huidige stand van het letsel en het uitzicht op (volledig) herstel, in samenhang met de relatief geringe intensiteit van het medisch ingrijpen, oordeelt de rechtbank dat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Het voorgaande betekent dat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
feit 1
op 6 oktober 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor de woning aan de
[adres 1] te Amsterdam te duchten was en
- levensgevaar voor
[achternaam moeder verdachte] . [voornaam moeder verdachte]. [achternaam moeder verdachte] te duchten was
zichzelf heeft overgoten met benzine en heeft geprobeerd zichzelf aan te steken met een aansteker,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 6 oktober 2025 te Amsterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 22 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Amsterdam door zich binnen een straal van 100 meter van de locatie [adres 2] te Amsterdam te bevinden, namelijk op [adres 1] te Amsterdam;
Zaak B
op 18 juli 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meerdere malen te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd de ten laste gelegde poging tot brandstichting in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de strafbaarheid van verdachte.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro-Justitiarapport van 6 mei 2026, opgesteld door GZ-psycholoog T. Stoel en psychiater C.A.M. van der Meijs.
De rapporteurs hebben vastgesteld dat bij verdachte sprake is van psychische stoornissen. Verdachte heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline persoonlijkheidstrekken. Verder heeft verdachte stoornissen in het gebruik van de middelen alcohol, cannabis en cocaïne (alle matig van ernst). Er is geen sprake van een verstandelijk handicap maar wel van laagbegaafdheid. De rapporteurs hebben geconcludeerd dat bij verdachte ook ten tijde van de bewezen verklaarde poging tot brandstichting sprake was van deze stoornissen. Volgens de rapporteurs doet de wijze waarop verdachte over het tot stand komen van de poging tot brandstichting voorkomen dat het voor verdachte een instrumentele keuze was en dat hij niet uit paniek heeft gehandeld. De neiging van verdachte om grenzen over te gaan, zijn beperkte empathische vermogens en de gebrekkige copingsvaardigheden zijn passend bij verdachtes antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline persoonlijkheidstrekken en de laagbegaafdheid in combinatie met de verslavingsproblematiek. Deze maken bij elkaar dat betrokkene minder keuzevrijheid had dan een gemiddeld persoon, waardoor hij op een riskante wijze heeft gehandeld. De rapporteurs adviseren om de poging tot brandstichting in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de rapporteurs over dat bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde poging tot brandstichting sprake was van psychische stoornissen in het gebruik van alcohol, cannabis en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline persoonlijkheidstrekken. Met de rapporteurs is de rechtbank van oordeel dat deze stoornissen maken dat de poging tot brandstichting in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend, omdat verdachte gelet op zijn psychische stoornissen minder keuzevrijheid had dan een gemiddeld persoon.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van twee jaren. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd, wordt opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gevorderd.
7.2
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij een bewezenverklaring te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Verder heeft de raadsman verzocht om geen tbs-maatregel op te leggen. Deze maatregel staat volgens de raadsman niet in verhouding tot de ernst van de feiten. Bovendien is een tbs-maatgeregel niet verenigbaar met het gegeven dat verdachte hoogstwaarschijnlijk ongewenst zal worden verklaard en dan Nederland zal moeten verlaten.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Op 18 juli 2025 heeft verdachte zijn buurman [slachtoffer] mishandeld. Verdachte is zelf de aanjager geweest van dit incident, door nodeloos zijn buurman uit te schelden toen hij [slachtoffer] tegenkwam voor zijn woning. Verdachte heeft kennelijk niets geleerd van de gedragsaanwijzing die hem eerder is opgelegd. [slachtoffer] heeft het gedrag van verdachte met zeer vervelend letsel aan zijn gezicht moeten bekopen. Ook heeft [slachtoffer] aan dit incident en een eerder incident met verdachte PTSS overgehouden.
Naar aanleiding van de mishandeling op 18 juli 2025 is aan verdachte een nieuwe gedragsaanwijzing opgelegd. Ook van deze nieuwe gedragsaanwijzing heeft verdachte zich niets aangetrokken. Op 6 oktober 2025 is verdachte immers naar de woning van zijn moeder gegaan – waar hij zich op grond van de gedragsaanwijzing niet mocht bevinden – om haar om geld te vragen. Naar eigen zeggen was dit om zijn spullen terug te kopen van een drugsdealer. Toen zijn moeder weigerde verdachte geld te geven, heeft verdachte zichzelf overgoten met benzine en geprobeerd zichzelf in brand te steken om alsnog afgifte van zijn moeders geld af te dwingen. Dat hierbij geen brand is ontstaan is een kwestie van geluk en is niet aan het gedrag van verdachte te wijten. Er bestaat geen twijfel over dat deze situatie zeer beangstigend is geweest voor de moeder van verdachte. Uit het voorgaande ontstaat een beeld van een verdachte die geen grenzen accepteert en impulsief handelt.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 1 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte al veelvuldig met justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten.
Advies van de rapporteurs en de reclassering
De deskundigen hebben in het onder 6 genoemde Pro-Justitiarapport gesteld dat het risico van escalatie op ernstig geweld zonder interventies reëel is. Om het risico op recidive te beperken achten de deskundigen initieel een klinische behandeling noodzakelijk voor het behandelen van de verslavingsproblematiek van verdachte. Ook is behandeling nodig voor het aanleren van copingsvaardigheden, met name om probleemsituaties beter te kunnen hanteren. Verder dient verdachte behandeling te volgen ter verbetering van zijn agressieregulatie. Het advies is deze behandeling op te leggen binnen een tbs met voorwaarden, omdat eerdere reclasseringstrajecten zijn mislukt.
De reclassering sluit zich aan bij de conclusies van de psycholoog en psychiater, zo blijkt uit het reclasseringsrapport van 22 juni 2026. Er bestaan wel ernstige twijfels ten aanzien van de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden traject, omdat eerdere behandeltrajecten meermaals vroegtijdig werden afgebroken, verdachte niet intrinsiek is gemotiveerd en er sprake is van een beperkt probleem- en zelfinzicht. Hoewel de motivatie van verdachte slechts extrinsiek is (voorkomen van tbs-dwang) biedt dat wel mogelijkheden om te werken aan gedragsverandering binnen het meer dwingende en strikte kader van een tbs maatregel met voorwaarden. Het risico op recidive en letselschade blijft onverminderd hoog wanneer verdachte niet wordt behandeld.
Bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten heeft de reclassering dan ook geadviseerd om een tbs-maatregel op te leggen met aanvullende voorwaarden. De voorwaarden die naast de standaardvoorwaarden worden geadviseerd zijn meewerken aan een reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, een verbod op reizen naar het
buitenland, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, geen gebruik van verdovende middelen en alcohol, een locatie- en contactverbod, dagbesteding en het aflossen van schulden.
Geadviseerd wordt om de voorwaarden en het toezicht ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren
in combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis, zodat de behandeling en
begeleiding ook doorgang kunnen vinden in het geval dat een veroordelend vonnis niet
onherroepelijk is.
De strafoplegging
De rechtbank gaat niet over tot het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden. Daarvoor is het volgende van belang. Een van de voorwaarden om tbs met voorwaarden op te leggen is dat verdachte zich bereid heeft verklaard de voorwaarden na te leven (artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht). Verdachte heeft op de zitting meermalen verklaard dat hij een tbs-maatregel niet gaat accepteren en dat hij het advies van de deskundigen belachelijk vindt. Verdachte heeft aangegeven wel behandeling in een kliniek te willen, maar niet in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Na herhaaldelijk doorvragen heeft verdachte schoorvoetend verklaard dat hij mee zal werken indien een tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd, om te voorkomen dat tbs met dwang wordt opgelegd.
Naast twijfel over de bereidheid en de haalbaarheid om de voorwaarden na te leven, twijfelt de rechtbank aan de uitvoerbaarheid van een tbs-maatregel met voorwaarden gelet op de mogelijk aanstaande verklaring tot ongewenst vreemdeling van verdachte. Om deze redenen zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Aan dit voorwaardelijke deel verbindt de rechtbank dezelfde bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd in het rapport van 22 juni 2026, met uitzondering van het verbod Nederland te verlaten.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat een vordering tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 10 maanden (parketnummer 23-002537-22) door deze rechtbank op 13 november 2025 al is toegewezen. Die beslissing is onherroepelijk en verdachte dient deze straf nog uit te zitten. Verder houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van de poging tot brandstichting.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, geboden. De rechtbank verbindt daarbij aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het is noodzakelijk dat de bijzondere voorwaarden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank beveelt vanwege het herhalingsgevaar dat de in het dictum genoemde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht.
Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid
Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van het slachtoffer [slachtoffer] aanleiding om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 1967) en een gebiedsverbod, waarbij verdachte zich niet binnen een straal van 100 meter van de [straat] te Amsterdam mag bevinden. De rechtbank legt de rechtbank deze maatregel op voor de maximale duur van vijf jaren. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week, met een maximum van in totaal zes maanden, voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De rechtbank zal de maatregel van artikel 38v Wetboek van Strafrecht ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er – gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van de verdachte – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] .
Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM)
Gelet op de op te leggen staf, de bijbehorende bijzondere voorwaarden, de 38v-maatregel en de reeds eerder toegewezen vordering tenuitvoerlegging ziet de rechtbank geen aanleiding om ook nog een GVM-maatregel op te leggen.

8.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De mishandeling van [slachtoffer] (zaak B)
De benadeelde partij, [slachtoffer] , heeft een bedrag van € 23.452,50 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 2.515,- aan vergoeding voor materiële schade en
€ 20.937,50 aan vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft verder gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2025 en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het bedrag van de vordering van (in totaal) € 23.452,50 is als volgt opgebouwd:
a. kapotte broek: € 15,-
b. toekomstige medische kosten: € 2.500,-
c. immateriële schade voor PTSS: € 20.000,-
d. immateriële schade voor lichamelijk letsel: € 937,50
De advocaat heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren wat betreft de onder b. gevorderde toekomstige kosten.
Bij de berekening van het bedrag onder c. heeft de advocaat als uitgangspunt een bedrag van € 16.000,- genomen. De advocaat heeft een opslag van 25% toegepast op dit bedrag gelet op de verwijtbaarheid van de gedragingen van verdachte.
Bij de berekening van het bedrag onder d. heeft de advocaat van de benadeelde partij als uitgangspunt een bedrag van € 1.500,- genomen. De advocaat heeft een opslag van 25% toegepast op dit bedrag gelet op de verwijtbaarheid van de gedragingen van verdachte. Omdat het lichamelijk letsel het tweede letsel in ernst betreft, heeft de advocaat het subtotaalbedrag van € 1.875,- met 50% gecorrigeerd tot het uiteindelijke bedrag van € 937,50,-.
8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft, met uitzondering van de toekomstige medische kosten onder b., de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman gelet op het vrijspraakverweer primair verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering geheel af te wijzen, althans de benadeelde partij voor een belangrijk deel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zowel materieel als immaterieel. De advocaat van de benadeelde partij heeft het gevorderde schadebedrag onderbouwd door middel van een schriftelijke toelichting en een toelichting op de zitting.
Materiële schade
Ad a)
De kosten onder a. van € 15,- zijn voldoende onderbouwd en niet (voldoende) inhoudelijk betwist en worden daarom toegewezen.
Ad b)
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de kosten onder b., omdat dit gaat om toekomstige schade.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van meervoudige letsels, namelijk objectief vastgesteld lichamelijk letsel (onder d.) en een aantasting in de persoon op andere wijze (onder c.) in de zin van art. 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Verdachte heeft de benadeelde partij mishandeld door hem meermalen te slaan, waaronder in zijn gezicht. Daarbij heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een fractuur en andere letsels in zijn gezicht. Dit letsel was van dien aard dat een (poliklinische) ingreep noodzakelijk was. Direct na de ingreep was een verbetering zichtbaar, waarna voor een afwachtend beleid is gekozen.
Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. Uit een brief van de huisarts van de benadeelde partij van 30 juni 2026 volgt dat de bij de benadeelde partij PTSS is geconstateerd als gevolg van twee afzonderlijke mishandelingen door verdachte, waaronder de in dit vonnis bewezenverklaarde mishandeling. Omdat er volgens de huisarts nog steeds een reële dreiging is zolang de benadeelde partij in de buurt van de moeder van verdachte woont, kan hij geen traumatherapie krijgen en leeft hij met onbehandelde PTSS.
De begroting van de immateriële schade
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro’, in het bijzonder naar de aanbevelingen met betrekking tot de verwijtbaarheid en meervoudigheid van het letsel.
Ad c)
Ten aanzien van de PTSS neemt de rechtbank als uitgangspunt RS paragraaf 14.2, sub d, met als uitgangspunt een immateriële schadevergoeding tussen € 2.675,- en € 5.500,-.
De rechtbank acht een vergoeding van € 5.500,- billijk. Daarvoor heeft de rechtbank gekeken naar de relevante factoren die in RS paragraaf 14 worden genoemd, te weten de leeftijd, de weerslag op sociaal leven, de medische behandeling, de kans dat behandeling succesvol is en de prognose. Anders dan de enkele vaststelling dat de benadeelde partij lijdt aan onbehandelde PTSS, is over een medisch beloop niets bekend.
Ad d)
Ten aanzien van het gezichtsletsel neemt de rechtbank als uitgangspunt RS paragraaf 13, sub b, met als uitgangspunt een immateriële schadevergoeding tussen € 725,- en € 2.175,-.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bedrag wat als uitgangspunt is gevorderd billijk is, te weten € 1.500,-. Omdat het lichamelijk letsel het tweede letsel in ernst betreft, past de rechtbank, zoals ook gevorderd, een correctie van 50% toe, wat € 750,- maakt.
Ad c en d) Ernstige verwijtbaarheid
Verdachte en de benadeelde partij hebben al langere tijd een conflict, waarbij verdachte steeds de instigator van de problemen is geweest. Verdachte heeft meermalen een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen. Het conflict heeft op 18 juli 2025 een kookpunt bereikt, waarbij verdachte de benadeelde partij fors heeft toegetakeld. Gelet op deze ernst van de verwijtbaarheid, naar billijkheid in dit concrete geval, acht de rechtbank een opslag van 25% redelijk. De rechtbank vermeerdert het subtotaal bedrag aan immateriële schade van € 6.250,- dan ook met 25%, tot een totaalbedrag aan immateriële schade van € 7.812,50.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het onder c. meer gevorderde.
Totaal toegewezen bedrag en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal) € 7.827,50 gehouden, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank stelt de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, 18 juli 2025. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer
23-002537-22 betreft het onherroepelijk geworden arrest van 16 september 2022 van het Gerechtshof Amsterdam. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Uit het strafblad van verdachte is gebleken dat de vordering tenuitvoerlegging bij beslissing van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2025 al (onherroepelijk) is toegewezen. De officier van justitie wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 157, 184a en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
feit 1
meerdaadse samenloop van:
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is,
en
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
Zaak B
mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
22 (tweeëntwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Daarbij gelden de volgende bijzondere voorwaarden:

1. Meewerken aan reclasseringstoezicht

Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
- veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;
- veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
- veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
- veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
- veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
- veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

2. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

3. Opneming in een zorginstelling

Zolang de reclassering dat nodig vindt, laat veroordeelde zich opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

4. Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

5. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Zolang de reclassering dat nodig vindt, verblijft veroordeelde in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

6. Verbod verdovende middelen

Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

7. Alcoholverbod

Veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

8. Contactverbod

Veroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met:
slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1967.

9. Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)

Veroordeelde bevindt zich niet binnen een straal van 100 meter van de [straat] te Amsterdam.

10. Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

11. Aflossing schulden

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
38v-maatregel
Legt op de
maatregeldat de veroordeelde voor de duur van
5 (vijf) jaren
- zich
nietzal
ophoudenbinnen een straal van 100 (honderd) meter van de [straat] te Amsterdam;
- zich
onthoudtvan – direct of indirect –
contactmet slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1967.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste
1 (één) weekvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van
6 (zes) maandenin totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde
maatregel niet op.
Beveelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (zaak B)
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 7.827,50 (zevenduizend achthonderdzevenentwintig euro en vijftig cent)bestaande uit € 15,- aan vergoeding van materiële schade en € 7.812,50 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 7.827,50 (zevenduizend achthonderdzevenentwintig euro en vijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 64 (vierenzestig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering tot tenuitvoerlegging
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23-002537-22.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. H.J. Bos en A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2026.
[.....]

1.[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]

[.....]