ECLI:NL:RBAMS:2026:7617

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
13-145473-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissenArt. 3 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissenArt. 20 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid en strafomzetting bij tenuitvoerlegging buitenlandse drugsvrijheidsstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 juli 2026 een verzoek tot tenuitvoerlegging van een in het Verenigd Koninkrijk opgelegde gevangenisstraf van zes jaar wegens invoer van 3,415 kilogram cocaïne. De veroordeelde, met de Nederlandse nationaliteit, werd in het VK veroordeeld op 13 oktober 2025 en op 2 juni 2026 naar Nederland overgebracht.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek toelaatbaar is, ondanks het ontbreken van een gewaarmerkt vonnis, omdat uit de stukken in onderlinge samenhang duidelijk blijkt waarvoor de veroordeelde is veroordeeld. De raadsvrouw voerde aan dat onduidelijkheid bestond over het exacte strafbare feit en het gewicht van de cocaïne, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

Bij de strafomzetting hield de rechtbank rekening met de ERSED-regeling waaronder de veroordeelde in het VK werd uitgezet, en oordeelde dat deze vreemdelingenrechtelijke maatregel niet als strafverzwaring mag gelden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 27 maanden op, lager dan de zes jaar in het VK, vanwege persoonlijke omstandigheden zoals gezondheidsproblemen en financiële kwetsbaarheid. De tijd die de veroordeelde reeds in voorlopige hechtenis en detentie heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de tenuitvoerlegging toelaatbaar en legt een gevangenisstraf van 27 maanden op met aftrek van reeds doorgebrachte detentietijd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-145473-26
Datum uitspraak: 21 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 18 van Pro de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van
11 juni 2026 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van
the Canterbury Crown Courtvan 13 oktober 2025. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van zes jaar van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1963 in [geboorteplaats] (Suriname),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
verder te noemen: veroordeelde.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juli 2026. Daarbij zijn de veroordeelde, haar raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie,
mr. K. van der Schaft, gehoord.

2.Identiteit veroordeelde

De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat haar personalia als bovengenoemd juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Toelaatbaarheid

Inleiding
De autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk hebben de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van
the Canterbury Crown Courtvan 13 oktober 2025.
De veroordeelde is op 10 juni 2025 aangehouden in Nederland ten behoeve van de overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. De overleveringsdetentie is vervolgens geschorst. De rechtbank heeft op 4 september 2025 de overlevering aan het Verenigd Koninkrijk toegestaan en afhankelijk gemaakt van een terugkeergarantie die op 20 augustus 2025 is verstrekt door de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk. Na de uitspraak van 4 september 2025 is veroordeelde gedetineerd geweest in Nederland. Op 11 september 2025 is zij overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk en aldaar gedetineerd. Op 13 oktober 2025 is zij in het Verenigd Koninkrijk door de
Canterbury Crown Courtveroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar (2191 dagen). Op grond van een
deportation ordervan 20 november 2025 en de
Early Removal Scheme(ERSED-regeling) is veroordeelde in het kader van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP) op 2 juni 2026 naar Nederland overgebracht. Na aankomst in Nederland is zij op 3 juni 2026 door de rechter-commissaris in bewaring gesteld en per gelijke datum geschorst.
De veroordeelde heeft de Nederlandse nationaliteit.
De voornoemde rechterlijke beslissing van de
Canterbury Crown Courtvan 13 oktober 2025 is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.
De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt
gevraagd, is gewezen ten aanzien van een feit dat naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbaar is. Dit feit is naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar. Het feit wordt naar Nederlands recht gekwalificeerd als:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
De veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.
De veroordeelde diende op het moment van ontvangst van het verzoek tot haar overbrenging nog ten minste zes maanden van de haar opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.
De veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 24 november 2025 ingestemd met haar overbrenging naar Nederland.
De rechtbank zal naar aanleiding van het verhandelde ter zitting vervolgens beoordelen of voldaan is aan het vereiste dat een gewaarmerkt afschrift van het vonnis als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, VOGP is overgelegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, ondanks dat een gewaarmerkt kopie van het vonnis ontbreekt, de
certificate of convictionen
sentencing remarksvan
13 oktober 2025, in samenhang gelezen met de omschrijving van het strafbare feit in het dossier, aangemerkt kunnen worden als een gewaarmerkt vonnis. Dit betreffen authentieke stukken die (elektronisch) zijn ondertekend. Hiermee is voldoende duidelijk voor welk feit de veroordeelde is veroordeeld en wat de veroordeling inhoudt. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2021. [1]
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk. Het dossier bevat geen gewaarmerkt vonnis, zodat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 6, tweede lid, onder a, VOGP. Er bestaat ook geen duidelijkheid over wat precies het strafbare feit is; het aanhoudingsbevel van 22 juli 2024, op grond waarvan de veroordeelde persoon op 11 september 2025 ter strafvervolging is overgeleverd naar het Verenigd Koninkrijk, vermeldt bij het strafbare feit de invoer van 3,14 kg cocaïne, terwijl in
the sentencing remarksvan 13 oktober 2025 de invoer van 3,5 kg cocaïne wordt vermeld. Er is duidelijkheid over de hoogte van de vrijheidsstraf en de veroordeling voor de invoer van cocaïne, maar het dossier is inconsistent ten aanzien van het aantal kilogram cocaïne dat is ingevoerd. Dat is bovendien relevant voor de op te leggen straf in Nederland aan de veroordeelde. De Landelijke Oriëntatiepunten voor de invoer van cocaïne zijn immers gebaseerd op het gewicht van wat is ingevoerd. De rechtbank kan daarom op dit moment geen beslissing nemen over de overdracht en tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing, omdat geen volledige duidelijkheid bestaat ten aanzien van waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en het proces dat aan de beslissing voorafgegaan is.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6, tweede lid, onder a, VOGP bepaalt dat, indien een overbrenging wordt verzocht, door de Staat van veroordeling de navolgende stukken aan de Staat van tenuitvoerlegging wordt verstrekt; (…) een gewaarmerkt afschrift van het vonnis (…).
Uit artikel 1, onder b, VOGP volgt dat met ‘vonnis’ (‘judgment’) in artikel 6, tweede lid, onder a, VOGP wordt bedoeld ‘een rechterlijke beslissing of bevel waarbij een veroordeling wordt uitgesproken’ (‘a decision or order of a court imposing a sentence’). Bij het verzoek als bedoeld in het verdrag moet dan ook een document worden overgelegd waaruit de voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling van de desbetreffende persoon tot de vrijheidsstraf blijkt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het voor het voldoen aan het vereiste als genoemd in artikel 6, tweede lid, onder a, VOGP voldoende is dat een gewaarmerkt afschrift van een document wordt verstrekt waaruit onmiskenbaar de inhoud blijkt van de rechterlijke beslissing waarbij de veroordeling is uitgesproken, welk document is opgemaakt om tot bewijs van de veroordeling te kunnen dienen. [2]
In deze zaak bevat het verzoek een
certificatevan 4 december 2025 waarin is gegarandeerd dat dat alle bijgevoegde documenten gewaarmerkte kopieën zijn van de originele documenten. Bij die documenten zit onder meer een
transcript of proceedingsmet daarin uitgewerkt
the sentencing remarksvan 13 oktober 2025. Voorts is verstrekt een
Trial Record Sheet. Blijkens deze stukken heeft op 13 oktober 2025 de terechtzitting in het Verenigd Koninkrijk tegen de veroordeelde plaatsgevonden en is op die datum mondeling uitspraak gedaan. Uit deze stukken blijkt de duur van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij het vonnis van
the Canterbury Crown Courtvan 13 oktober 2025. Daarnaast bevat het verzoek een omschrijving van het strafbare feit onder de punten “
key evidence”en “
drugs evidence”.
De rechtbank is van oordeel dat uit voormelde stukken - in onderlinge samenhang bezien - duidelijk blijkt dat de veroordeelde op 13 oktober 2025 door
the Canterbury Crown Courtis veroordeeld tot een vrijheidsstraf van zes jaar wegens invoer van 3,415 kilogram cocaïne in het Verenigd Koninkrijk op 6 april 2018. Dat de verdenking blijkens het overleveringsverzoek zag op de invoer van
3,14kilogram cocaïne en de veroordeling ziet op de invoer van ongeveer
3,5kilogram cocaïne, leidt niet tot een ander oordeel. Ten tijde van de overlevering ging het immers om een verdenking die dan nog verder onderzocht moet worden. Van belang is of duidelijk voor welk strafbaar feit de veroordeelde uiteindelijk veroordeeld is. Gelet op de vermelding van het gewicht aan cocaïne dat is vermeld in
the key evidenceis het duidelijk dat het gaat om de invoer van in totaal 3,415 kilogram cocaïne in het Verenigd Koninkrijk.
Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van een gewaarmerkt vonnis als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, VOGP. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het stellen van aanvullende vragen aan de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank dient de tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis toelaatbaar te worden verklaard, nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde vereisten is voldaan.
Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

4.Motivering van de strafoplegging

Verzoek om voortgezette tenuitvoerlegging van de opgelegde straf
In het verzoek van 4 december 2025 hebben de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk primair verzocht om “
continued enforcement” van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde vrijheidsstraf van zes jaar in Nederland op grond van artikel 10 VOGP Pro. Subsidiair hebben de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk aangegeven akkoord te gaan met een omzetting van de straf op grond van artikel 9, eerste lid onder b, VOGP.
In de overleveringsprocedure hebben de Britse autoriteiten op 20 augustus 2025 het volgende gegarandeerd:
“The United Kingdom further undertakes that, upon the transfer of [opgeëiste persoon] to the Netherlands, the Dutch authorities may, in accordance with article 11 of the 1983 Council of Europe Convention on the Transfer of Sentenced Persons, convert the sentence imposed by the UK to conform to Dutch legal practice.”.
De rechtbank stelt vast dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 43 e.v. WOTS niet bevoegd is te oordelen over een verzoek om voortgezette tenuitvoerlegging. Nu in het kader van de overleveringsprocedure echter een terugkeergarantie is verstrekt waarin is toegestemd in omzetting van de opgelegde vrijheidsstraf naar Nederlandse maatstaven én de brief van
4 december 2025 door een andere Britse justitiële autoriteit is verstrekt dan de terugkeergarantie, gaat de rechtbank er van uit dat er door de Britse autoriteiten abusievelijk (primair) om voortgezette tenuitvoerlegging is verzocht. De rechtbank acht zich daarom bevoegd om het verzoek te behandelen en de omzetting van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde vrijheidsstraf te gelasten. Daarbij neemt zij ook in aanmerking dat de Minister de stukken in handen van de officier van justitie heeft gesteld en deze de vordering ex artikel 18 WOTS Pro heeft gedaan. Hieruit volgt dat het van de zijde van de Nederlandse justitiële autoriteiten niet de bedoeling is geweest dat de veroordeelde haar straf in het kader van een voortgezette tenuitvoerlegging zou uitzitten.
Inleiding
In de begeleidende brief bij het verzoek van 4 december 2025 hebben de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk onder andere het volgende vermeld over het verzoek tot tenuitvoerlegging, de opgelegde straf en over de regeling van vervroegde invrijheidsstelling:
“(…) I refer this case to the Dutch authorities on the basis of “continued enforcement” under Article 10 of the Convention. However, if the Dutch authorities are unable to continue to enforce or adapt the sentence in this case, the British authorities would be willing to allow the Dutch authorities to convert the sentence imposed by the British courts to an appropriate sentence in accordance with Article 9 (1) (b) of the Convention. The UK has recently brought out legislative changes to avert a prison capacity crisis, which means that prisoners sentenced to Standard Determinate Sentences (SDS) will be released after serving 40% of their sentence (…) The prisoner has been sentenced to a Standard Determinate sentence of 6 years of imprisonment and must serve 40 % of her sentence. Her Sentence End Date has been calculated to be 11/092031(de rechtbank begrijpt: 11/09/2031) and her Conditional Release Date is 05/02/2028.”
The sentencing remarksvan 13 oktober 2025 vermelden onder andere het volgende over de bewezenverklaring en strafoplegging:
“(…) Seven years ago you brought three and a half kilograms of cocaine into the United Kingdom … Three and a half kilos in my judgment means that this is a category 1 case with your role in this being described by the Crown and being agreed by the defence as being significant because it was operational (…) The starting point for a significant role category 1 case is 10 years’ imprisonment, with a range of between nine and 12 years custody. There are statutory aggravating features, notably your previous convictions from abroad. They do make your offending more serious, but because I do not know much about them they’re not going to necessitate a significant upward adjustment. What is plain from your presentation in court is that you have experienced physical impairments. That will make your time in custody more difficult, and so as an act of mercy, if nothing else, I will be reducing the sentence because of that (…) You pleaded guilty today and so you’re entitled to 25 per cent credit, that means the sentence of the court is one of six years’ imprisonment. You’ll serve 40 per cent of that sentence in custody before being released on licence.”
Onder het punt “
key evidence”in het verzoek is onder andere het volgende vermeld over het strafbare feit:

On 6th April 2018 at 01:45 hours, Dutch-Suriname national [opgeëiste persoon] DOB [geboortedag] /1963 was stopped at the UK Control Zone, Inbound Tourist Controls, Coquelles, France. She was a passenger on the Eurolines service bus from Amsterdam on route to Victoria Coach Station in London (…) A search of [opgeëiste persoon] suitcase was conducted and four bottles of ‘Top Stroop’ were identified … field tests were then conducted on the liquid contained in all four bottles of ‘Top Stroop’, all of which resulted as positive for cocaine hydrochloride.”
In een e-mail van 17 mei 2026 heeft de selectiefunctionaris Internationale Overdracht Strafvonnissen het volgende vermeld over de ERSED-regeling in het Verenigd Koninkrijk:
“Van informatie van het VK in andere zaken weten wij dat de datum van 3 juni
(van 2026, toevoeging rechtbank)gebaseerd is op de Early Removal scheme (ERSED regeling). Alleen vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard komen hiervoor in aanmerking. Dit is een vreemdelingerechtelijke maatregel, vergelijkbaar met de Nederlandse Strafonderbreking (SOB) ogv artikel 40a Rtvi, wat inhoudt dat deze personen eerder vrij kunnen komen met als voorwaarde dat ze worden uitgezet en niet meer mogen terugkeren naar het VK. Als zij na uitzetting ogv de ERSED regeling terugkeren dan moeten zij hun strafrestant verder uitzitten in het VK. Strafoverdracht en ERSED kunnen in feite naast elkaar lopen, maar het is of uitzetting ogv ERSED of strafoverdracht ogv VOGP. Zie bijgaand document met de informatie over de ERSED regeling.
Verder heeft het VK in andere zaken bevestigd dat de ERSED datum geen gegarandeerde datum van vrijlating is, maar slechts het begin aanmerkt van de periode waarin de gedetineerde in aanmerking zou komen voor eventuele uitzetting. Het is dan ook niet gegarandeerd dat de gedetineerde op de ERSED datum vrijgelaten en uitgezet zou worden. (…) Wellicht ten overvloede: IOS beschouwd de ERSED regeling niet als v.i. regeling waar rekening mee gehouden kan worden ex artikel 6.2.10 lid 4 sub a Sv. Als er sprake zou zijn van een voortzettingsprocedure (wat altijd het geval is, als er geen sprake is van een TKG) dan houden we bij het VK alleen rekening met hun Conditonal Release Date, als deze eerder is dan de Nederlandse vi datum. Ons is namelijk bekend dat deze datum met een zekere mate vaststaat. Bij een omzetting is er geen sprake meer van een buitenlandse straf en is artikel 6.2.10 lid 4 sub a Sv niet van toepassing.”
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de veroordeelde door het Verenigd Koninkrijk is uitgezet op grond van de ERSED-regeling, niet inhoudt dat een strafoplegging door de rechtbank als een strafverzwaring zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder d, VOGP moet worden gezien. Volgens de officier van justitie moet bij een strafomzetting gekeken worden naar de datum 5 februari 2028, zijnde de datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling in het Verenigd Koninkrijk. Een Nederlandse gevangenisstraf zou dan niet langer mogen duren. Voor de vraag wanneer sprake is van strafverzwaring moet niet uitgegaan worden van de daadwerkelijke datum van uitzetting op
2 juni 2026, het begin van de ERSED-regeling. Dit betreft een vreemdelingrechtelijke maatregel waarbij de uitzetdatum niet van tevoren vast stond. De Britse autoriteiten hebben de veroordeelde niet zonder meer uitgezet, maar hebben haar uitgezet door middel van de ERSED-regeling en daarbij aan Nederland een verzoek gedaan op grond van de VOGP. Hiermee hebben de Britse autoriteiten uitdrukkelijk beoogd dat de veroordeelde de resterende straf in Nederland uit zou zitten.
De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in het Verenigd Koninkrijk in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van haar opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd die zij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de WOTS van haar vrijheid beroofd is geweest. Volgens de officier van justitie is dit de straf die de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het openbaar ministerie vermelden bij de invoer van harddrugs tussen de 3 en 4 kilogram, waarbij rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden en een eerdere veroordeling voor een vergelijkbaar strafbaar feit.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank in verband met artikel 11, eerste lid, onder d, VOGP bij de strafomzetting geen hogere straf mag opleggen dan de straf die de veroordeelde al heeft uitgezeten, omdat anders sprake is van strafverzwaring. Aan de veroordeelde is in het Verenigd Koninkrijk een ERSED-regeling opgelegd. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde wordt uitgezet en dat zij het strafrestant niet hoeft uit te zitten zolang zij niet terugkeert naar het Verenigd Koninkrijk. De huidige situatie waarin de veroordeelde zich dus op dit moment bevindt, is dat zij geen enkele straf uit hoeft te zitten zolang zij niet terugkeert naar het Verenigd Koninkrijk. Wanneer de rechtbank aan haar een straf zou opleggen, zou dit dus voor de feitelijke situatie van de veroordeelde een strafverzwaring betekenen. De datum van uitzetting en het starten van de ERSED-regeling stond vast en was al maanden van tevoren aan de veroordeelde bekendgemaakt en zij heeft hier redelijkerwijs op mogen vertrouwen.
De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat een straf van 274 dagen moet worden opgelegd, wat het aantal dagen is dat de veroordeelde gedetineerd is geweest tot en met 3 juni 2026. Dit zou tot gevolg hebben dat de veroordeelde niet opnieuw gedetineerd wordt. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd.
  • De LOVS-richtlijn schrijft over een vrijheidsstraf van 30 tot 36 maanden bij invoer van harddrugs tussen de 3 en 4 kilogram.
  • In de op te leggen straf moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde. Zij is een week voor de zitting in de overleveringszaak aan haar heup geopereerd en kort daarna feitelijk overgeleverd. In het Verenigd Koninkrijk heeft zij niet de vereiste fysiotherapie en juiste medicatie ontvangen, waardoor haar gezondheidssituatie is verergerd. De veroordeelde bevindt zich verder in een lastige financiële positie. Zij is bezig met het aanvragen van een uitkering en ontvangt in de tussentijd geen inkomen. Het is onzeker of zij haar sociale huurwoning kan blijven behouden in het geval zij opnieuw wordt gedetineerd.
  • De veroordeelde heeft altijd op bijstandsniveau geleefd, waarvan misbruik is gemaakt. Zij heeft slechts een koeriersrol gehad bij de invoer van de drugs.
  • Het feit is meer dan acht jaar geleden gepleegd, namelijk in april 2018.
  • Uit het dossier blijkt niet dat de veroordeling in 2017 in Nederland door de rechter in het Verenigd Koninkrijk bij de strafoplegging is meegenomen als strafverzwarende omstandigheid.
  • De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met buitenlandse gevoeligheden.
  • Het Verenigd Koninkrijk heeft ervoor gekozen om de veroordeelde uit te zetten met de ERSED-regeling, heeft haar maanden van tevoren op de hoogte gesteld van de datum van uitzetting en heeft dit zo snel mogelijk uitgevoerd.
Indien de rechtbank van oordeel is dat niet volstaan kan worden met 274 dagen gevangenisstraf, heeft de raadsvrouw zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat aan de veroordeelde 274 dagen gevangenisstraf moet worden opgelegd met daarnaast een voorwaardelijke vrijheidsstraf.
Oordeel van de rechtbank
Strafverzwaring na ERSED-regeling
Bij de keuze tot het opleggen van de straf neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Uit artikel 11, eerste lid, onder d, VOGP volgt dat de omzetting van de straf voor de veroordeelde geen verzwaring van de straf mag inhouden die is opgelegd in het buitenland. De rechtbank constateert dat aan de veroordeelde in het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf van zes jaar is opgelegd, waarna de ERSED-regeling op haar van toepassing is verklaard en zij als ongewenste vreemdeling het Verenigd Koninkrijk is uitgezet. Uit de aanvullende informatie van 17 mei 2026 blijkt dat de ERSED-regeling een hoofdzakelijk vreemdelingenrechtelijke maatregel betreft. Voorafgaand aan de uitzetting van de veroordeelde op 2 juni 2026 hebben de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk op 4 december 2025 een verzoek ingevolge het VOGP ingediend bij de Nederlandse autoriteiten.
Naar het oordeel van de rechtbank kan een vreemdelingenrechtelijke maatregel zoals die hier is toegepast, in de Nederlandse strafrechtssfeer redelijkerwijs niet als gevolg hebben dat de omzetting van een buitenlandse vrijheidsstraf in een vergelijkbare straf in Nederland als strafverzwaring zou gelden, waardoor de veroordeelde in Nederland geen enkele vrijheidsstraf meer hoeft te ondergaan. De rechtbank overweegt dat de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk de veroordeelde niet zonder meer hebben uitgezet, maar voorafgaand aan die uitzetting ingevolge het VOGP een verzoek hebben ingediend. Hiermee hebben de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk uitdrukkelijk verzocht en beoogd dat de Nederlandse autoriteiten de tenuitvoerlegging van de straf zouden overnemen, zodat de veroordeelde de resterende straf in Nederland uit zou zitten na omzetting van de opgelegde vrijheidsstraf. Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele mededeling van de autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk aan de veroordeelde dat zij rond 3 juni 2026 zou worden uitgezet naar Nederland op grond van de ERSED-regeling, niet als gevolg hebben dat de veroordeelde er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat in Nederland geen strafomzetting en strafoplegging meer zou volgen. Uit de aanvullende informatie van 17 mei 2026 blijkt bovendien dat de datum 3 juni 2026 niet vaststond.
De rechtbank is bij de omzetting van de vrijheidsstraf dan ook niet bij voorbaat gebonden aan de datum van uitzetting en de startdatum van de ERSED-regeling. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Strafomzetting: strafmodaliteit en duur
Bij de omzetting van de vrijheidsstraf dient beoordeeld te worden of sprake is van feitelijke strafverzwaring ten opzichte van de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde straf van zes jaar en de uiterlijke datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De rechtbank houdt rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor de rechtbanken en gerechtshoven voor de invoer van 3 tot 4 kilogram cocaïne. Bij die hoeveelheid is volgens die oriëntatiepunten een vrijheidsstraf van 30 tot 36 maanden het uitgangspunt. Daarbij gaat de rechtbank uit van de rol van veroordeelde van koerier.
De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur, nu het, gezien de bewezenverklaring, gaat om een ernstig strafbaar feit, te weten de invoer van harddrugs. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan.
De rechtbank overweegt dat de veroordeelde een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank stelt vast dat het algemeen bekend is dat de handel in en het gebruik van harddrugs een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Cocaïne is verslavend en voor de gezondheid van gebruikers daarvan een zeer schadelijke stof. Van drugshandel gaat bovendien in aanzienlijke mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, waartegen krachtig moet worden opgetreden. Drugs en de handel daarin leiden, direct of indirect, tot ernstige vormen van geweld en criminaliteit en daarmee tot onveiligheid in de samenleving.
De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat de veroordeelde al in 2015 is veroordeeld voor een soortgelijk delict als bovenstaande en dus sprake is van strafverzwarende recidive. De veroordeelde heeft het strafbare feit gepleegd kort na afloop van de proeftijd in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling naar aanleiding van de veroordeling in 2015. Zij pleegde het feit op 6 april 2018, terwijl de proeftijd afliep op
25 november 2017. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijke straf in dit geval dan ook niet passend. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om de hoogte van de vrijheidsstraf zoals opgelegd in het Verenigd Koninkrijk aan te passen. Hierbij neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking.
De veroordeelde bevindt zich in een kwetsbare financiële positie en door haar gezondheidsproblemen is het voor haar ingewikkeld om voor zichzelf te zorgen. Er bestaat onzekerheid over haar uitkering en het behoud van haar sociale huurwoning, waarover zij in overleg is met de gemeente en het wijkteam. Zij wordt deels onderhouden door haar kinderen. De veroordeelde heeft het feit ruim acht jaar geleden gepleegd. Het heeft dus lang geduurd voordat zij onherroepelijk is veroordeeld en de overname van de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan plaatsvinden. De veroordeelde heeft ter zitting haar gezondheidsproblemen toegelicht, waardoor de straf in haar geval zwaarder weegt dan voor een gemiddelde gedetineerde. Een week voordat de zitting in de overleveringsprocedure in Nederland plaatsvond, is zij geopereerd aan haar heup. Kort daarna is zij overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, waar zij naar eigen zeggen niet de vereiste fysiotherapie en medicatie heeft ontvangen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 27 maanden passend.
Vanwege de omstandigheden die hierboven zijn opgesomd, is de straf lager dan de in het Verenigd Koninkrijk opgelegde straf. Daarbij is echter rekening gehouden met het volgende. De Nederlandse overheid waarschuwt regelmatig en nadrukkelijk dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland, en met name op het gebied van verdovende middelen, grote risico's zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar voor dit soort feiten worden opgelegd. Door zich in het Verenigd Koninkrijk aan het voornoemde delict schuldig te maken, heeft de veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland. Dit risico komt voor haar rekening. Bovendien heeft de rechtbank in haar taak een straf op te leggen ook, zoals reeds in deze paragraaf is uitgelegd, rekening gehouden met de Nederlandse maatstaven die voor dit soort misdrijven als uitgangspunt dienen bij de strafoplegging. Verder is het feit dat deze straf die de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank daadwerkelijk nog moet ondergaan, niet veel korter dan in geval van de straf zoals opgelegd in het Verenigd Koninkrijk. De veroordeelde zou, volgens de begeleidende brief bij het verzoek van 4 december 2025, in het Verenigd Koninkrijk na het uitzitten van 40% van haar straf op 5 februari 2028 in beginsel in vrijheid worden gesteld.
Het opleggen van een hogere straf dan 27 maanden zou in verband met de huidige Nederlandse regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidsstelling bovendien een strafverzwaring inhouden.

5.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet;
De artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;
De artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163);
Artikel 3 van Pro het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten Straatsburg op 18 december 1997 (Trb. 1998, 202).

6.Beslissing

VERKLAART TOELAATBAARde tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van
the Canterbury Crown Courtvan 13 oktober 2025 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.
LEGT OPeen gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.
BEVEELTdat de tijd die
[opgeëiste persoon]voornoemd in Nederland in overleveringsdetentie en in het Verenigd Koninkrijk in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de haar opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke zij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van haar vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mr. L. Baroud en mr. A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2026.