ECLI:NL:RBAMS:2026:7619

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
13-399290-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en gelijktijdige tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen op grond van artikel 6a Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, geboren in 1996 in Polen. Na een zitting op 19 mei 2026 en een tussenuitspraak op 27 mei 2026, waarin de rechtbank het onderzoek opschortte om aanvullende documenten op te vragen, werd de behandeling voortgezet op 7 juli 2026.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat zij de Poolse nationaliteit bezit. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. en de overgelegde certificaten en vonnissen, oordeelde de rechtbank dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander was voldaan.

De rechtbank besloot daarom de overlevering aan Polen te weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen in Nederland te bevelen. Tevens werd de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van de straf bevolen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-399290-24
Datum uitspraak: 21 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 november 2024 door de
Sąd Okręgowy W Koninie (the Regional Court in Konin),Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 19 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 27 mei 2026 [3]
De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van de veroordelende vonnissen op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting van 7 juli 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 27 mei 2026

De rechtbank verwijst naar deze tussenuitspraak. Hierin heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro (onder 4), de strafbaarheid van de in het in EAB vermelde feiten (onder 5) en artikel 11 OLW Pro (onder 6). Deze overwegingen dienen als hier ingelast te worden beschouwd.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Inleiding
In de tussenuitspraak van 27 mei 2026 heeft de rechtbank onder punt 7 geoordeeld dat aan beide voorwaarden voor gelijkstelling is voldaan en dat de tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Deze overwegingen kunnen hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de overlevering kan weigeren en de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen kan bevelen, omdat het certificaat en de veroordelende vonnissen door de Poolse autoriteiten zijn overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 in de zaak C.J. [4] heeft de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming gegeven voor de strafovername middels het toesturen van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het arrest van
the District Court in Koninvan 21 juni 2022 met kenmerk II Ka 268/22, een kopie van het vonnis van
the District Court in Koninvan 11 januari 2022 met kenmerk II K 710/21 en een kopie van het vonnis van
the District Court in Koninvan 5 december 2019 met kenmerk II K 1186/19.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen.
Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straffen door Nederland.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.

7.7. Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy W Koninie (the Regional Court in Konin),Polen voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van 27 mei 2026 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland, te weten
  • één jaar,
  • één jaar en drie maanden, en
  • één jaar.
HEFT OPde geschorste overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.HvJ EU 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (C.J. (