ECLI:NL:RBAMS:2026:7683

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
13/213697-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit kindermisbruik- en dierenmisbruikmateriaal met deels voorwaardelijke taakstraf

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 juli 2026 een 51-jarige man veroordeeld voor het verwerven en bezitten van kindermisbruik- en dierenmisbruikmateriaal gedurende de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 oktober 2024. De tenlastelegging omvatte onder meer het bezit van foto’s en video’s waarop seksuele handelingen met minderjarigen en dieren te zien waren. Verdachte heeft de feiten bekend en er is geen bewijsverweer gevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de bewijsmiddelen, waaronder een bekennende verklaring en een proces-verbaal met beschrijvingen van het materiaal, voldoende waren om de feiten bewezen te verklaren. De verdediging stelde een vormverzuim aan vanwege het ontbreken van een machtiging voor de doorzoeking van gegevensdragers, maar dit werd verworpen omdat verdachte toestemming had gegeven.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en psychosociale problematiek. Gezien deze factoren werd een taakstraf van 80 uur opgelegd, deels voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een korte gevangenisstraf van één dag met vervangende hechtenis bij niet-naleving. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, deels voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een korte gevangenisstraf van één dag met vervangende hechtenis bij niet-naleving.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/213697-25
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
9 juli 2026 en 30 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S. de Bont, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Karstens, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. het verspreiden, aanbieden, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, in- en doorvoeren, vervaardigen, uitvoeren, verwerven en bezit hebben van kindermisbruikmateriaal en het zich door middel van een geautomatiseerd netwerk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, in de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 oktober 2024;
2. het bezit en vervaardigen van dierenmisbruikmateriaal in dezelfde periode.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten bewezen, met uitzondering van het verspreiden, aanbieden en vervaardigen van het kindermisbruik- en het dierenmisbruikmateriaal.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft het hierna bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat daarom op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opgave van de hierna genoemde bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juli 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting;
- een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met nummer 2023189649 met bijlagen I tot en met III van 26 mei 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar], doorgenummerde bladzijden 01-014 tot en met 01-033, inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisant.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1
in de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 oktober 2024 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, en Bussum, gemeente Gooise Meren, meermalen,
(in de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024)
afbeeldingen en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken, heeft verworven en in bezit heeft gehad
en
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 oktober 2024)
visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken heeft verworven en in bezit heeft gehad, te weten foto’s en video’s en een Redmi telefoon (goednummer 6580756) en een Samsung tablet (goednummer 6580757), waarop te zien is dat:
die persoon vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een penis en/of een vinger/hand en/of een voorwerp en/of een ander persoon oraal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon en/of het eigen lichaam vaginaal en/of anaal wordt gepenetreerd met een vinger/hand en/of een voorwerp door die persoon
- #07, p. 01 030
- #08, p. 01 031
- #09, p. 01 031
- #10, p. 01 032
en
het geslachtsdeel en/of de billen en/of een ander lichaamsdeel van die persoon met een penis en/of een vinger/hand en/of een mond/tong wordt/worden aangeraakt en/of die persoon het eigen geslachtsdeel met een vinger/hand aanraakt
- #05, p. 01 029
- #06, p. 01 030
- #07, p. 01 030
- #08, p. 01 031
- #09, p. 01 031
- #10, p. 01 032
en
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij:
- die persoon geheel en/of gedeeltelijk naakt is en/of
- door het camerastandpunt en/of de onnatuurlijke houding van die persoon de
borsten en/of billen van die persoon in beeld worden gebracht
- #01, p. 01 027
- #02, p. 01 028
- #03, p. 01 028
- #04, p. 01 029
- #05, p. 01 029
- #06, p. 01 030
- #07, p. 01 030
- #08, p. 01 031
- #09, p. 01 031
en/of
bij/naast het lichaam van die persoon een penis wordt gehouden
- #10, p. 01 032;
2
in de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 oktober 2024 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, en Bussum, gemeente Gooise Meren, meermalen,
(in de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024)
afbeeldingen en gegevensdragers, te weten foto’s en video’s, in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn waarbij een mens en een dier zijn betrokken
en
(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 oktober 2024)
een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken in bezit heeft gehad
te weten:
- het door een dier, te weten een hond, met zijn snuit aanraken van een stijve penis van een man (#11, p. 01 032) en
- het door een dier, te weten een hond, likken van een stijve penis van een man en met die stijve penis van die man tegen de kop van dat dier aantikken (#12, p. 01 033) en
- het in de vagina van een vrouw gaan/springen door een dier, te weten een kikker, en het (verder) duwen van dat dier in die vagina van die vrouw (#13, p. 01 033).

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.(On)rechtmatige doorzoeking gegevensdragers

De raadsvrouw heeft gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Gegevensdragers die bij een doorzoeking van de woning van verdachte in beslag zijn genomen zijn namelijk doorzocht zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Daardoor is een onrechtmatige inbreuk gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachte (onder meer gewaarborgd in artikel 8 EVRM Pro). Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt verzoekt de raadsvrouw strafvermindering toe te passen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat geen sprake is geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De politie is met instemming van verdachte op 12 november 2024 binnengetreden in de woning waar hij verbleef. Verdachte heeft de cautie gekregen, heeft daarna de politie toestemming gegeven voor de doorzoeking van zijn gegevensdragers en de codes gegeven. Een machtiging van de rechter-commissaris was in dit geval dan ook niet vereist. De rechtbank verwerpt het verweer.

9.Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 dag en een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
9.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft nadrukkelijk verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en het taakstrafverbod niet toe te passen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich meer dan twee jaar schuldig gemaakt aan het verwerven en in bezit hebben van kindermisbruik- en dierenmisbruikmateriaal. Op zijn gegevensdragers zijn 58 visuele weergaven van kindermisbruikmateriaal en 12 visuele weergaven van dierenmisbruikmateriaal aangetroffen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die ten behoeve van het vervaardigen van kindermisbruikmateriaal worden misbruikt ernstig psychisch kunnen worden beschadigd en fysiek letsel kunnen oplopen. Hiervan kunnen zij nog jarenlang de gevolgen ondervinden, zo niet de rest van hun leven. Kindermisbruikmateriaal is voor de slachtoffers extra ontwrichtend omdat de beelden nooit meer van het internet verdwijnen. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van de vraag naar dit materiaal en daarmee het in stand houden van kindermisbruik.
Voor de vervaardiging van het dierenmisbruikmateriaal zijn dieren misbruikt en geëxploiteerd. Ook hiervoor geldt dat door het bekijken en bewaren van dit soort materiaal de vraag daarnaar blijft bestaan en het vervaardigen wordt bevorderd.
In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest, hij op zitting de ten laste gelegde feiten heeft bekend en dat het gaat om oudere feiten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 18 mei 2026. Hierin schrijft de reclassering dat zij het psychosociaal functioneren als voornaamste delict-gerelateerde factor zien. Bij verdachte is een licht verstandelijke beperking vastgesteld. Begin 2022 overleed de moeder van verdachte, wat een grote impact op hem heeft gehad. Sinds die periode voelde verdachte zich in toenemende mate eenzaam. Online vond verdachte een vorm van sociaal contact en verbinding. Gedurende die periode zijn signalen zichtbaar van seksuele preoccupatie en seks als coping. De reclassering sluit een toename van de risico’s in de toekomst niet uit, bijvoorbeeld bij tegenslag op een van de leefgebieden. Door zijn verstandelijke beperking is verdachte echter verminderd leerbaar, wat het moeilijk maakt om hier tijdens een behandeling adequaat/preventief op in te zetten. Verdachte is ook niet gemotiveerd voor reclasseringsinterventies. De reclassering vindt de huidige ambulante begeleiding door Cura Ambulant passend. Sinds 2023 heeft verdachte een relatie met zijn huidige partner. De reclassering ziet deze relatie als beschermende factor.
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank acht een taakstraf zoals gevorderd door de officier van justitie passend, maar zal naast de taakstraf geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen. De rechtbank is zich bewust van het op grond van artikel 22b, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht geldende taakstrafverbod, maar is van oordeel dat in dit geval met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen enkel strafdoel in redelijkheid wordt gediend.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b (oud), 14b, 14c, 22c, 22d, 57 (oud), 240b (oud), 252, 254a (oud) en 254c van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 voor de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024:
een afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding, van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 1 voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 10 december 2024:
een visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2 voor de periode van 13 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024:
een afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding, van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2 voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 10 december 2024:
een visuele weergave van een seksuele handeling waarbij een mens en een dier zijn betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
80 uren.
Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
40 dagen.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
40 uren, van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van
20 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. Sloot, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en C.S. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2026.