ECLI:NL:RBAMS:2026:7695

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
12188285 \ EA VERZ 26-448
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ontruimingstermijn bedrijfsruimte na huurovereenkomst

Eiser huurt sinds november 2014 een bedrijfsruimte van De Purperreiger. De huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd per december 2025, met ontruimingsbescherming tot 30 april 2026. Eiser verzoekt verlenging van deze termijn met twaalf maanden.

De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 7:230a BW verlenging alleen mogelijk is bij ernstige belangen van de huurder. Geconstateerd wordt dat eiser wanbetaling heeft gepleegd en onvoldoende heeft betaald ondanks duidelijke uitleg van verhuurder. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd waarom verlenging noodzakelijk is; de verhuizing is uitvoerbaar en er zijn alternatieve locaties.

De belangenafweging valt in het voordeel van verhuurder uit. Eiser heeft zeven maanden voorbereidingstijd gehad en kan de huur moeilijk betalen. Daarom wordt het verzoek afgewezen, wordt de ontruiming vastgesteld op 14 september 2026 en moet eiser de gebruiksvergoeding tot die datum betalen. Tevens wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ontruimingstermijn afgewezen en ontruiming vastgesteld op 14 september 2026.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12188285 \ EA VERZ 26-448
Proces-verbaal van de mondelinge beschikking van 13 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker],
procederend in persoon,
tegen
STICHTING DE PURPERREIGER,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: De Purperreiger,
gemachtigde: mr. M. Heikens.
[verzoeker] heeft een verzoekschrift met producties ingediend, ontvangen op 9 april 2026. De Purperreiger heeft een verweerschrift met producties, en een tegenverzoek ingediend.
Op 13 juli 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is behandeld door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en mr. M.E. Zwart da Silva Palma en L. Berends als griffiers. [verzoeker] is in persoon verschenen. Namens De Purperreiger is [naam] ([functie]) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
[verzoeker] huurt sinds 1 november 2014 van De Purperreiger een bedrijfsruimte in het pand aan de [adres] (hierna: het atelier). De huurovereenkomst is op 3 december 2025 rechtsgeldig opgezegd. In het kort geding vonnis van deze rechtbank van 23 maart 2026 (zaaknummer C/13/783645 / KG ZA 26-124 MK/GR) is bepaald dat de huurovereenkomst per 28 februari 2026 is geëindigd en dat [verzoeker] tot en met 30 april 2026 ontruimingsbescherming heeft. [verzoeker] verzoekt verlenging van die termijn voor de duur van twaalf maanden.
1.2.
Artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, kort gezegd, dat de termijn voor ontruiming kan worden verlengd als de belangen van de huurder zodanig ernstig worden geschaad dat die moeten prevaleren. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan in deze zaak geen sprake is.
1.3.
Allereerst bepaalt het vierde lid van artikel 7:230a BW dat als sprake is van wanbetaling, het verzoek tot verlenging wordt afgewezen als de verhuurder aannemelijk maakt dat vanwege de wanbetaling van hem niet verwacht kan worden dat de huurder langer het recht op gebruik van de zaak behoudt. Gebleken is dat [verzoeker] de afgelopen maanden niet de volledige gebruiksvergoeding voor het atelier heeft betaald. Weliswaar heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat hij niet heeft begrepen dat hij na het vertrek van de medehuurder de volledige huur moest betalen, maar dit is geen omstandigheid die De Purperreiger tegengeworpen kan worden. Bovendien heeft De Purperreiger in haar e-mail van 10 juni 2026 duidelijk uitgelegd dat [verzoeker] de volledige gebruiksvergoeding moest betalen, maar nadien heeft [verzoeker] nagelaten dit alsnog te doen.
1.4.
Maar ook na afweging van de belangen is de kantonrechter van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van De Purperreiger moet uitvallen. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat een verhuizing voor [verzoeker] nadelige gevolgen kan hebben, zijn zijn belangen niet dermate ernstig dat de ontruimingstermijn moet worden verlengd. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd waarom het niet mogelijk zou zijn om te verhuizen. De spullen op de foto’s zijn gemakkelijk te verhuizen. Er zijn bijvoorbeeld geen grote installaties die lastig te ontkoppelen zijn. Daarnaast heeft [verzoeker] ter zitting te kennen gegeven dat de geplande workshops en boeklanceringen ook op een andere locatie kunnen plaatsvinden. Verder weegt de kantonrechter mee dat – zoals De Purperreiger terecht stelt – [verzoeker] al zeven maanden de tijd heeft gehad om zich op een ontruiming voor te bereiden. In het licht daarvan ligt het op de weg van [verzoeker] om ten minste voldoende gemotiveerd en onderbouwd te stellen dat hij zich heeft ingespannen om vervangende ruimte te vinden. Dit heeft hij niet gedaan, terwijl De Purperreiger verschillende alternatieve geschikte ruimtes heeft voorgedragen. Tot slot weegt mee dat [verzoeker] ter zitting heeft verklaard dat hij de volledige huur voor het atelier moeilijk kan betalen.
1.5.
Alles samen bezien is de kantonrechter van oordeel dat van De Purperreiger niet kan worden verwacht dat [verzoeker] nog langer van het atelier gebruik maakt, terwijl er onzekerheid bestaat of [verzoeker] de gebruiksvergoeding wel kan betalen. Dit betekent dat [verzoeker] het atelier moet verlaten. De door De Purperreiger verzochte termijn van zeven dagen is daarvoor te kort. [verzoeker] moet de tijd hebben om zich op de verhuizing voor te bereiden en heeft eind juli 2026 een oogoperatie. Daarom stelt de kantonrechter het tijdstip van ontruiming vast op 14 september 2026. Tot die tijd moet [verzoeker] een gebruiks-vergoeding betalen ter hoogte van de (volledige) laatstelijk geldende maandelijkse huurprijs.
1.6.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten aan de zijde van De Purperreiger worden begroot op € 542,50, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en de nakosten (0,5 punt x € 217,-). De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.1.
wijst het verzoek om verlenging van de ontruimingstermijn af,
2.2.
stelt het tijdstip van ontruiming van de bedrijfsruimte in het pand aan de [adres] vast op 14 september 2026,
2.3.
stelt de gebruiksvergoeding vast op de laatstelijk geldende maandelijkse huurprijs en bepaalt dat [verzoeker] deze maandelijks verschuldigd is tot het moment van ontruiming,
2.4.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten in het verzoek, aan de zijde van De Purperreiger begroot op € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald,
2.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge beschikking is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, en L. Berends, griffier, op 13 juli 2026.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.