ECLI:NL:RBAMS:2026:7782

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/4787 en AWB 24/4790
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 Wegenverkeerswet 1994Art. 46 Reglement rijbewijzenArt. 2 Regeling omwisseling niet-Nederlandse rijbewijzenArt. 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrechtArtikel 10e, tweede lid, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omwisseling Canadees rijbewijs wegens niet-tijdige aanvraag buiten 30%-regeling

Eisers, beiden kennismigranten, dienden een aanvraag in voor omwisseling van hun Canadese rijbewijs naar een Nederlands rijbewijs. De RDW wees deze aanvragen af omdat zij niet langer onder de 30%-regeling vielen, een fiscale regeling die uitzonderingen op de rijbewijsomwisseling mogelijk maakt.

De rechtbank oordeelde dat eisers de aanvraag te laat hadden ingediend, namelijk na het verstrijken van de geldigheidsduur van de 30%-regeling die liep van 15 april 2023 tot 14 november 2023. Eisers voerden aan dat zij door de bezwaarprocedure tegen de Belastingdienst en de late ontvangst van het voornemen tot niet-ontvankelijkheid van hun bezwaar niet tijdig konden aanvragen, en dat dit een overmachtsituatie vormde.

De rechtbank verwierp dit verweer omdat de RDW en de Belastingdienst verschillende instanties zijn en de RDW zich moest baseren op de geldende beschikking. Eisers hadden de aanvraag ook tijdens de bezwaarprocedure kunnen indienen of contact kunnen opnemen met de RDW. Daarnaast vond de rechtbank de afwijzing niet onevenredig, omdat eisers de mogelijkheid hebben om het Nederlandse rijbewijs via examen te behalen, ook in het Engels en met tolkhulp.

De rechtbank wees het verzoek om het onderzoek te heropenen af omdat nieuwe beroepsgronden te laat werden ingebracht en de procesorde dit niet toestaat. De beroepen werden ongegrond verklaard, en eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de omwisseling van het Canadees rijbewijs wegens te late aanvraag buiten de 30%-regeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/4787 en AWB 24/4790

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] (eiseres) en [eiser] (eiser), uit [plaats] , samen te noemen: eisers
(gemachtigde: [eiser] ),
en

de Dienst Wegverkeer (de RDW)

(gemachtigde: mr. D.R. Kamps).

Inleiding

1. Eisers hebben beide een aanvraag ingediend voor de omwisseling van hun Canadese rijbewijs naar een Nederlands rijbewijs. De RDW heeft deze aanvraag met de besluiten van 20 december 2023 afgewezen. Met de besluiten van 2 juli 2024 heeft de RDW het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
1.1.
Op 11 augustus 2024 hebben eisers een beroepschrift ingediend tegen de besluiten van 2 juli 2024 en ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. In de uitspraak van 3 september 2024 heeft deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. [1]
1.2.
De RDW heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (ook de gemachtigde van eisers), Y. Li als tolk Mandarijnen de gemachtigde van de RDW.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers tegen de besluiten van 2 juli 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Welke besluiten zijn er genomen?
3. Op 29 november 2023 hebben eisers een aanvraag ingediend om omwisseling van hun Canadese rijbewijzen voor een Nederlands rijbewijs. De RDW heeft deze aanvragen met de besluiten van 20 december 2023 afgewezen. Met de besluiten van 2 juli 2024 heeft de RDW het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Waarom heeft de RDW de aanvraag afgewezen?
4. Kort gezegd heeft de RDW de aanvragen afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan de voorwaarden. Zij hebben de aanvraag gedaan terwijl zij niet langer onder de zogeheten 30%-regeling vallen [2] . De Belastingdienst heeft namelijk op 22 juni 2023 in een beschikking vastgesteld dat eiseres als kennismigrant, en daarmee ook eiser als gezinslid, onder de 30%-regeling vallen van 15 april 2023 tot 14 november 2023. Eisers hebben de aanvraag voor omwisseling pas daarna gedaan.
Welke regels gelden er in de zaken van eisers?
5. Hieronder zal de rechtbank uitleggen welke regels er gelden in de besluiten van
2 juli 2024.
5.1.
De hoofdregel voor het verkrijgen van een Nederlands rijbewijs is opgenomen in artikel 111, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Een rijbewijs kan alleen worden afgegeven als de aanvrager van het rijbewijs beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid en is voldaan aan een van de drie situaties:
de aanvragers hebben hun rijexamens gehaald in Nederland;
als de aanvragers eerder in Nederland een rijbewijs hebben gehaald kan deze worden vervangen door een nieuwe; of
er is sprake van een rijbewijs wat buiten Nederland is afgegeven en, kort samengevat, voldoet aan de overige vereisten.
5.2.
Voor eisers is situatie c aan de orde. Eisers hebben namelijk een rijbewijs wat buiten Nederland is afgegeven, namelijk een Canadees rijbewijs. De overige vereisten staan in artikel 46 van Pro het Reglement rijbewijzen en artikel 2 van Pro de Regeling omwisseling niet-Nederlandse rijbewijzen. In deze artikelen staat, kort samengevat, dat mensen normaal niet in aanmerking komen om hun buitenlandse rijbewijs om te wisselen voor een Nederlands rijbewijs. Dit kan alleen als mensen onder de uitzonderingsregeling vallen. Kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen van de Nederlandse Belastingdienst, vallen onder deze uitzondering [3] .
Wat vinden eisers?
6. Eisers vinden dat de RDW ten onrechte hun aanvraag tot omwisseling van hun Canadese rijbewijs naar een Nederlands rijbewijs heeft afgewezen. Eisers geven aan dat zij de geldigheidsduur van de 30%-beschikking van de Belastingdienst van 22 juni 2023 in twijfel trokken en daarom bezwaar hebben gemaakt. Eisers stellen dat zij het voornemen van de Belastingdienst om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren pas na
14 november 2023 hebben ontvangen, waardoor zij niet vóór de vervaldatum van de 30%-regeling een rijbewijsomwisseling konden aanvragen. Dit is volgens eisers een objectieve overmachtsfactor, die hen niet kan worden tegengeworpen. Ook stellen eisers zich op het standpunt dat de afwijzing van hun aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. [4] Eisers spreken namelijk geen Nederlands en het is bijna onmogelijk om binnen twee à drie jaar het Nederlandse rijbewijs te halen.
Wat vindt de RDW?
7. De RDW stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Eisers hadden de aanvragen om omwisseling van hun rijbewijs vanaf eind juni/begin juli 2023, nadat zij de beschikking over de 30%-regeling van de Belastingdienst hadden ontvangen, bij de RDW kunnen indienen, in afwachting van de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure bij de Belastingdienst. Eisers hadden daar op dat moment nog ruim drie maanden de tijd voor. Dat eisers tegen de beschikking van de Belastingdienst bezwaar hebben gemaakt en de uitkomst van die bezwaarprocedure wilden afwachten, maakt dat niet anders. Daarbij merkt de RDW op dat eisers ook niet de volledige bezwaarprocedure hebben afgewacht. De Belastingdienst heeft op 12 december 2023 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en eisers hebben op 29 november 2023 de aanvraag ingediend bij de RDW. Als eisers twijfel hadden of zij ten tijde van de bezwaarprocedure een aanvraag bij de RDW konden indienen, had het op de weg van eisers gelegen om daar bij de RDW over te informeren. Van overmacht is dan ook geen sprake. Verder stelt de RDW zich op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag niet onevenredig is. De situatie van eisers is niet anders dan van mensen die (ook) geen geldige 30%-beschikking van de Belastingdienst hebben overgelegd.
Wat oordeelt de rechtbank? Procesbeslissing
8. Aan het begin van het onderzoek op de zitting heeft eiser stukken overgelegd, namelijk een ‘tijdlijn administratieve feiten’, twee e-mails en twee foto’s. De rechtbank heeft die stukken toegevoegd aan het dossier en de zaken verder behandeld. Na sluiting van het onderzoek gaf eiser aan dat hij nog een schriftelijke toelichting wilde indienen en heeft hij de rechtbank dat stuk laten zien. De rechtbank heeft toen aangegeven dat het onderzoek ter zitting al gesloten was en dat dat niet meer kon. De rechtbank heeft eiser ook uitgelegd dat ook als eiser dat stuk eerder tijdens de behandeling op zitting zou hebben ingediend, de rechtbank dat stuk niet zou hebben meegenomen. Dit omdat het meerdere nieuwe beroepsgronden bevatte en dit in strijd zou zijn met de goede procesorde.
8.1.
Op 20 april 2026 hebben eisers een stuk genaamd ‘nadere toelichting na zitting’ naar de rechtbank gestuurd. De RDW heeft op 21 april 2026 bezwaar gemaakt tegen de indiening, wegens strijd met de goede procesorde. Op diezelfde dag hebben eisers daarop gereageerd en de rechtbank verzocht om heropening. De RDW heeft wederom bezwaar gemaakt.
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en het stuk genaamd ‘nadere toelichting na zitting’ in de procedures te betrekken. Van belang daarbij is het tijdsverloop in deze zaak. Het bestreden besluit dateert van 2 juli 2024 en het beroep van 2 juli 2024. Eisers hebben ruimschoots de tijd gehad om hun argumenten naar voren te brengen in de beroepsprocedure. Dat eisers na de zitting nog met nieuwe beroepsgronden komen (onder meer met een beroep op het vertrouwensbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel) is naar het oordeel van de rechtbank te laat. Anderszins is ook niet gebleken dat het onderzoek onvolledig is geweest, of dat het voor eisers niet mogelijk was de gronden in het stuk genaamd ‘nadere toelichting na zitting’ eerder naar voren te brengen. Dat eiser tijdens de zitting niet adequaat kon reageren vanwege een taalbarrière is de rechtbank evenmin gebleken. Het verzoek om het onderzoek te heropenen wijst de rechtbank dan ook af.
Wat oordeelt de rechtbank? Inhoudelijk
9. De rechtbank begrijpt van eisers dat zij het niet eens waren met de geldigheidsduur van de 30%-regeling die de Belastingdienst heeft vastgesteld. Daarom zijn ze daartegen in bezwaar gegaan. Op de zitting heeft eiser toegelicht hoe het verloop is gegaan. De Belastingdienst heeft 22 juni 2023 vastgesteld dat eisers recht hadden op de 30%-regeling en de ingangsdatum op 15 april 2023 vastgesteld en de einddatum op 14 november 2023. Eisers zagen dat er een verkeerde ingangsdatum en einddatum op dit besluit stond en hebben daarom op 22 juni 2023 bezwaar gemaakt bij de Belastingdienst. Eisers hebben dit bezwaar te laat ingediend en de Belastingdienst heeft aangegeven binnen zes weken te beslissen, maar heeft dit met nog eens zes weken verlengd. Hierdoor kwam pas op 8 november 2023 het voornemen dat hun bezwaar niet-ontvankelijk verklaard zou gaan worden. Dit voornemen hebben eisers pas op 14 november 2023 ontvangen, dus toen was het al te laat om nog op tijd een aanvraag in te dienen. In het voornemen van de Belastingdienst stond dat eisers nog twee weken de tijd hadden om stukken aan te leveren waaruit blijkt dat ze een goede reden hadden om het bezwaar te laat in te dienen. Eisers kwamen erachter dat zij die stukken niet hadden. Deze twee weken moesten eisers dus afwachten en toen die termijn voorbij was hebben zij op 29 november 2023 de aanvraag bij de RDW ingediend.
9.1.
De rechtbank begrijpt van eisers dat zij hebben geluisterd naar wat de Belastingdienst aan hen heeft verteld over de bezwaarprocedure over de 30%-regeling. De rechtbank heeft eiser op zitting ook goed gehoord dat het nooit de bedoeling is geweest om stukken expres laat aan te leveren. En dat het feit dat de Belastingdienst niet zes maar twaalf weken heeft genomen om op hun bezwaar te beslissen voor eisers een grote rol heeft gespeeld. Toch vindt de rechtbank niet dat sprake is van een overmachtsituatie. Het besluit van de Belastingdienst over de 30%-regeling staat namelijk los van het besluit van de RDW over het omwisselen van de rijbewijzen. De Belastingdienst en de RDW zijn twee verschillende instanties die geen bevoegdheid hebben om iets te kunnen zeggen over elkaars besluiten. Dit betekent dat de RDW zich moest houden aan de informatie in het besluit van de Belastingdienst en niet de mogelijkheid had om iets te vinden over de periode waarin de 30%-regeling van toepassing was voor eisers. Daarom hadden eisers, ondanks dat de bezwaarprocedure bij de Belastingdienst nog niet klaar was, een aanvraag voor omwisseling van hun rijbewijzen bij de RDW moeten indienen. Zij hadden ook contact kunnen opnemen met de RDW om de situatie te bespreken en te vragen of het goed was dat zij de bezwaarprocedure bij de Belastingdienst eerst zouden afwachten. Dit hebben eisers niet gedaan en dat had wel van hen mogen worden verwacht. Zeker omdat zij hebben aangegeven dat het voor hen heel belangrijk was om snel een rijbewijs te hebben, zij kennismigranten zijn en eiseres op de VU [5] werkt waar zij een netwerk had om mensen om hulp te kunnen vragen.
10. Over de evenredigheid merkt de rechtbank het volgende op. Eisers hebben aangegeven het rijbewijs hard nodig te hebben om de kinderen naar school te kunnen brengen. Zonder rijbewijs geeft het veel gedoe om te regelen dat het gezin met het openbaar vervoer kan reizen. Ook vinden eisers het niet evenredig om theorie- en praktijkexamen te doen. Hier zijn namelijk kosten aan verbonden en eisers spreken de Nederlandse taal niet, waardoor het voor hen erg lastig zal zijn om de examens te halen. De rechtbank begrijpt waar voor eisers de pijnpunten zitten, maar is het eens met de beslissing van de RDW dat het evenredig is om eisers geen omwisseling van hun rijbewijzen te geven. Het belang van het naleven van de wet (namelijk het voorkomen dat een Nederlands rijbewijs wordt afgegeven in strijd met wet- en regelgeving) weegt zwaarder dan het belang van eisers. Eisers kunnen namelijk examen doen voor een Nederlands rijbewijs. Het CBR biedt het theorie-examen in het Engels, maar ook in andere talen aan. Eisers kunnen dit examen dus doen in een taal die voor hen makkelijker is dan het Nederlands. Ook is het mogelijk het praktijkexamen af te leggen met een tolk in de auto. Daarnaast hebben eisers niet met bewijs laten zien dat de kosten voor de examens zo hoog zijn dat zij dit niet kunnen betalen. Daarom vindt de rechtbank dat de beslissing van de RDW niet onevenredig is.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr.
L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.AWB 24/4651.
2.Deze regeling is opgenomen in Hoofdstuk 4a, Heffing van de inhoudingsplichtige (hoofdstuk V van de wet): extraterritoriale werknemers, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.
3.Zie ook artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, en artikel 10ea, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.
4.Conform artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Vrije Universiteit Amsterdam.