ECLI:NL:RBAMS:2026:786

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
C/13/771950 / HA ZA 25-1251
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens verkoop horloges tegen afgesproken minimumprijs zonder tekortkoming

Eiser had drie horloges via Diamant Centrum te koop aangeboden met een afgesproken minimumverkoopprijs van €50.000,-. Nadat een bod van €40.000,- was afgewezen, trok eiser zijn aanbod in, maar Diamant Centrum had de horloges al verkocht voor €50.000,-. Eiser vorderde een schadevergoeding van €69.000,- omdat de horloges volgens hem meer waard waren.

De rechtbank oordeelde dat partijen een duidelijke afspraak hadden gemaakt over de minimumprijs en dat Diamant Centrum zich hieraan had gehouden. Er was geen bewijs dat gedaagde vooraf toestemming moest vragen bij een bod gelijk aan of hoger dan de minimumprijs. Ook was vastgesteld dat de verkoop plaatsvond vóór de intrekking van de opdracht.

De stelling van eiser dat gedaagde tekort was geschoten in de nakoming of onrechtmatig had gehandeld, werd verworpen. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af omdat de horloges voor de intrekking tegen de afgesproken minimumprijs zijn verkocht zonder tekortkoming door gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/771950 / HA ZA 25-1251
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. M.J. Sarfaty,
tegen
DIAMANT CENTRUM B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. H. Loonstein.
Partijen worden hierna [eiser] en Diamant Centrum genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juli 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 december 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte wijst de rechtbank vandaag vonnis.

2.De feiten

2.1.
Bij Diamant Centrum kunnen klanten terecht voor taxaties en de verkoop of verkoopbemiddeling van diamanten, briljanten, oude juwelen, tweedehands sieraden en oud goud. Ook kunnen klanten er terecht voor de verkoop van hun horloge.
2.2.
Op 8 mei 2025 heeft [eiser] foto’s van drie horloges aan Diamant Centrum gestuurd, waarna Diamant Centrum heeft laten weten hem van dienst te kunnen zijn bij de verkoopbemiddeling van deze drie horloges. Het betrof twee horloges van het merk Audemars Piguet en een horloge van het merk Zenith.
2.3.
Op 16 mei 2025 heeft [eiser] de horloges afgeleverd bij Diamant Centrum. [eiser] heeft een ontvangstbewijs ingevuld en daarop het volgende geschreven:
“3 horloges 2x Audemars 1x Zenith
Verkoop ≥ 50.000”
2.4.
Op 23 mei 2025 heeft Diamant Centrum aan [eiser] laten weten een koper gevonden te hebben die € 40.000,- wilde betalen. [eiser] heeft aangegeven dat hij dit te laag vindt.
2.5.
Op 26 mei 2025 heeft [eiser] het volgende appbericht aan Diamant Centrum gestuurd:
“Ik trek mijn aanbod in. Ik betaal je de door jou gemaakte kosten etc.”
2.6.
Vervolgens heeft Diamant Centrum [eiser] diezelfde dag laten weten dat zij de horloges al had verkocht voor € 50.000,-.
2.7.
Diamant Centrum heeft een schriftelijke verklaring van de koper overgelegd, opgemaakt op 21 november 2025, met daarin onder meer de volgende inhoud:

Op 23 mei 2025 hebben wij overeenstemming bereikt over de koop van de horloges voor een totaalbedrag van € 50.000,-. Dit bedrag heb ik aan u overgemaakt”.
2.8.
Diamant Centrum heeft € 50.000,- aan [eiser] overgemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert veroordeling van Diamant Centrum tot betaling van € 69.000,-, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] stelt primair dat Diamant Centrum onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld door de horloges te verkopen nadat [eiser] zijn opdracht had ingetrokken. Subsidiair, indien de horloges al waren verkocht op het moment van intrekking van de opdracht, stelt [eiser] dat Diamant Centrum tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst doordat zij heeft nagelaten een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst te realiseren. Bovendien heeft Diamant Centrum volgens [eiser] haar zorgplicht als professioneel opdrachtnemer geschonden. Het was aan haar om de opdracht schriftelijk vast te leggen. De totale waarde van de horloges is volgens [eiser] minstens € 119.000,-, waarvan [eiser] al € 50.000,- van Diamant Centrum heeft ontvangen, zodat [eiser] zijn schade op € 69.000,- begroot.
3.3.
Diamant Centrum voert verweer. Diamant Centrum doet een beroep op artikel 21 Rv Pro, omdat [eiser] het ontvangstbewijs van de horloges (r.o. 2.3) niet bij dagvaarding had overgelegd. Verder betwist Diamant Centrum dat sprake is van een onrechtmatige daad, omdat de horloges al waren verkocht op het moment dat [eiser] de opdracht introk. Diamant Centrum betwist ook dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, omdat Diamant Centrum een minimale verkoopopbrengst van € 50.000,- met [eiser] had afgesproken en Diamant Centrum zich daaraan gehouden heeft. Verder betwist Diamant Centrum dat een hogere opbrengst van de horloges haalbaar was. Bovendien heeft [eiser] geen schade geleden, omdat hij geen eigenaar van de horloges was, maar pandhouder. Diamant Centrum concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Geen tekortkoming in de nakoming
4.1.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst is van belang dat komt vast te staan wat partijen met elkaar zijn overeengekomen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de drie horloges voor minimaal € 50.000,- moesten worden verkocht. Dit volgt uit het ontvangstbewijs van 16 mei 2025 waarop staat genoteerd dat de drie horloges verkocht moeten worden voor in totaal € 50.000,- of meer (r.o. 2.3). Deze tekst heeft [eiser] zelf op het ontvangstbewijs geschreven.
4.3.
Volgens [eiser] hield de overeenkomst ook in dat een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst moest worden behaald, en heeft Diamant Centrum dat niet gedaan, omdat de horloges achteraf bezien een veel hogere waarde vertegenwoordigden van minstens € 119.000,-. [eiser] heeft die waarde, nadat hij op 23 mei 2025 het bod van € 40.000,- had afgewezen, op internet nagezocht. Bovendien had Diamant Centrum [eiser] zijn akkoord moeten vragen, voordat zij akkoord mocht gaan met het bod van € 50.000,-.
4.4.
De rechtbank volgt [eiser] hierin niet en overweegt daartoe als volgt. Diamant Centrum heeft naar voren gebracht dat zij met [eiser] heeft besproken dat zij de foto’s van de horloges aan een horlogehandelaar waar zij vaak mee samenwerkt, heeft voorgelegd, omdat zij zelf geen expert is ten aanzien van de waardebepaling van horloges. Deze horlogehandelaar kwam met een adviesprijs van tussen de € 30.000,- en € 40.000,-. Dit is op 16 mei 2025, toen [eiser] de horloges naar Diamant Centrum kwam brengen, met hem besproken. [eiser] heeft toen gezegd dat hij ondanks dat advies minimaal € 50.000,- voor de horloges wilde hebben in verband met een lening aan zijn schoonzoon en deze minimumprijs is door hem vervolgens ook zo op het ontvangstbewijs geschreven. Deze gang van zaken is door [eiser] onvoldoende weersproken. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen daarmee is afgesproken dat Diamant Centrum de drie horloges voor een zo hoog mogelijk bedrag zou verkopen met een minimum van € 50.000,-. Door een minimumprijs overeen te komen, was het voor partijen duidelijk dat Diamant Centrum voor een bedrag van € 50.000 of meer mocht verkopen, wat zij ook heeft gedaan.
4.5.
[eiser] verwijt Diamant Centrum dat zij de horloges voor een hogere prijs had kunnen verkopen dan € 50.000,- en onderbouwt dat onder meer met een e-mail van [naam] . Voor dat verwijt geldt dat het voorstelbaar is dat [eiser] achteraf spijt heeft dat hij akkoord is gegaan met het opnemen van het eerder genoemde minimumbedrag, maar dat dat niet betekent dat Diamant Centrum is tekortgeschoten. Partijen hebben met elkaar een minimumbedrag afgesproken en Diamant Centrum heeft zich aan dat minimumbedrag gehouden. [eiser] had er ook voor kunnen kiezen om in dat stadium geen overeenkomst te sluiten met Diamant Centrum en nog wat verder onderzoek te doen in de hoop tot een hogere taxatie te komen.
4.6.
De rechtbank oordeelt verder dat niet is komen vast te staan dat Diamant Centrum van te voren om instemming van [eiser] moest vragen om tot verkoop over te gaan bij een bod van € 50.000,- of meer. Diamant Centrum ontkent dit en voert aan dat de achterliggende gedachte van het afspreken van een minimumprijs juist is dat zij vrij kan onderhandelen, zonder voorafgaande toestemming te hoeven vragen aan [eiser] . Anders zou het afspreken van een minimumbedrag ook niet nodig zijn. De rechtbank volgt Diamant Centrum hierin. Op [eiser] rust onder deze omstandigheden de stelplicht en bewijslast dat partijen ondanks het afspreken van een minimumbedrag toch hebben afgesproken om bij het behalen van het minimumbedrag vooraf toestemming voor verkoop aan [eiser] te vragen. [eiser] heeft hiervoor, gelet op de gemotiveerde betwisting van Diamant Centrum, onvoldoende gesteld. [eiser] heeft in dat kader alleen gewezen op het feit dat Diamant Centrum op 23 mei 2025 met [eiser] belde om te overleggen over een binnengekomen bod dat onder het minimumbedrag lag, maar dat bevestigt juist het karakter van het afspreken van een minimumbedrag, en helpt [eiser] dus niet.
4.7.
De rechtbank stelt op grond van de verklaring van de koper (r.o. 2.7) vast dat Diamant Centrum de drie horloges voor € 50.000,- heeft verkocht. Gelet op het bovenstaande levert deze verkoop, zonder voorafgaande instemming van [eiser] , geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.
4.8.
De stelling van [eiser] dat Diamant Centrum haar zorgplicht als professioneel opdrachtnemer heeft geschonden door na te laten de opdracht schriftelijk vast te leggen slaagt ook niet. Ten eerste is er geen wettelijk vereiste om de opdracht schriftelijk vast te leggen. Ten tweede heeft Diamant Centrum wel degelijk, weliswaar summier, vastgelegd dat de minimumverkooprijs minstens € 50.000,- moest zijn. De conclusie is dat ook deze stelling geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert.
Geen onrechtmatige daad
4.9.
[eiser] stelt dat Diamant Centrum onrechtmatig heeft gehandeld door de horloges te verkopen nadat hij op 26 mei 2025 zijn verkoopopdracht had ingetrokken met zijn app-bericht. De vraag is dus of de horloges voor of na 26 mei 2025 zijn verkocht.
4.10.
De rechtbank oordeelt dat is komen vast te staan dat Diamant Centrum de horloges reeds voor het app-bericht van 26 mei 2025 met de intrekking van de opdracht (r.o. 2.5) had verkocht. Diamant Centrum heeft direct na dit app-bericht teruggestuurd dat hij de horloges al verkocht had en bovendien heeft hij een verklaring van de koper overgelegd waarin wordt verklaard dat hij de horloges op 23 mei 2025 heeft gekocht. Hier is door [eiser] onvoldoende tegenin gebracht. Van onrechtmatig handelen door de horloges te verkopen na een intrekking van de opdracht is dan ook geen sprake.
Conclusie
4.11.
Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De overige verweren van Diamant Centrum behoeven daarmee geen bespreking.
De proceskosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Diamant Centrum betalen. De proceskosten van Diamant Centrum worden vastgesteld op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,-)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.601,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Diamant Centrum van € 5.601,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek) als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, en te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart onderdeel 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.