ECLI:NL:RBAMS:2026:80

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
13/249704-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een man voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, vernieling en belaging van zijn ex-partner

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 49-jarige man, die werd beschuldigd van het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van zijn ex-partner, het vernielen van haar eigendommen en belaging. De zaak kwam voort uit incidenten die plaatsvonden tussen augustus en september 2025. De verdachte heeft op 6 augustus 2025 zijn ex-partner in zijn auto gehouden, terwijl zij duidelijk aangaf naar huis te willen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte haar tegen haar wil in de auto heeft gehouden, wat resulteerde in een bewezenverklaring van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarnaast heeft de verdachte op 21 september 2025 ruiten van de woning en auto van de ex-partner vernield. De rechtbank achtte ook de belaging bewezen, aangezien de verdachte in de periode tussen de twee incidenten herhaaldelijk contact met haar heeft gezocht, ondanks haar verzoeken om geen contact meer te hebben. De rechtbank veroordeelde de man tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 120 uur. Tevens werden er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contactverbod en een locatieverbod met elektronische monitoring. De benadeelde partij, de ex-partner, heeft een schadevergoeding van €10.626,24 toegewezen gekregen, inclusief materiële en immateriële schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/249704-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [woonplaats] .

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 31 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.F.M. van Osta, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ), en van wat haar advocaat, mr. W.S.W. van der Donk, op de zitting naar voren heeft gebracht.

2.Beschuldiging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij:
op of omstreeks 21 september 2025 in Amstelveen opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten van de woning en/of de auto van [benadeelde partij] heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt of weggemaakt;
op of omstreeks 6 augustus 2025 in Ouderkerk en/of Utrecht en/of Gouda en/of Den Haag en/of Leiden en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden;
in of omstreeks de periode van 6 augustus 2025 tot en met 21 september 2025 in Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft belaagd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de feiten kunnen worden bewezen, maar dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde, inhoudende dat verdachte [benadeelde partij] (anonieme) berichten en brieven zou hebben gestuurd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat verdachte de vernieling van de ruiten van de woning en auto van [benadeelde partij] heeft bekend.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Niet is bewezen dat verdachte [benadeelde partij] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Verdachte ontkent dat hij bij de plas in Ouderkerk in woede zou zijn uitgebarsten en de champagnefles zou hebben weggegooid, op de snelweg plotseling extreem hard zou hebben geremd, de telefoon van [benadeelde partij] zou hebben afgepakt, een slaande beweging zou hebben gemaakt en meermaals naar [benadeelde partij] zou hebben geschreeuwd. Deze handelingen vinden ook geen steun in het dossier. Daarnaast is het niet logisch dat [benadeelde partij] bij verdachte in de auto is gestapt na een woede-uitbarsting. Zij had voldoende alternatieven om thuis te komen, maar is desondanks vrijwillig bij verdachte in de auto gestapt. Verder is de context van het gesprek in de auto belangrijk. Verdachte en [benadeelde partij] zouden bij de plas samen proosten met champagne, maar ter plaatse heeft [benadeelde partij] de relatie beëindigd. Het is niet vreemd dat ze het gesprek wilden voortzetten. Tot slot kan geen sprake zijn van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, omdat verdachte op 6 augustus rond 23.46 uur heeft getankt in de buurt van het adres van [benadeelde partij] . Zij had toen de mogelijkheid om de auto te verlaten en naar haar huis te lopen, maar dit heeft zij niet gedaan. Daarna heeft de autorit nog een uur en 45 minuten geduurd.
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte anonieme berichten en brieven heeft gestuurd naar [benadeelde partij] en dat hij goederen bij haar woning heeft achtergelaten. De overige onder feit 3 ten laste gelegde handelingen kunnen wel worden bewezen, gelet op de verklaring van verdachte.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring feit 1
Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte is bewezen dat verdachte op 21 september 2025 ruiten van de woning en van de auto van [benadeelde partij] heeft vernield.
3.3.2.
Bewezenverklaring feit 2
Ook is bewezen dat verdachte [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden. [benadeelde partij] is in de avond van 6 augustus 2025 bij verdachte in de auto gestapt nadat zij bij de plas in Ouderkerk hadden afgesproken. Hij zou haar bij haar huis in [woonplaats] afzetten. Verdachte is vervolgens niet rechtstreeks naar haar huis gereden, maar heeft de snelweg genomen richting Utrecht. Met de auto van verdachte is vervolgens een route afgelegd door Nederland, onder meer over verschillende snelwegen, die in totaal 3 uur en 25 minuten heeft geduurd.
[benadeelde partij] heeft een deel van het gesprek tijdens de autorit opgenomen met haar telefoon. Gedurende 33 minuten van die opname is te horen dat de auto continu aan staat en rijdt. In die 33 minuten heeft zij meermaals gevraagd of verdachte haar thuis af wilde zetten, maar dit heeft hij niet gedaan. Verdachte heeft haar daarmee tegen haar wil in een rijdende en afgesloten auto gehouden. Voor [benadeelde partij] was het niet mogelijk de auto te verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank was het opzet van verdachte daar ook op gericht. Op de opname van het gesprek tijdens de autorit is immers te horen dat verdachte een verklaring van [benadeelde partij] wil en hij daarnaar blijft vragen, ook wanneer zij zegt die niet te kunnen geven. Het was dus de bedoeling van verdachte om [benadeelde partij] in de auto te houden, ook al gaf zij diverse keren aan naar huis te willen. Daarmee is bewezen dat verdachte [benadeelde partij] opzettelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden. Dat [benadeelde partij] aan het begin van de rit vrijwillig in de auto is gestapt en bij het tankstation de mogelijkheid had om de auto te verlaten, doet hier niets aan af.
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het afpakken van de telefoon van [benadeelde partij] , het uitschelden van [benadeelde partij] en het schreeuwen van intimiderende en dreigende teksten naar [benadeelde partij] , omdat dit onvoldoende steun vindt in het dossier.
3.3.3.
Bewezenverklaring feit 3
Verder is bewezen dat verdachte [benadeelde partij] heeft belaagd in de periode van 6 augustus 2025 tot en met 21 september 2025. Verdachte heeft bekend dat hij in die periode meerdere keren bij de woning van [benadeelde partij] is geweest en dat hij haar veelvuldig heeft gebeld. Ook heeft hij bekend ruiten van haar woning en van de auto te hebben vernield. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen ook bewezen dat verdachte meermalen berichten naar [benadeelde partij] heeft gestuurd.
Ook is bewezen dat verdachte meerdere keren goederen bij de woning van [benadeelde partij] heeft achtergelaten. Verdachte heeft verklaard dat hij dit deed tijdens de relatie, maar niet meer nadat de relatie werd beëindigd. De rechtbank vindt deze verklaring niet geloofwaardig. Uit het dossier blijkt dat verdachte op verschillende data na het einde van de relatie bij de woning van [benadeelde partij] is geweest. Op enkele van die data zijn ook goederen bij de woning achtergelaten. Daarnaast kunnen de goederen aan verdachte worden gelinkt, omdat het om onder andere fruit van Tuinderij Vers in Oostvoorne gaat. Hier werkte verdachte. Bovendien zijn er op basis van het dossier geen aanwijzingen dat iemand anders dan verdachte de goederen zou kunnen hebben achtergelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die de goederen (ook na het einde van de relatie) heeft achtergelaten bij de woning van [benadeelde partij] .
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden bewezen dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij] in de periode van 6 augustus 2025 tot en met 21 september 2025. Verdachte heeft met zijn handelen [benadeelde partij] gedwongen te dulden dat telkens contact met haar werd opgenomen, terwijl zij geen contact meer wilde met verdachte. Ook heeft hij haar met zijn handelen vrees aangejaagd. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [benadeelde partij] .
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het sturen van anonieme berichten naar [benadeelde partij] , omdat niet is komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die deze berichten heeft gestuurd. Verder wordt verdachte partieel vrijgesproken van het sturen van brieven naar [benadeelde partij] , omdat uit het dossier slechts blijkt dat er één brief is gestuurd naar de werkgever van [benadeelde partij] , wat niet ten laste is gelegd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 21 september 2025 te Amstelveen opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van de woning en de auto van [benadeelde partij] , die aan voornoemde [benadeelde partij] , toebehoorden, heeft vernield;
2.
op of omstreeks 6 augustus 2025 in Nederland opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:
- nadat voornoemde [benadeelde partij] in de auto van verdachte is gestapt, in strijd met de afspraak niet richting haar huis, maar richting de snelweg te rijden en
- gedurende langere tijd (met hoge snelheid) op de snelweg te rijden en
- aldus het voornoemde [benadeelde partij] onmogelijk te maken het voertuig te verlaten;
3.
in de periode van 6 augustus 2025 tot en met 21 september 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door:
- meermalen berichten naar voornoemde [benadeelde partij] te sturen en
- meermalen per dag te bellen naar voornoemde [benadeelde partij] en
- meermalen langs te gaan bij de woning van voornoemde [benadeelde partij] en goederen achter te laten en ruiten van de woning en auto van voornoemde [benadeelde partij] te vernielen,
met het oogmerk die [benadeelde partij] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies d.d. 18 december 2025, met uitzondering van het contactverbod. Zij heeft gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.
Verder heeft zij gevorderd dat aan verdachte een contactverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd, met telkens één week vervangende hechtenis bij overtreding van het contactverbod, met een maximum van twee maanden vervangende hechtenis in totaal. Ook ten aanzien van deze maatregel heeft de officier van justitie gevorderd dat deze dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht dat aan verdachte – uitgaande van een bewezenverklaring voor de feiten 1 en 3 – een lagere werkstraf dan 120 uur – zoals opgelegd in door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie – met aftrek van voorarrest zal worden opgelegd. Zij heeft verzocht daarnaast een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsadvies op te leggen.
Subsidiair, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van alle feiten, heeft de raadsvrouw verzocht dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen wordt opgelegd, met aftrek van voorarrest, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft zij verzocht een taakstraf van beperkte duur, tussen de 80 en 120 uur, op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij] , vernieling van ruiten van haar woning en auto en belaging van [benadeelde partij] .
Verdachte heeft [benadeelde partij] tijdens een autorit – na de beëindiging van de relatie – in zijn auto gehouden en haar – ondanks haar verzoeken hiertoe – niet thuis afgezet. Voor [benadeelde partij] was dit een beangstigende situatie. In de periode daarna heeft verdachte het slachtoffer op allerlei manieren proberen te benaderen, waaronder door het sturen van berichten en door (anoniem) te bellen. Ook heeft hij geprobeerd in contact te komen met [benadeelde partij] door bij haar woning langs te gaan en door goederen bij haar woning achter te laten. Bovendien heeft verdachte verschillende ruiten van haar woning en auto vernield. Dit alles terwijl het slachtoffer duidelijk te kennen had gegeven dat de relatie was beëindigd en zij geen contact meer wilde met verdachte. Verdachte heeft hierbij steeds zijn eigen belang vooropgesteld en de uitdrukkelijke wens van [benadeelde partij] om door verdachte met rust te worden gelaten, compleet genegeerd. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor wat zijn gedrag voor haar zou kunnen betekenen. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 28 november 2025 is gebleken wat voor grote impact het gebeuren op haar heeft gehad. Zij wordt geplaagd door verwarrende gedachten, is angstig en voelt zich onveilig.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel is verdachte in 2018 en 2015 veroordeeld voor huiselijk geweld. De rechtbank neemt dit mee in het bepalen van de strafmaat.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte zich binnen het huidige schorsingstoezicht aan de voorwaarden houdt. De reclassering schrijft in genoemd advies dat verdachte geen contact meer met [benadeelde partij] heeft of zegt te willen, maar dat hij nog niet los van haar lijkt te zijn. Hij heeft recent aangifte tegen haar gedaan wegens smaad en laster, omdat zij bewijsmateriaal van deze zaak met derden in hun netwerk zou hebben gedeeld. Binnen een ambulante behandeling, waarvoor verdachte op de wachtlijst staat bij forensische polikliniek De Waag, kan onderzocht worden op welke wijze hij onder andere zijn emotieregulatie kan verbeteren. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte een confrontatie met [benadeelde partij] zoekt. Desondanks wordt het risico op recidive op gemiddeld ingeschat. Dit is gelegen in de hoge SASH (Screening Assessment for Stalking and Harassment) score vanuit de politie, maar is ook gebaseerd op het feit dat verdachte rancuneuze gevoelens ten aanzien van [benadeelde partij] heeft.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod met [benadeelde partij] en een locatieverbod (met elektronische monitoring). De reclassering adviseert deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Mogelijk roept een (eventuele) veroordeling emoties bij verdachte op die recidive in de hand kunnen werken. Met het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de voorwaarden kan het toezicht toch gecontinueerd worden, waardoor de reclassering zicht kan houden op de periode na veroordeling.
De rechtbank is van oordeel dat, gezien de aard en ernst van de feiten en hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd, een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend is. Daarnaast zal een taakstraf voor de duur van 120 uren aan verdachte worden opgelegd.
[benadeelde partij] heeft in haar vordering verzocht om een contactverbod en een locatieverbod voor verdachte en dat acht de rechtbank – in het licht van het voorgaande – zonder meer op zijn plaats. Verdachte heeft te kennen gegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen een contact- en locatieverbod en de overige bijzondere voorwaarden. Aan vorengenoemde proeftijd zullen daarom de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. De rechtbank zal het locatieverbod met elektronische monitoring opleggen. Aan de elektronische monitoring zal echter een maximale termijn van zes maanden worden verbonden. Verder zullen de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De rechtbank is gelet op vorengenoemd reclasseringsadvies van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.
De rechtbank zal het contact- en locatieverbod ook aan verdachte opleggen in de vorm van een maatregel ex artikel 38v WvSr. In het geval dat het voorwaardelijk deel van de aan verdachte opgelegde straf ten uitvoer zou worden gelegd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden, dient er daarnaast een vangnet te zijn, zodat verdachte geen contact mag opnemen met [benadeelde partij] . Door de vrijheidsbenemende maatregel kan dit vangnet worden geboden. De rechtbank zal ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren. Gezien het voorgaande dient er namelijk ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [benadeelde partij] .

8.Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

8.1.
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 8.136,24 aan vergoeding voor materiële schade. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor autohuur (€ 1.150,-), cameratoezicht (€ 2.792,05), autoschade (€ 3.390,75), kosten voor vervanging van een hor (€ 125,-), zorgbijdrage (€ 385,-), tikkie voor reinigingskosten, laptop en loon (€ 255,45) en de kosten voor verstrekking van medische informatie (€ 37,99). Daarnaast vordert zij € 3.000,- aan vergoeding voor immateriële schade. Dat bedrag bestaat uit € 2.000,- voor de belaging en € 1.000,- voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verder heeft zij gevorderd dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor autohuur onvoldoende zijn onderbouwd. [benadeelde partij] heeft de noodzakelijkheid van vervangend vervoer onvoldoende onderbouwd, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in dit deel van haar vordering. Daarbij komt dat de gevorderde huurkosten van € 50,- per dag niet marktconform zijn. [benadeelde partij] moet ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de kosten voor de zorgbijdrage, omdat nog niet zeker is dat deze toekomstige kosten zullen worden gemaakt. Tot slot moet [benadeelde partij] niet-ontvankelijk worden verklaard in de kosten voor het tikkie vanwege de bepleite vrijspraak.
De kosten voor het cameratoezicht moeten worden afgewezen, omdat [benadeelde partij] niet heeft gesteld dat zij gevoelens van angst en onveiligheid ervaart waardoor zij zich niet meer veilig voelt in haar eigen woning. De kosten voor de hor moeten ook worden afgewezen, omdat de schade daaraan geen rechtstreeks gevolg is van de vernieling. Deze schade is pas voor het eerst gemeld in de toelichting op het schadeonderbouwingsformulier.
Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Verder moet de immateriële schade die is gevorderd voor de belaging, gelet op de aard en ernst ervan in vergelijking met soortgelijke zaken, worden gematigd en het overige moet worden afgewezen. De gevorderde immateriële schade voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Een deel van de vordering is niet betwist, te weten de kosten voor de autoschade (€ 3.390,75) en de kosten voor de verstrekking van medische informatie (€ 37,99). De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen.
De kosten voor autohuur (€ 1.150,-), cameratoezicht (€ 2.792,05), hor (€ 125,-), zorgbijdrage (€ 385,-) en het tikkie voor reinigingskosten, laptop en loon (€ 255,45) zijn wel betwist.
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de kosten voor de autohuur (€ 1.150,-), oftewel € 50,- per dag, wel marktconform zijn. Een eenvoudige zoekslag in openbare bronnen levert op dat de huur van een auto voor een dag gemiddeld hoger is dan dit bedrag. Daarnaast is deze post – mede vanwege de toelichting ter zitting – voldoende onderbouwd, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. De kosten voor het cameratoezicht (€ 2.792,05) staan in een zodanig verband met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze (als gevolg van zijn handelen) aan hem kunnen worden toegerekend. Daarnaast is deze post, gelet op de aard en ernst van de belaging en de toelichting ter zitting, voldoende onderbouwd. Deze kosten zullen daarom ook worden toegewezen. Tot slot heeft de rechtbank verdachte niet vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde, zodat ook de kosten voor het tikkie voor reinigingskosten, laptop en loon (€ 255,45) zullen worden toegewezen.
[benadeelde partij] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van haar vordering aan vergoeding van materiële schade, te weten de kosten voor de vervangende hor (€ 125,-) en de zorgbijdrage (€ 385,-). De zorgbijdrage betreft het eigen risico voor 2026 en daarmee toekomstige kosten. Voorts blijkt uit de aangifte en de vordering onvoldoende dat ook de hor achter het vernielde raam beschadigd is geraakt. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering ten aanzien van dit deel onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. [benadeelde partij] kan dit resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vaststaat dat aan [benadeelde partij] door het onder de feiten 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. [benadeelde partij] heeft haar (psychisch) onbehagen in het schadevergoedingsformulier toegelicht en dit is namens [benadeelde partij] door haar advocaat op de zitting nogmaals naar voren gebracht. Op grond van de door [benadeelde partij] gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal de door [benadeelde partij] gevorderde immateriële schadevergoeding worden toegewezen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte moet over het toegewezen bedrag van € 10.626,24 de wettelijke rente betalen en aan hem wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast moet hij de kosten betalen die [benadeelde partij] heeft gemaakt en nog moet maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten zijn tot nu toe begroot op nihil.
De wettelijke rente loopt ten aanzien van het bedrag van € 9.370,79 vanaf 21 september 2025. Dit bedrag ziet op de schadevergoeding ten aanzien van het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde, te weten de kosten voor autohuur (€ 1.150,-), cameratoezicht (€ 2.792,05), autoschade (€ 3.390,75), kosten verstrekking medische informatie (€ 37,99) en de vergoeding voor immateriële schade voor de belaging (€ 2.000,-).
De wettelijke rente loopt ten aanzien van het bedrag van € 1.255,45 vanaf 6 augustus 2025. Dit bedrag ziet op de schadevergoeding ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het tikkie voor reinigingskosten, laptop en loon (€ 255,45) en de vergoeding voor immateriële schade voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving (€ 1.000,-).

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 282, 285b en 350 van het WvSr.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het onder feit 1 bewezenverklaarde levert op:
-
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd
Het onder feit 2 bewezenverklaarde levert op:
-
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
Het onder feit 3 bewezenverklaarde levert op:
-
belaging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start wanneer de wachtlijst van de behandelaar dit toelaat. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
-
Contactverbod met GPS
Veroordeelde zal gedurende de gehele proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het contactverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De reclassering controleert het contactverbod mede door het inzien van de GPS- gegevens.
-
Locatieverbod (met elektronische monitoring)
Veroordeelde bevindt zich niet in en rond een straal van 5 kilometer van het adres van de aangeefster, te weten [adres] , zoals weergegeven op onderstaand kaartje. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod met een maximale duur van zes maanden. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.
De reclassering krijgt de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde
voorwaarden enhet op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
2 (twee) maanden
Legt op de
maatregeldat de veroordeelde voor de duur van
2 (twee) jaar:
1. zich
nietzal
ophoudenin en rond een straal van 5 kilometer van het adres van de aangeefster, te weten [adres] , zoals weergegeven op onderstaand kaartje.
2. op
geenenkele wijze – direct of indirect –
contactzal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] en wonende op het adres [adres] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
1 (één) weekvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste
2 (twee) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 10.626,24 (tienduizend zeshonderdzesentwintig euro en vierentwintig eurocent), bestaande uit € 7.626,24 aan vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (ten aanzien van feit 1 en 3 (€ 9.370,79) op 21 september 2025 en ten aanzien van feit 2 (€ 1.255,45) op 6 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan voornoemde [benadeelde partij] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat [benadeelde partij] in een deel van haar vordering (€ 125,- aan vergoeding voor de hor en € 385,- aan vergoeding voor de zorgbijdrage) niet-ontvankelijk is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 10.626,24 (tienduizend zeshonderdzesentwintig euro en vierentwintig eurocent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (ten aanzien van feit 1 en 3 (€ 9.370,79) op 21 september 2025 en ten aanzien van feit 2 (€ 1.255,45) op 6 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 78 (achtenzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. I. Mannen en I. Timmermans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2025.