Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
Na verder debat is vonnis bepaald op 4 februari 2026. Nadien zijn partijen ervan in kennis gesteld dat vonnis wordt gewezen op 29 januari 2026.
2.De feiten
“…
mede is gemaakt vanuit de gedachte dat het huis waarin ik thans woon aan de [adres] (…) mede is gefinancierd door mijn hierna te noemen partner( [eiser] , vzr.)
zonder welke financiering ik dit huis niet had kunnen kopen. Mijn partner heeft als gevolg hiervan een afgescheiden gedeelte voor bewoning tot zijn beschikking (voorzijde tweede verdieping). Ik ben voornemens een vaststellingsovereenkomst op te stellen met betrekking tot het door hem voorgeschoten bedrag, en de afspraak over de bewoning.(…)”2.5. Op 29 december 2016 heeft de notaris een vaststellingsovereenkomst opgesteld die is gesloten tussen [eiser] en [erflaatster] . Hierin staat onder meer dat [eiser] ten behoeve van de aankoop en de verbouwing van het pand fl. 800.000,- (door partijen afgerond op
€ 360.000,-) ter leen heeft verstrekt aan [erflaatster] . Dit bedrag is opeisbaar bij verkoop en levering van het pand of bij overlijden van een van partijen. Verder staat in de vaststellingsovereenkomst het volgende:
“4. Gebruik:
mag de woning gebruiken op de wijze als thans feitelijk het geval is. Dat wil zeggen zonder eigen opgang maar onder de verplichting om te melden op welk tijdstip comparant sub 1 in de woning zal aankomen danwel verblijven.
hetzij door haar erfgenamen na haar overlijden, heeft comparant sub 1 het recht om nog in de woning te blijven wonen danwel deze te mogen gebruiken tot een (1) maand voor de datum van levering.”
“Cliënte toonde mij het bijgaande testament en de bijgaande overeenkomst uit het jaar 2016. Ik heb begrepen dat uw cliënt de heer [eiser] met haar wenst overeen te komen dat deze overeenkomst zal worden “ingetrokken” en dat hij aanspraak zal kunnen maken op het legaat dat ten gunste van hem in het testament is opgenomen.
“Overwegende dat tussen [erflaatster] en [eiser] op 29 december 2019 de in kopie aangehechte vaststellingsovereenkomst is gesloten;
“Overwegende dat [eiser] als partij bij die vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016 en [gedaagde] als executeur-testamentair het wenselijk achten dat de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2016 wegens dwaling door [eiser] en [erflaatster] wordt ingetrokken en dat in de onderhavige vaststellingovereenkomst wordt vastgelegd dat [eiser] aanspraak heeft op het in het testament neergelegde geldlegaat en verplicht is op een nader te bepalen datum de woning te verlaten;
3.Het geschil
I. tot afgifte van de sleutels van het pand en hem ongehinderd toegang te verstrekken tot de woonruimte gelegen aan de voorzijde van de tweede verdieping van het pand;
II. een en ander op straffe van dwangsommen;
III. tot betaling van een schadevergoeding van € 12.320,-;
IV. in de proceskosten.
4.De beoordeling
€ 360.000,-.