ECLI:NL:RBAMS:2026:943

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
26/204
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaarschrift en besluit

Verzoeker diende op 13 januari 2026 een verzoek om voorlopige voorziening in bij de rechtbank Amsterdam. Bij dit verzoek ontbraken echter het bezwaarschrift en het besluit waarop het verzoek betrekking had. De voorzieningenrechter wees verzoeker hierop met een brief van 15 januari 2026 en gaf een hersteltermijn van één week om de ontbrekende stukken alsnog te overleggen.

Verzoeker reageerde op 21 januari 2026 met enkele bijlagen, maar leverde niet het bezwaarschrift en het besluit aan. De voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker niet binnen de gestelde termijn het verzuim had hersteld en geen verontschuldiging had gegeven voor het ontbreken van deze stukken.

Omdat niet was voldaan aan de vereisten van formele en materiële connexiteit, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan op 4 februari 2026 door voorzieningenrechter L. Dolfing, zonder zitting, en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van het bezwaarschrift en het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/204

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak van

[verzoeker] , verzoeker

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) ‘connexiteit’. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. [2] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Bij het verzoekschrift van 13 januari 2026 is het bezwaarschrift en het besluit waarop het verzoek betrekking heeft, niet overgelegd. Met de brief van 15 januari 2026 is verzoeker erop gewezen dat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een verzoekschrift worden gesteld. Verzoeker is verzocht een kopie toe te sturen van het besluit waar hij het niet mee eens is en van het bezwaarschift. Verzoeker is verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Verder is in deze brief vermeld dat het niet toesturen van de gevraagde stukken kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift.
4. Verzoeker heeft op 21 januari 2026 gereageerd met een aantal bijlagen, maar niet met het bezwaarschrift en het besluit.
5. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker niet binnen de hersteltermijn een afschrift van het bezwaarschrift en van het besluit heeft overgelegd. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Nu er geen besluit en geen bezwaarschrift is, is niet voldaan aan de vereisten van formele en materiële connexiteit.
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.