ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- C. Lely-van Goch
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering pleegouder tot omgangsregeling met pleegkind
In deze zaak vordert J, een pleegouder, in kort geding dat JJG, de gezinsvoogdij-instelling, wordt veroordeeld om omgang met P, het pleegkind, toe te staan. P is sinds 1997 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van JJG. J heeft gedurende drie maanden voor P gezorgd, maar er is daarna geen contact meer geweest.
De rechtbank oordeelt dat J niet voldoet aan het vereiste van een nauwe persoonlijke betrekking zoals bedoeld in artikel 1:377f BW en artikel 8 EVRM Pro. Er is geen perspectief op een toekomstige rol van J in de verzorging en opvoeding van P. Ook is onvoldoende spoedeisendheid aangetoond om in kort geding een omgangsregeling te treffen.
Hoewel de rechtbank waardering uitspreekt voor de inzet van J tijdens de periode dat P bij haar verbleef, kan deze waardering niet worden afgedwongen via een procedure. Het verzoek wordt daarom afgewezen en J wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek van de pleegouder tot omgang met het pleegkind wordt afgewezen wegens ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking en onvoldoende spoedeisendheid.