ECLI:NL:RBARN:2000:AA4435

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
24 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05.072612-98
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van afspraak over strafeis op 19 maart 1997

De rechtbank Arnhem heeft op 24 januari 2000 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte C.J.W.M. van S. Verdachte werd beschuldigd van het maken van een afspraak over een strafeis tijdens een gesprek op 19 maart 1997. Tijdens de terechtzitting op 10 januari 2000 werd het bewijs onderzocht, waaronder faxberichten en telefoongesprekken tussen betrokkenen.

De rechtbank oordeelde dat het niet wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de tenlastegelegde afspraak had gemaakt. Hoewel verschillende deelnemers aan het gesprek aangaven dat een eis van twee jaar werd genoemd, was er geen bewijs dat er daadwerkelijk een bindende afspraak tot stand kwam. De verklaringen van verdachte en politie-inspecteur Van Z. werden als aannemelijker beoordeeld dan die van de officier van justitie.

De rechtbank benadrukte dat het faxbericht van 19 maart 1997 en de daaropvolgende communicatie geen bevestiging bevatten van een concrete afspraak. Ook het telefoongesprek van 7 april 1997, waarin mogelijk wel een afspraak werd gemaakt, was niet relevant voor de tenlastelegging die zich beperkte tot 19 maart 1997.

Op basis van deze overwegingen sprak de rechtbank verdachte vrij van de gehele tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van een afspraak over de strafeis op 19 maart 1997.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
V E R K O R T - V O N N I S
In de zaak van:
de officier van justitie in het arrondissement Arnhem
tegen:
C. J. W. M. VAN S.
Raadsman: mr. T. van der Dussen, advocaat te Breda
Parketnummer : 05.072612-98
Zittingsdatum : 10 januari 2000 (tegenspraak)
Uitspraak : 24 januari 2000
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd.
Voorzover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is op 10 januari 2000 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mrs. T. van der Dussen en R.T.C.N. Jeuken, advocaten te Breda.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Verdachte en zijn raadsman mr. T. van der Dussen hebben het woord ter verdediging gevoerd.
3. De beslissing inzake het bewijs
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de faxberichten van 19 maart 1997 van mr. Van S. aan mr. Van G. en de bevestiging van mr. J. aan mr. Van S. van 20 maart 1997, alsmede de diverse opgenomen telefoongesprekken tussen de hierboven genoemde personen, acht de rechtbank niet onaannemelijk dat juist is het standpunt van de advocaat-generaal mr. Van Zon dat als je alle deelnemers van het gesprek van 19 maart 1997 (mr. Van S., mr. Van G., mr. J., politie-inspecteur Van Z. en Perry P.) na afloop bij de deur gevraagd zou hebben wat de eis zou worden, iedereen gezegd zou hebben: twee jaar. Maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat een afspraak zoals bedoeld in de tenlastelegging was gemaakt.
Dat niet bewezen is dat er op 19 maart 1997 een afspraak over de strafeis tot stand is gekomen wordt door de volgende feiten en omstandigheden bevestigd.
Er is van geen enkel belang van verdachte gebleken om - als er al een afspraak gemaakt zou zijn - te verklaren dat er geen afspraak tot stand is gekomen op 19 maart 1997.
Op het faxbericht van mr. Van S. van 19 maart 1997 waarin onder andere wordt vermeld dat een concrete strafeis is besproken is geen reactie met betrekking tot die zinsnede gekomen van mrs. Van G. en/of J..
Mrs. Van G. en J. hebben uiteindelijk verklaard dat zij zich niet de letterlijke bewoordingen van mr. Van S. kunnen herinneren waarmee de afspraak tot stand zou zijn gekomen.
De uitlatingen van mr. Van S. tijdens het telefoongesprek van 7 april 1997 omstreeks 17.30 uur tussen hem en mr. Van G. passen zowel in de visie van de officier van justitie dat er wel een afspraak tot stand is gekomen op 19 maart 1997, als in de visie van mr. Van S. en politie-inspecteur Van Z. dat zulks niet het geval is. Evenwel, gelet op de verklaringen van mr. Van S. en de heer Van Z. afgezet tegen de verklaringen van Perry P. en mrs. Van G. en J., is naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van verdachte meer aannemelijk dan die van de officier van justitie.
Dat volgens mr. Van S. op 7 april 1997 wel een afspraak tot stand is gekomen over de eis is in dit verband niet van belang omdat het getuigenverhoor op 2 februari 1998, waarop de tenlastelegging slaat, zich toespitste op gebeurtenissen op 19 maart 1997 en er zich toen geen situatie heeft voorgedaan waarin van mr. Van S. als getuige verwacht mocht worden dat hij in aanvulling op zijn antwoorden een verklaring aflegde over de totstandkoming van de afspraak op 7 april 1997.
Gelet op de betrekkelijke wetsartikelen.
4. De beslissing
De rechtbank, rechtdoende:
Spreekt verdachte vrij van de gehele tenlastelegging.
Aldus gewezen door:
mrs. J.D.A. den Tonkelaar, coördinerend vice-president als voorzitter, J.P. Bordes, rechter, J.A.W. Lensing, rechter,
in tegenwoordigheid van J. van Elst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2000.