ECLI:NL:RBARN:2000:AA4718
Rechtbank Arnhem
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake definitieve schoolverwijdering wegens wangedrag ouders
Verzoekster werd per brief geïnformeerd dat haar zoon per 27 december 1999 definitief van school werd verwijderd vanwege het wangedrag van de ouders. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om haar zoon direct terug te laten keren. Tijdens de zitting op 26 januari 2000 lichtten beide partijen hun standpunten toe.
De rechtbank overwoog dat de verwijdering conform artikel 40 van Pro de Wet op de Expertisecentra (WEC) plaatsvond, waarbij het bevoegd gezag had voldaan aan de verplichting om een andere school te zoeken. Verzoekster erkende het wangedrag maar wenste terugkeer van haar zoon vanwege diens specifieke onderwijsbehoefte.
De rechtbank stelde dat het verzoek om een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen indien de reguliere bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Aangezien de bezwaarprocedure spoedig zou worden behandeld en verweerder zich op het standpunt stelde dat de vertrouwensband tussen ouders en school was verstoord, werd het verzoek afgewezen. De verantwoordelijkheid voor het niet volgen van onderwijs lag bij de ouders, aldus de rechtbank.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot onmiddellijke terugkeer van de zoon naar school is afgewezen.