ECLI:NL:RBARN:2000:AA5909
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- D. van Driel van Wageningen
- R.J.B. Boonekamp
- R.J.J. van Acht
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen Staat en Waterleidingmaatschappij wegens bodemverontreiniging door Heijting
De Staat der Nederlanden en de Waterleiding Maatschappij Oostelijk Gelderland (WOG) vorderden van Heijting’s Aannemingsbedrijf en Handelsonderneming B.V. vergoeding van kosten voor sanering en nazorg van ernstige bodemverontreiniging veroorzaakt door lozing van trichlooretheen (tri) in de periode 1960-1982.
De rechtbank beoordeelde de aansprakelijkheid op grond van artikel 75 van Pro de Wet bodembescherming (Wbb), waarbij werd vastgesteld dat Heijting op het moment van de verontreiniging op de hoogte was of had moeten zijn van de gevaren van tri. Echter, de rechtbank concludeerde dat Heijting zich niet ernstig verwijtbaar heeft gedragen, omdat de bedrijfsvoering niet significant afweek van vergelijkbare bedrijven en reële alternatieven voor lozing destijds niet beschikbaar of toepasbaar waren.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de door WOG gestelde norm voor tri in drinkwater pas sinds 1984 geldt, zodat Heijting in de periode 1960-1974 het belang van WOG niet kon schenden. De vorderingen werden daarom afgewezen. Heijting werd in de vrijwaring niet ontvankelijk verklaard en partijen werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de Staat en WOG af wegens onvoldoende bewijs van ernstig verwijtbaar handelen door Heijting.