ECLI:NL:RBARN:2000:AA7339
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering na faillissement werkgever tijdens vakantie werknemer onterecht
Eiser werkte tot 23 juni 1998 bij een werkgever die failliet ging. Hij kwam in aanmerking voor een WW-uitkering vanaf 26 juni 1998, maar ging van 4 tot en met 24 juli 1998 met vakantie. Verweerder stelde de eerste werkloosheidsdag vast op 27 juli 1998 en weigerde de WW-uitkering omdat eiser toen in dienst trad bij een nieuwe werkgever. Later werd een WW-uitkering toegekend vanaf 9 november 1998 na ontslag bij de nieuwe werkgever.
Eiser maakte bezwaar tegen de berekening van het dagloon en het aantal arbeidsuren, omdat de vakantieperiode niet werd meegeteld bij het bepalen van het gemiddelde aantal arbeidsuren in de 26 weken voorafgaand aan het ontslag. Verweerder stelde dat vakantie-uren alleen als arbeidsuren mogen worden meegeteld als de werknemer in die periode in dienst was, wat niet het geval was.
De rechtbank oordeelde dat eiser als werknemer in de zin van de WW wordt beschouwd ondanks het ontbreken van een dienstbetrekking tijdens de vakantie. De vakantie-uren zijn gelijkgesteld aan arbeidsuren omdat eiser schadeloos is gesteld via het Vakantiefonds. De weigering van de WW-uitkering was daarom onjuist en het besluit werd vernietigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende specificatie. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen.