ECLI:NL:RBARN:2001:AB2692
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing financiële tegemoetkoming ouderschapsverlof wegens onvoldoende vervanging volgens Wet Finlo
Eiser, werkzaam als fysiotherapeut, nam ouderschapsverlof op voor de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 1999 en werd vervangen door een herintredende fysiotherapeute. De vervangster trad op 1 juni 1999 in dienst met een arbeidsovereenkomst voor 7 uur per week, later verhoogd naar 27 uur per week vanaf 1 juli 1999. Verweerder weigerde een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet Finlo omdat de vervanging niet voldeed aan de vereisten van minimaal hetzelfde aantal uren als het verlof.
De rechtbank overwoog dat een arbeidsovereenkomst aangegaan binnen een maand voor het verlof als vervanging in de zin van de Wet Finlo moet worden beschouwd, conform de Memorie van Toelichting. De uren voorafgaand aan het verlof moeten worden meegerekend bij de vervanging. Echter, de arbeidsovereenkomst moet minimaal 18 uur per week betreffen om als vervanging te gelden. De initiële 7 uur per week in juni voldeed niet aan deze eis, en hoewel de uren in juli en augustus werden verhoogd, waren deze samen onvoldoende om het verlof volledig te compenseren.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag om financiële tegemoetkoming heeft afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de vervanging niet voldeed aan de minimale urenvereiste van de Wet Finlo.