ECLI:NL:RBARN:2001:AD6422

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
28 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/052634-00
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.A.Z. Hooft Graafland
  • A. Dik
  • B.N. Crol
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 268 Wetboek van StrafvorderingArt. 512 Wetboek van StrafvorderingArt. 6 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens schijn van partijdigheid

Verdachte heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. [rechter], lid van de meervoudige kamer die zijn strafzaak behandelde, omdat zij eerder als rechter-commissaris getuigen heeft gehoord in een gerelateerde zaak tegen een ander persoon, [B.]. De stukken van die zaak zijn aan het dossier van verdachte toegevoegd, waardoor verdachte meent dat de rechter niet onpartijdig kan zijn.

De rechtbank overweegt dat de situatie van artikel 268 Sv Pro niet van toepassing is omdat de rechter geen onderzoek heeft verricht in de zaak tegen verdachte, maar wel in de zaak tegen [B.]. Desondanks kan de schijn van partijdigheid ontstaan doordat de rechter eerder betrokken was bij het horen van getuigen, waaronder verdachte zelf, in de andere zaak.

De rechtbank concludeert dat deze schijn van partijdigheid voldoende is om het wrakingsverzoek toe te wijzen, zodat verdachte kan rekenen op een onpartijdig tribunaal. Het verzoek wordt daarom toegewezen en de rechter wordt van de zaak afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt toegewezen vanwege de schijn van partijdigheid van het lid van de meervoudige kamer.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
Parketnummer : 05/052634-00
Datum uitspraak : 28 november 2001
Beslissing
naar aanleiding van het verzoek van
[verdachte],
geboren te [plaats] op [datum],
wonende:[adres]
raadsman mr. A.F. van Dam, advocaat te Arnhem,
tot wraking ex artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering van
[rechter],
in haar hoedanigheid van lid van de meervoudige kamer in de strafzaak onder parketnummer 05/052634-00 tegen verzoeker [verdachte] voornoemd.
De procedure
Ter terechtzitting van 2 november 2001 heeft mr. Van Dam namens zijn cliënt [verdachte] een mondeling verzoek tot wraking gedaan van het lid van de meervoudige kamer mr. [rechter]. Dat verzoek is neergelegd in het proces-verbaal terechtzitting van die terechtzitting (aangehecht).
Daarop is het onderzoek ter terechtzitting geschorst totdat op het verzoek tot wraking is beslist.
De rechter wier wraking is verzocht heeft niet in de wraking berust.
De meervoudige kamer van deze rechtbank (wrakingskamer) heeft het verzoek ter openbare terechtzitting van 14 november 2001 behandeld. Daar is verzoeker [verdachte] niet verschenen, doch wel zijn raadsman mr. Van Dam voornoemd, die het verzoek mondeling heeft toegelicht. Mr. [rechter] is niet verschenen. Laatstgenoemde heeft bij brief van 14 november 2001 aan de rechtbank laten weten verhinderd te zijn om te verschijnen. Zij heeft bij brief van 14 november 2001 haar (eveneens aan deze beslissing gehechte) schriftelijke commentaar op het verzoek aan de rechtbank toegezonden. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud daarvan voorgelezen. Mr. Van Dam heeft het verzoek toegelicht. Tevens heeft de officier van justitie een conclusie genomen inhoudende dat het wrakingsverzoek terecht is gedaan, evenwel niet omdat artikel 268 van Pro het Wetboek van Strafvordering zou zijn overtreden, maar omdat zwaarwegende overwegingen op grond van artikel 6 EVRM Pro daartoe aanleiding geven. Daarna is de beslissing bepaald op heden.
Het verzoek
Namens [verdachte] is aangevoerd dat mr. [rechter], die als rechter-commissaris in de zaak tegen [B.] de getuigenverhoren heeft gedaan, deel uitmaakt van het college dat op 2 november 2001 de strafzaak tegen verzoeker behandelde. Het verzoek klemt temeer nu blijkt dat de stukken uit de zaak van [B.] aan het dossier van verzoeker zijn toegevoegd. Hierdoor is mr. [rechter] min of meer automatisch ook de rechter-commissaris geworden die onderzoek heeft gedaan in de zaak van verzoeker. De behandeling van de strafzaak tegen mevrouw Brink en die tegen verzoeker [verdachte] stonden aanvankelijk gepland voor de terechtzitting van 13 november 2000. De strafzaak tegen [verdachte] is toen op verzoek van de raadsman aangehouden tot de terechtzitting van 2 november 2001.
Op grond van artikel 268 van Pro het Wetboek van Strafvordering mag mr. [rechter] op straffe van nietigheid geen deel uitmaken van het college dat de strafzaak tegen verzoeker behandelt. Subsidiair beroept verzoeker zich op artikel 6 van Pro het EVRM op grond van het feit dat bij de betrokken rechter de noodzakelijke onpartijdigheid zou kunnen ontbreken, dan wel dat deze vooringenomen zou kunnen zijn.
De feiten
In de strafzaak tegen [B.] (parketnummer 05/070169-99) zijn, na een behandeling van de strafzaak tegen [B.] op 21 januari 2000, waarbij het onderzoek is geschorst en de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank voor het horen van in ieder geval de in het proces-verbaal van die terechtzitting met name genoemde getuigen, door mr. [rechter] als rechter-commissaris op 1 maart 2000, 15 maart 2000, 20 maart 2000 en 6 april 2000, getuigen gehoord, waaronder op 6 april 2000 verzoeker [verdachte].
[verdachte] heeft zijn verklaring afgelegd na aanzegging de waarheid en niets dan de waarheid te verklaren.
Het onderzoek in die zaak is daarna voortgezet ter terechtzitting van 13 november 2000, waarna [B.] bij vonnis van 27 november 2000 is vrijgesproken.
De strafzaak tegen [verdachte] (parketnummer 05/052634-00) is eveneens aanhangig gemaakt tegen de terechtzitting van 13 november 2000. Het onderzoek is toen voor onbepaalde tijd aangehouden.
Daarna zijn de relevante processtukken (de getuigenverhoren door de rechter-commissaris in de zaak tegen [B.]) aan het procesdossier van [verdachte] toegevoegd.
Vervolgens is het onderzoek in de zaak tegen [verdachte] opnieuw behandeld ter terechtzitting van 2 november 2001, bij gelegenheid waarvan het onderhavige wrakingsverzoek is gedaan.
De beoordeling
Ten aanzien van het primaire bezwaar wordt overwogen dat de situatie van artikel 268 van Pro het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet omdat mr. [rechter] niet als rechter-commissaris in de zaak tegen verzoeker enig onderzoek heeft verricht; zij heeft de getuigen gehoord in de zaak tegen [B.].
Ten aanzien van het subsidiaire bezwaar geldt het volgende.
Op grond van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 van Pro het EVRM kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake wanneer bij verdachte en/of het publiek de schijn van partijdigheid gewekt zou kunnen worden. (objectief criterium) In casu is de vraag aan de orde of het horen van getuigen (waaronder verzoeker [verdachte]) in de zaak van [B.] door mr. [rechter] als rechter-commissaris bij verdachte [verdachte] de schijn van partijdigheid gewekt zou kunnen worden, zodat niet gezegd kan worden dat verdachte [verdachte] bij berechting door een college waarvan mr. [rechter] deel uitmaakt, in zijn beleving terecht staat voor een "impartial Tribunal". De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Immers door het toevoegen van de bewuste verhoren aan het procesdossier van verzoeker [verdachte] zijn de processtukken van die zaak identiek geworden aan die in de strafzaak tegen [B.].
Het is dan ook niet onbegrijpelijk indien verzoeker [verdachte] de handelingen die mr. [rechter] als rechter-commissaris tijdens het voorbereidend onderzoek in de zaak tegen [B.] heeft verricht thans ervaart als handelingen die eveneens zijn verricht in zijn zaak.
Bij verzoeker [verdachte] leeft, gezien het gedane wrakingsverzoek, kennelijk de beleving dat hij in dit geval niet terecht zou staan voor een "impartial Tribunal" nu één van de leden van het college door eerder door haar verrichtte onderzoekshandelingen reeds van zijn schuld overtuigd kan zijn geraakt, zonder dat overigens is gesteld dat de rechter daadwerkelijk partijdig zou zijn, noch daarvan is gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [verdachte] moet worden toegewezen.
De beslissing
De rechtbank, beschikkende.
wijst het verzoek tot wraking toe.
Aldus gegeven door:
mr. J.A.Z. Hooft Graafland, coördinerend vice-president als voorzitter,
mrs. A. Dik en B.N. Crol, beiden vice-president,
in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,
op 28 november 2001.