ECLI:NL:RBARN:2002:AE0116
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige therapiebehandeling en schadevergoeding wegens onjuiste begeleiding en aangifte
Eisers stelden dat gedaagde jegens hen onrechtmatig had gehandeld door E. onprofessioneel te begeleiden en te stimuleren tot het doen van een aangifte van een niet vast te stellen incestverleden. De rechtbank stelde vast dat gedaagde geen professionele therapeutische kwalificaties bezat en dat de begeleiding beneden de maat was, zonder diagnose, indicatiestelling of verslaglegging.
De deskundige concludeerde dat gedaagde een ontdekkende therapievorm toepaste die niet passend was bij de ernstige problematiek van E., en dat de supervisie ernstig tekort schoot. Gedaagde had E. onvoldoende gewezen op de risico’s van de aangifte en had onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers.
De rechtbank oordeelde dat het handelen van gedaagde een onrechtmatige daad jegens eisers vormde en dat het causaal verband tussen zijn handelen en de immateriële schade van eisers was gegeven. Materiële schade en andere kosten werden grotendeels afgewezen wegens onvoldoende bewijs of causaal verband.
Uiteindelijk werd gedaagde veroordeeld tot betaling van EUR 9.075,44 immateriële schadevergoeding aan eisers, met wettelijke rente vanaf 16 mei 1997, en werd hij veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van EUR 9.075,44 immateriële schadevergoeding aan eisers wegens onrechtmatige therapiebehandeling.