ECLI:NL:RBARN:2002:AE1792

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
7 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/327 OSV
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.F. Bijloo
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 3 Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfondsArt. 8:1 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursorgaanstatus administrateur bedrijfspensioenfonds bij verplichte deelneming

Eiseres, een technisch handelsbureau, werd door verweerder geïnformeerd dat zij verplicht deelneemt aan het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken. Verweerder trad hierbij op als administrateur van het pensioenfonds. Eiseres maakte bezwaar tegen deze verplichte deelneming en de opgelegde premieheffing.

De rechtbank onderzocht of verweerder als bestuursorgaan kon worden aangemerkt. Hoewel verweerder een stichting naar burgerlijk recht is, oordeelde de rechtbank dat zij als verlengstuk van het bedrijfspensioenfonds met enig openbaar gezag is bekleed en dus bestuursorgaan is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank stelde vast dat het primaire besluit van 23 april 1999 geen zelfstandig rechtsgevolg had en daarom niet als besluit in de zin van de Awb kon worden beschouwd. Het bezwaarbesluit van verweerder was wel een besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en erkent verweerder als bestuursorgaan, waarbij eiseres in het gelijk wordt gesteld.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Arnhem
Sector Bestuursrecht
Reg.nr.: AWB 00/327 OSV
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
Technisch Handelsbureau en Armaturenfabriek Walfrega BV, statutair gevestigd te Elst, eiseres,
en
Stichting MN Services, statutair gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder.
Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 januari 2000.
2. Procesverloop
Verweerder heeft bij schrijven van 23 april 1999 aan eiseres medegedeeld dat naar aanleiding van een door verweerder uitgevoerd werkingssfeeronderzoek is geconcludeerd dat eiseres ressorteert onder het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken. Gelet op de door eiseres ontplooide bedrijfsactiviteiten bestaat er naar het oordeel van verweerder een verplichting tot deelneming conform de Ministeriële Beschikking van 31 december 1969, gewijzigd op 23 december 1985, welke verplichte deelneming eveneens is vastgelegd in de (algemeen verbindend verklaarde) collectieve arbeidsovereenkomst voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken.
Tegen dit oordeel heeft eiseres bij bezwaarschrift van 2 juni 1999 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 12 januari 2000 heeft verweerder haar standpunt met betrekking tot de verplichte deelneming gehandhaafd, evenals de in dit verband ambtshalve opgelegde premieheffing.
Tegen dit schrijven heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, namens eiseres bij beroepschrift van 18 februari 2000 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij aanvullend beroepschrift van 20 maart 2000.
Bij verweerschrift van 20 april 2000 is namens verweerder van verweer gediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 november 2001, waar namens eiseres is verschenen mr. Bemelmans, voornoemd. Verweerder heeft zich doen laten vertegenwoordigen door mr. R.A.A. Duk, advocaat te ’s-Gravenhage.
3. Overwegingen
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende slechts tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
Op voet van artikel 1:3, eerste lid van de Awb moet onder een besluit worden verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Onder een bestuursorgaan moet ingevolge het bepaalde in artikel 1:1, eerste lid van de Awb worden verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld;
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet krachtens het publiekrecht is ingesteld en evenmin met enig openbaar gezag is bekleed. Dientengevolge is verweerder van mening dat zij niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in vorenbedoelde zin, zodat van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb geen sprake kan zijn. Dit klemt te meer -zo stelt verweerder- indien wordt bedacht dat de brief aan eiseres slechts een informatief karakter heeft en niet is gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Verweerder is dan ook van oordeel dat eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep.
De rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van Pro de Awb. In dit verband stelt de rechtbank vast dat verweerder is opgericht als een stichting naar burgerlijk recht en dientengevolge niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a van de Awb. Met betrekking tot het antwoord op de vraag of verweerder kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b van de Awb, merkt de rechtbank evenwel het navolgende op.
Vooreerst stelt de rechtbank vast dat uit het namens eiseres ingediende beroepschrift kan worden afgeleid dat (slechts) wordt opgekomen tegen het standpunt van verweerder dat eiseres ressorteert onder het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische bedrijfstakken.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder met betrekking tot haar mededeling aan eiseres aangaande voornoemde verplichte deelneming in het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal- en Technische Bedrijfstakken (evenals met betrekking tot de in dit verband aansluitend opgelegde premie) is opgetreden als administrateur van dit bedrijfspensioenfonds. In dit licht bezien dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een verlengstuk van het bedrijfspensioenfonds, en is zij dientengevolge ook te beschouwen als een administratief orgaan, welke (mede) de publieke taak van dit pensioenfonds vervult (de rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 december 1999, NJ 2000/8 [redactie: LJN url('AA3828',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=17348)]). Een beslissing van verweerder heeft in die zin dan ook te gelden als ware het een beslissing van het bedrijfspensioenfonds zelf.
Ten tijde hier in geding gold de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (wet van 17 maart 1949, Stb 121, hierna: wet Bpf). Ingevolge artikel 3 van Pro de wet kan de minister, op verzoek van een naar zijn oordeel voldoende representatieve vertegenwoordiging van het georganiseerde bedrijfsleven, in een bedrijfstak het deelnemen in het bedrijfspensioenfonds voor alle of bepaalde groepen van bedrijfsgenoten verplichtstellen. Ten aanzien van de Metaal- en Technische bedrijfstakken, heeft de minister van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
Hoewel zulks niet expliciet in de Wet Bpf is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de uitvoering van de door de minister uitgesproken verplichtstelling berust bij het betreffende bedrijfspensioenfonds. Voor de vraag of het bedrijfspensioenfonds, en daarmee verweerder, hierdoor als bestuursorgaan in de zin van de Awb moet worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat onderscheid moet worden gemaakt tussen geschillen over het van toepassing verklaren van de verplichtstelling (zoals in onderhavig geval aan de orde) en geschillen met betrekking tot de ten gevolge van deze verplichtstelling opgelegde premieheffing.
In dit verband overweegt de rechtbank dat, daar waar premie in zijn algemeenheid een klassieke contraprestatie kan worden genoemd voor de te verlenen dekking (risico-overdracht) door een verzekeraar (waaronder het bedrijfspensioenfonds), waardoor een geschil over de (hoogte van) de premiebetaling in zijn natuur als privaatrechtelijk moet worden aangemerkt, dient te worden geoordeeld dat het bedrijfspensioenfonds, waar zij (door middel van een werkingssfeeronderzoek) vaststelt of al dan niet feitelijk een verplichte deelname bestaat, haar bevoegdheid ontleent aan eerdergenoemde Wet Bpf. Dientengevolge moet worden geoordeeld dat het bedrijfspensioenfonds, en daarmee verweerder, bij zulk een vaststelling met enig openbaar gezag is bekleed.
Gelet op het voorgaande, en gelet op de omstandigheid dat eiseres (slechts) opkomt tegen het besluit van verweerder omtrent de toepasselijkheid van de verplichtstelling, en niet -althans niet direct- tegen de hieruit voortvloeiende premieheffing als zodanig, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder b van de Awb. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onderkend.
Voorgaande heeft tot gevolg dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.
Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij -met verweerder- van oordeel is dat het primaire besluit van 23 april 1999 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, nu de rechtsgevolgen die de van toepassing verklaring door verweerder met zich brengt niet voortvloeien uit het besluit van verweerder als zodanig, doch uit de hieraan ten grondslag liggende ministeriële beschikking tot verplichtstelling. Dientengevolge kan niet worden gezegd dat het primaire besluit van 23 april 1999 was gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Gelet op het bepaalde in artikel 1:3 van Pro de Awb kan van een besluit in de zin van de Awb om die reden geen sprake zijn, zodat de beslissing op het door eiseres gemaakte bezwaar (welke beslissing als zodanig wél als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb kan worden aangemerkt) niets anders kan inhouden dan een niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.
De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van Pro de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644;
bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ad € 204,20 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. W.F. Bijloo, rechter, en in het openbaar uitgesproken op, 7 januari 2002 in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof als griffier.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage.
Verzonden op: 14 januari 2002
Coll: