ECLI:NL:RBARN:2002:AE3406
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- F.H. de Vries
- D.J. Post
- P.E.M. Messer-Dinnissen
- Rechtspraak.nl
Herziening ingangsdatum WAO-uitkering wegens onjuiste wachttijdberekening bij bevallingsuitkering
Eiseres, een voormalige schoonmaakster, staakte haar werkzaamheden op 12 januari 1999 vanwege rugklachten. Vanaf 2 februari 1999 ontving zij een uitkering op grond van artikel 29a van de Ziektewet wegens haar bevalling. Na de bevalling op 11 maart 1999 traden de rugklachten op de achtergrond, maar op 28 april 1999 werd bij haar acute lymfatische leukemie vastgesteld. De uitkering op grond van de Ziektewet eindigde op 25 mei 1999. Verweerder kende haar een WAO-uitkering toe met ingang van 11 januari 2000, waarbij de periode van de bevallingsuitkering werd meegerekend in de wachttijd van 52 weken.
Eiseres voerde aan dat deze berekening onjuist was, verwijzend naar het Mary Brown-arrest van het Europese Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld dat ziekte tijdens zwangerschap niet mag worden meegerekend voor ontslagtermijnen vanwege discriminatie. De rechtbank oordeelde dat het gelijkstellen van bevallingsverlof aan ziekte leidt tot discriminatie, omdat daardoor ongelijke gevallen gelijk worden behandeld. De periode van bevallingsuitkering mag daarom niet worden meegerekend in de wachttijd van 52 weken voor de WAO-uitkering.
De rechtbank stelde vast dat de periode van niet-zwangerschapsgerelateerde arbeidsongeschiktheid vanaf 28 april 1999 tot 25 mei 1999 wel mag worden meegerekend. Verweerder werd veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van deze overwegingen, en tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over de ingangsdatum van de WAO-uitkering wordt vernietigd.