ECLI:NL:RBARN:2002:AF1688
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging en verjaring van vordering tot kostenverhaal
De Staat vordert verhaal van kosten voor onderzoek en sanering van bodemverontreiniging op percelen nabij het voormalige bedrijfsterrein van Groothuijse Transport. De verontreiniging betreft met name olieproducten afkomstig van smeerputten en ondergrondse opslagtanks. De curator van de failliete vennootschap betwist de vordering, onder meer wegens verjaring en betwisting van de oorzaak van de verontreiniging.
De rechtbank stelt vast dat de overheid al sinds de jaren tachtig bekend was met de bodemverontreiniging en de noodzaak van sanering, maar dat het cruciale punt is wanneer de Staat ook daadwerkelijk wist dat de verontreiniging afkomstig was van Groothuijse Transport. Uit rapporten van Haskoning uit 1992 blijkt dat het zeer waarschijnlijk was dat de verontreiniging werd veroorzaakt door activiteiten van Groothuijse Transport.
De rechtbank oordeelt dat de Staat de stuiting van de verjaring op 9 januari 1997 heeft gedaan, maar dat de curator het recht krijgt om bewijs te leveren dat de Staat of andere overheidsinstanties al vóór die datum bekend waren met de aansprakelijkheid. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering, waarbij getuigen kunnen worden gehoord. Hoger beroep is alleen mogelijk met het eindvonnis.
Uitkomst: De rechtbank staat bewijslevering toe over vroegere bekendheid van de Staat met aansprakelijkheid en houdt verdere beslissing aan.