Eiser, werkzaam bij de Belastingdienst, verzocht op 16 mei 2002 om uitbreiding van zijn arbeidsduur met 4 uur per week. Dit verzoek werd door het hoofd van zijn eenheid afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek niet terecht op grond van betaald ouderschapsverlof kon worden afgewezen, omdat eiser ten tijde van de aanvraag geen ouderschapsverlof genoot. Verder concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat zwaarwegende dienstbelangen zich verzetten tegen de uitbreiding van de arbeidsduur.
Verweerder stelde dat er geen budgettaire of formatieve ruimte was, maar eiser leverde stukken aan waaruit bleek dat er wel voldoende formatieruimte was. Ook de reservering van deze ruimte voor loopbaanontwikkelingstrajecten en de vacaturestop werden door de rechtbank niet als zwaarwegende belangen erkend.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het door eiser betaalde griffierecht worden vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van het verzoek tot uitbreiding van de arbeidsduur wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht
Reg.nr.: 02/2624 AW
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
A, wonende te B, eiser,
en
de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluiten
Besluit van verweerder d.d. 17 oktober 2002.
2. Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2002 heeft het hoofd van de eenheid, namens verweerder eisers verzoek om uitbreiding van zijn arbeidsduur met 4 uren geweigerd.
Tegen dit besluit heeft eiser op 15 juli 2002 bezwaar gemaakt.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft de directeur Belastingdienst / […], namens verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 1 juli 2002 gehandhaafd.
Eiser heeft hiertegen op 18 november 2002 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 30 december 2002 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van
4 april 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij verweerder.
3. Overwegingen
Eiser is werkzaam in […] bij het […] van de belastingdienst. Als zodanig is hij belast met het behandelen van bezwaar- en beroepschriften. In verband met naar zijn oordeel bestaande onmogelijkheden zijn verlofdagen op te nemen, dan wel af te kopen, heeft eiser op 16 mei 2002 aan het hoofd van zijn eenheid verzocht zijn werktijd met 4 uur per week uit breiden. Dit verzoek is bij het in rubriek 2 genoemde besluit van het hoofd van de eenheid afgewezen, welk besluit bij het thans bestreden besluit is gehandhaafd.
Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat naar het oordeel van de betreffende eenheid het dienstbelang zich tegen de gevraagde uitbreiding verzet, omdat - samengevat - beschikbare formatieruimte in beginsel door het vervullen van vacatures dient te worden opgevuld, terwijl bovendien met anderen in het kader van een loopbaanontwikkelingstraject reeds afspraken zijn gemaakt teneinde (op termijn) deze ruimte te kunnen benutten. In het verweerschrift is hieraan in dit kader nog toegevoegd dat er in verband met bezuinigingen in de loop van 2002 - behoudens vorenbedoelde afspraken - geen ruimte is om nieuw personeel aan te trekken, dan wel uren van eigen personeel uit te breiden.
Verweerder heeft voorts in het verweerschrift nog als nadere grond voor zijn weigering aangevoerd dat eisers aanvrage reeds moet worden afgewezen op grond van artikel 21, tweede lid aanhef en onder b, van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) in verband met het genieten van betaald ouderschapsverlof.
Eiser heeft verweerders stellingen gemotiveerd bestreden, waartoe in hoofdzaak is aangevoerd dat verweerder, gezien de in 2002 beschikbare en later nog te verwachten formatieruimte binnen de groepsfunctie I van zijn eenheid, niet in redelijkheid tot zijn afwijzende beslissing heeft kunnen komen. Ter zitting heeft eiser een en ander nader geconcretiseerd, waarbij is gebleken dat eiser feitelijk reeds 40 uur per week werkt maar gezien de op de eenheid bestaande werkdruk niet de mogelijkheid heeft (gehad) zijn verlof- en compensatiedagen op te nemen, terwijl ook de zogeheten IKAP-regeling in zijn geval geen mogelijkheid zou bieden verlofdagen te verkopen in verband met het in 2002 genoten - en in 2003 en 2004 nog te genieten - ouderschapsverlof.
De rechtbank overweegt als volgt.
Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eisers verzoek niet reeds op grond van artikel 21, tweede lid aanhef en onder b, van het ARAR dient te worden afgewezen. Dit artikelonderdeel bepaalt immers dat een aanvraag niet wordt toegewezen voor de ambtenaar die betaald ouderschapsverlof geniet. Eiser genoot ten tijde van zijn aanvraag geen ouderschapsverlof, zodat deze (aanvullende) afwijzingsgrond geen steun kan vinden in de betreffende bepaling. De omstandigheid dat eiser in de maanden juli en augustus 2002 wel ouderschapsverlof heeft genoten kan hieraan niet afdoen, omdat naar het oordeel van de rechtbank de duidelijke tekst van genoemd artikel geen ruimte laat een verzoek van een ambtenaar, die feitelijk (nog) geen ouderschapsverlof geniet, af te wijzen in verband met in de toekomst gelegen perioden waarin hij voornemens is ouderschapsverlof te gaan genieten.
Artikel 21, tweede lid, ARAR bepaalt, voor zover hier van belang, dat een ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag kan indienen om de arbeidsduur in hele uren vast te stellen op meer dan gemiddeld 36 uur per week, waarbij een maximum geldt van gemiddeld 40 uur per week. Deze aanvraag wordt toegewezen, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet.
Genoemd artikel vormt kennelijk de implementatie in het ARAR van de mogelijkheid van een werknemer en een ambtenaar zijn arbeidsduur te vermeerderen of te verminderen, zoals neergelegd in de Wet aanpassing arbeidsduur (Waa, Stb. 2000, 114). In artikel 3, zesde lid, van deze wet is bepaald dat een verzoek als hier bedoeld wordt ingewilligd, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Het negende lid bepaalt vervolgens dat van een zwaarwegend belang in ieder geval sprake is, indien de vermeerdering van de arbeidsduur leidt tot ernstige problemen:
a. van financiële of organisatorische aard,
b. wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk of
c. omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe ontoereikend is.
Deze opsomming is niet limitatief, zodat in beginsel ook andere zwaarwegende dienstbelangen aan eisers verzoek in de weg kunnen staan.
Uit de redactie van deze artikelonderdelen moet worden afgeleid dat het in casu niet gaat om een zuivere discretionaire bevoegdheid van verweerder, maar om een in beginsel bestaande aanspraak op toewijzing van het verzoek, tenzij zwaarwegende diensbelangen zich daartegen verzetten. Zulks legt naar het oordeel van de rechtbank op verweerder de verplichting zodanige belangen gemotiveerd aan te tonen.
Beoordeeld moet thans derhalve worden de vraag of de afwijzing door verweerder van eisers verzoek op toereikende gronden berust.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er onvoldoende in geslaagd aan te tonen dat zwaarwegende belangen zich verzetten tegen een uitbreiding van de arbeidsduur van eiser met 4 uur per week. Het volgens verweerder ontbreken van budgettaire of formatieve ruimte is door eiser aan de hand van - door verweerder niet betwiste - stukken omtrent de bestaande formatieve ruimte en feitelijke bezetting binnen groepsfuncties I weersproken. Hierbij wordt nog opgemerkt dat door verweerder in het verweerschrift expliciet is aangegeven dat het bestaan van formatieve ruimte ook budgettaire ruimte impliceert. Nu uit de door eiser in geding gebrachte overzichten van de personeelsformatie genoegzaan blijkt dat per 31 juli 2002 een hier relevante formatieve ruimte van 2,3 fte aanwezig was, is het bestreden besluit in dit opzicht niet toereikend gemotiveerd. Zulks klemt te meer nu de uitbreiding waarom is verzocht slechts 0,11 fte omvat, zijnde (ca.) 11% van de reguliere arbeidsduur van 36 uur per week.
Voor zover verweerder heeft betoogd dat deze formatieve ruimte gereserveerd dient te blijven voor medewerkers met wie een loopbaanontwikkelingstraject is afgesproken, overweegt de rechtbank dat uit de stukken slechts kan worden opgemaakt dat zulks met ten hoogste twee medewerkers - in één geval overigens pas op een betrekkelijk lange termijn - is overeengekomen. Ook in zoverre is niet genoegzaam aangetoond dat een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen de gevraagde uitbreiding, nu invulling van 0,11 fte door eiser nog voldoende ruimte laat voor nakoming van bedoelde afspraken.
In hetgeen van de zijde van verweerder voor het overige is aangevoerd heeft de rechtbank evenmin een ander zwaarwegend dienstbelang kunnen ontwaren dat aan toewijzing van onderhavig verzoek in de weg zou staan. De rechtbank vermag niet in te zien dat de in het Reglement personeelsvoorschriften belastingdienst (RPVB) neergelegde procedure tot vervulling van vacatures door inwilliging van eisers verzoek in betekenende mate geweld wordt aangedaan, nog daargelaten dat niet nader is gemotiveerd waarom verweerders wens om bestaande vacatureruimte (primair) te doen invullen door het regulier openstellen van vacatures en niet door uitbreiding van de arbeidsduur van zittende medewerkers, als een zwaarwegend belang in de zin van de Waa valt aan te merken.
Ook het feit dat in 2002 een vacaturestop van kracht is geworden, op grond waarvan er naar verweerders oordeel geen ruimte is om nieuw personeel aan te stellen of uren van zittend personeel uit te breiden, acht de rechtbank niet toereikend gemotiveerd. Gelet op de door eiser ter zake in geding gebrachte gegevens en de ook door verweerder aangebrachte strikte koppeling tussen formatieve en budgettaire ruimte, impliceert bedoelde vacaturestop immers niet zonder meer dat reeds aanwezige formatieve en (derhalve ook) budgettaire ruimte niet zou kunnen worden benut.
De rechtbank voegt aan het bovenstaande nog toe dat de verslagen van de directieraad van 21 maart 2002 en de Centrale groepsondernemingsraad van 22 april 2002 het beeld oproepen van een ter zake bestaande ruime discretionaire bevoegdheid van het hoofd van de betreffende eenheid. Zoals uit het vorenstaande volgt, vormt zulks echter een omkering van het in de Waa verankerde uitgangspunt dat een verzoek, behoudens de aanwezigheid van zwaarwegende belangen, voor toewijzing in aanmerking komt.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit niet door de hieraan gegeven motivering kan worden gedragen en mitsdien in strijd is met artikel 7:12 vanPro de Awb. Het beroep is mitsdien gegrond.
Geen termen bestaan voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Awb, omdat voor vergoeding in aanmerking komende kosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet is gebleken. Wel dient verweerder op grond van artikel 8:74 vanPro de Awb het door eiser gestorte griffierecht te vergoeden.
Beslist wordt derhalve als volgt.
4. Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser gestorte griffierecht van € 109,- aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.G. Kolkman als griffier.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 junctoPro 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.