ECLI:NL:RBARN:2004:AO2178
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke erkenning aansprakelijkheid voor verdwijning geldbedrag en toelating tegenbewijs
A trad in dienst bij Lidl en was werkzaam in diverse filialen. Lidl constateerde dat tussen 16 augustus en 1 november 2002 minder geld was afgestort dan op de stortingsformulieren stond vermeld, in totaal €50.815. A erkende tegenover Lidl verantwoordelijk te zijn voor de verdwijning van deze bedragen, maar betwist aansprakelijkheid voor twee specifieke bedragen van €22.550 en €5.160.
De rechtbank oordeelt dat A voor het erkende bedrag van €23.105 aansprakelijk is en veroordeelt hem tot terugbetaling daarvan. Voor het overige bedrag wordt A toegelaten tot het leveren van tegenbewijs dat de verdwijning door een derde is veroorzaakt. Verder werd vastgesteld dat A op 11 november 2002 op staande voet werd ontslagen en veroordeeld tot een werkstraf wegens verduistering.
De rechtbank wijst het verweer van A af dat een casinoverbod hem vrijwaart van aansprakelijkheid voor het bedrag van 1 november 2002. De vordering tot terugbetaling van €5.160 wordt daarom toegewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De procedure wordt voortgezet met een getuigenverhoor om het tegenbewijs te beoordelen, waarbij de rechtbank de planning en voorwaarden vaststelt. Hoger beroep is alleen mogelijk samen met het eindvonnis.
Uitkomst: A wordt veroordeeld tot terugbetaling van het erkende bedrag en toegelaten tot tegenbewijs voor het overige.