ECLI:NL:RBARN:2004:AO5067

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
11 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
105275 / HA ZA 03-1761
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1576 BWArt. 7A:1576h BWArt. 93 sub c Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid rechtbank bij leaseovereenkomst geen koop op afbetaling

In deze zaak vordert Dexia Bank Nederland N.V. betaling van een bedrag van €7.793,98 van X, voortvloeiend uit een overeenkomst voor het product WinstVerDriedubbelaar. X stelt dat het een leaseovereenkomst betreft die als huurkoopovereenkomst moet worden gekwalificeerd, waardoor de sector kanton bevoegd zou zijn. Dexia betwist dit en stelt dat de overeenkomst geen koop op afbetaling is.

De rechtbank onderzoekt de aard van de overeenkomst aan de hand van artikel 7A:1576 lid 1 BW, waarin koop op afbetaling wordt gedefinieerd als een koop waarbij de koopprijs in termijnen wordt betaald nadat de zaak is afgeleverd. De rechtbank stelt vast dat het hier niet gaat om eigendomsoverdracht aan X, maar om een leaseconstructie waarbij de aandelen aan het einde van de looptijd aan een derde worden verkocht, en Dexia met haar cliënt afrekent.

Hierdoor kwalificeert de overeenkomst niet als koop op afbetaling en dus ook niet als huurkoopovereenkomst. De exceptie van onbevoegdheid van X wordt verworpen en de rechtbank verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de hoofdzaak. X wordt veroordeeld in de kosten van het incident en de zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst de exceptie van onbevoegdheid af, waarbij X wordt veroordeeld in de kosten van het incident.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 105275 / HA ZA 03-1761
Datum vonnis: 11 februari 2004
Vonnis
in de zaak van
de naamloze vennootschap
DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
tevens verweerster in het incident,
procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,
advocaat mr. H. Post te Helmond,
tegen
X,
wonende te A,
gedaagde in de hoofdzaak,
tevens eiseres in het incident,
procureur mr. F.J. Boom,
advocaat mr. M.L. Chap te Amsterdam.
Partijen zullen in dit vonnis Dexia en X worden genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:
* een incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid;
* een conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
2.1 Dexia vordert -samengevat en zakelijk weergegeven- dat de rechtbank X zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.793,98 vermeerderd met rente en kosten.
Aan deze vordering legt Dexia ten grondslag dat zij met X een overeenkomst heeft gesloten ten behoeve van haar product WinstVerDriedubbelaar onder contractnummer 74485150, dat die overeenkomst door het verstrijken van de overeengekomen looptijd is geëindigd en dat zij in verband daarmede een eindafrekening heeft opgesteld ten bedrage van € 6.751.44. X weigert tot betaling van dat bedrag over te gaan. De contractuele rente daarover bedraagt van 22 april 2003 tot en met 2 september 2003 € 253,57 en de buitengerechtelijke incassokosten € 788,97 inclusief BTW.
2.2 Voor alle weren werpt X de exceptie van onbevoegdheid op.
Daartoe voert X aan dat de onderhavige overeenkomst een lease-overeenkomst is die overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A:1576h BW gekwalificeerd dient te worden als huurkoopovereenkomst. Geschillen omtrent huurkoopovereenkomsten behoren ingevolge artikel 93 sub c Rv Pro. tot de competentie van de sector kanton.
2.3 Dexia voert in het incident gemotiveerd verweer. Daarop zal de rechtbank, voor zover van belang, onder de beoordeling ingaan.
3. De beoordeling
3.1 Dexia betwist dat de overeenkomst tussen partijen als een overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling gekwalificeerd kan worden. Voor de kwalificatie van een overeenkomst als huurkoopovereenkomst is vereist dat sprake is van koop en verkoop op afbetaling. De overeenkomst tussen Dexia en X is dus geen huurkoopovereenkomst, aldus Dexia. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank het volgende.
3.2 Artikel 7A:1576 lid 1 BW geeft de definitie van een overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling: “Koop en verkoop op afbetaling is de koop en verkoop, waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen, nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd”.
Uit dat artikel volgt dat een overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling strekt tot eigendomsoverdracht. Het uitgangspunt bij overeenkomsten als de onderhavige is echter niet dat de aandelen in eigendom van de lessee overgaan, maar dat deze aan het einde van de looptijd worden verkocht aan een derde, dat daarbij koerswinst wordt gemaakt doordat een hogere verkoop- dan aankoopprijs wordt gerealiseerd en dat Dexia vervolgens met haar cliënt afrekent. Dit uitgangspunt komt ook tot uitdrukking in de overeenkomst en de toepasselijke voorwaarden die zijn overgelegd. Daarbij komt dat volgens Dexia haar cliënten vrijwel altijd kiezen voor verkoop of verlenging van de leaseovereenkomst, en vrijwel nooit voor daadwerkelijke levering van de aandelen aan hen. Ook in dit geval zijn de aandelen volgens de eindafrekening verkocht en is van eigendomsoverdracht dus geen sprake geweest.
Daartegenover legt artikel 2 van Pro die voorwaarden, dat bepaalt dat “het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan”, onvoldoende gewicht in de schaal, mede gezien het feit dat ook in dit geval, naar moet worden aangenomen, het feitelijke uitgangspunt van partijen anders is geweest dan in artikel 2 staat Pro vermeld en daadwerkelijke eigendomsoverdracht niet heeft plaatsgevonden.
3.3 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst tussen partijen niet als een overeenkomst van koop en verkoop op afbetaling en dus niet als een huurkoopovereenkomst kan worden gekwalificeerd. Het verweer van Dexia is derhalve gegrond. Hetgeen Dexia voorts nog bij wege van verweer in het incident heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.
3.4 De rechtbank zal de incidentele vordering afwijzen met veroordeling van X in de kosten van het incident.
De beslissing
De rechtbank:
in het incident
verklaart zich bevoegd van de hoofdzaak kennis te nemen;
veroordeelt X in de kosten van deze procedure; deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van Dexia gevallen, bepaald op € 390,--;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2004 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Eisenberger;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004.
de griffier de rechter