Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBARN:2004:AO6365

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
19 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/1777
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.J.A.M. van Geest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag afdrachtvermindering langdurig werkloze na vervallen regeling per 1 januari 2003

Eiseres, Duodent Dental Laboratorium vof, verzocht op 8 januari 2003 om een verklaring langdurig werkloze krachtens de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie (WVA) voor een werknemer. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat de afdrachtvermindering voor langdurig werklozen per 1 januari 2003 is komen te vervallen door een wetswijziging van 12 december 2002.

De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid van verweerder om een verklaring langdurig werkloze af te geven eveneens per die datum is vervallen. De overgangsregeling in artikel 33 WVA Pro geldt alleen voor werknemers die op 31 december 2002 al in dienst waren en voor wie de afdrachtvermindering toen gold. Omdat eiseres haar aanvraag na 1 januari 2003 indiende en geen recht had op overgangsregeling, mocht verweerder de aanvraag niet in behandeling nemen.

Eiseres voerde aan dat zij de aanvraag binnen de termijn van de vervallen Uitvoeringsregeling langdurig werklozen had ingediend, maar de rechtbank oordeelt dat deze regeling op dat moment niet meer van kracht was en verweerder daaraan geen bevoegdheid kon ontlenen. Ook het late tijdstip van bekendmaking en de financiële belangen van eiseres leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de aanvraag na het vervallen van de regeling niet in behandeling kon worden genomen.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 03/1777
Uitspraak
ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
Duodent Dental Laboratorium vof, eiseres,
gevestigd te Wageningen, vertegenwoordigd door [X],
en
de Raad van bestuur van de Centrale Organisatie Werk en Inkomen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 24 juni 2003.
2. Procesverloop
Eiseres heeft bij schrijven van 8 januari 2003 verweerder verzocht om afgifte van een verklaring langdurig werkloze ingevolge de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie (WVA), ten behoeve van de indiensttreding van [werknemer] te Arnhem.
Bij besluit van 31 januari 2003 heeft verweerder besloten om de aanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 februari 2004. Eiseres heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door [X] gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.K. Nai Chung Tong en mr. J.W. van Hes, medewerkers bij de Afdeling Juridische Zaken van de Centrale Organisatie Werk en Inkomen.
3. Overwegingen
Verweerder heeft aan het bestreden besluit samengevat ten grondslag gelegd dat door een wijziging van het wettelijke regime per 1 januari 2003 de afdrachtvermindering voor langdurig werklozen is komen te vervallen, behalve in krachtens overgangsrecht te respecteren gevallen.
Aangezien de aanvraag van eiseres bij verweerder is ingediend na 1 januari 2003 en de ter zake geldende overgangsregeling volgens verweerder niet op eisers van toepassing is, heeft hij de aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.
Vooropgesteld wordt dat in verweerders brief van 31 januari 2003 een rechtsoordeel is vervat, inhoudende dat verweerder niet (meer) over een door eiseres veronderstelde bevoegdheid beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze brief, vanwege het daarin gegeven oordeel omtrent de betreffende bevoegdheid in dit geval aan te merken als een voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Vervolgens stelt de rechtbank vast dat - naar namens eiseres ter zitting uitdrukkelijk is verklaard - het onderhavige geschil zich beperkt tot de vraag of verweerder zich terecht onbevoegd heeft geacht om de door eiseres gevraagde verklaring langdurig werkloze krachtens de WVA te verstrekken. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend, waarbij het navolgende in aanmerking is genomen.
Bij wet van 12 december 2002 (Stb. 615) is de afdrachtvermindering voor langdurig werklozen, zoals deze op dat tijdstip in de WVA was neergelegd, per 1 januari 2003 komen te vervallen. De rechtbank stelt vast dat in dit verband ook de bevoegdheid van verweerder ingevolge artikel 9 (oud) van de WVA tot afgifte van de verklaring langdurig werkloze per laatstgenoemde datum is komen te vervallen.
In artikel 33 van Pro de WVA is een overgangsregeling neergelegd met betrekking tot de afschaffing van de afdrachtvermindering langdurig werkloze. Op grond van dit artikel blijft de vervallen regeling inzake deze afdrachtvermindering doorlopen tot uiterlijk 1 januari 2007, indien een inhoudingsplichtige naar de regels van de WVA zoals die op 31 december 2002 luidden, met betrekking tot een op die datum bij hem in dienstbetrekking zijnde werknemer de afdrachtvermindering langdurig werklozen geniet. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder aan deze overgangsbepaling niet de bevoegdheid ontlenen om op basis van een na 1 januari 2003 ingediende aanvraag tot afgifte van een verklaring langdurig werkloze over te gaan.
Aangezien eiseres haar aanvraag heeft ingediend na 1 januari 2003, terwijl zij op 31 december 2002 geen afdrachtvermindering ten behoeve van [werknemer] genoot, heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld deze aanvraag niet meer in behandeling te kunnen nemen.
Eiseres heeft nog aangevoerd dat behandeling van haar aanvraag in de rede ligt, omdat zij bij de indiening daarvan de termijn in acht heeft genomen die daarvoor ingevolge artikel 2 van Pro de - per 1 januari 2003 vervallen - Uitvoeringsregeling langdurig werklozen (ULW) gold. Deze grief kan naar het oordeel van de rechtbank niet reeds slagen, vanwege de omstandigheid dat de betreffende bepaling ten tijde van de indiening van de aanvraag was vervallen. Verweerder kon aan deze bepaling dan ook geen bevoegdheid ontlenen om inhoudelijk op de aanvraag van eiseres te beslissen.
Overigens is bij de bekendmaking van de intrekking van de ULW (Stcrt. 20 december 2002, 246) aangegeven dat voor het indienen van een aanvraag geen termijn van vier maanden meer geldt en dat alle verzoeken voor toepassing van de afdrachtvermindering langdurig werklozen voor werknemers die vóór 1 januari 2003 in dienst zijn getreden uiterlijk op 31 december 2002 bij de CWI dienen te zijn ingediend. De omstandigheid dat eiseres door het late tijdstip waarop de wetswijziging is bekendgemaakt hiervan niet tijdig kennis heeft kunnen te nemen, te minder nu ook in de vaktijdschriften geen melding zou zijn gemaakt van een feitelijke verkorting van de indieningstermijn, kan er naar het oordeel van de rechtbank evenmin toe leiden dat verweerder bevoegd was om inhoudelijk op de aanvraag te beslissen.
Ook de door eiseres gestelde (financiële) belangen bij het verkrijgen van een verklaring langdurig werkloze kunnen niet leiden tot een ander oordeel dan hiervoor is gegeven.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen.
Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.J.A.M. van Geest, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2004.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: