ECLI:NL:RBARN:2004:AP2781

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
21 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05/090111
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 lid 6 Wet BOPZArt. 47 lid 2 Wet BOPZArt. 53 Wet BOPZArt. 54 Wet BOPZArt. 2 lid 4 Wet BOPZ
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onrechtmatige vrijheidsberoving, veroordeling voor valsheid in geschrift door arts Wet BOPZ

Verdachte, een arts handelend krachtens de Wet BOPZ, werd beschuldigd van valsheid in geschrift en onrechtmatige vrijheidsberoving van een patiënt. Hij had een verklaring tot voorwaardelijk ontslag antidateren en werd ervan verdacht een patiënt zonder geldige machtiging onvrijwillig te hebben opgenomen.

De rechtbank oordeelde dat het antidateren van de beschikking wettig en overtuigend bewezen was en kwalificeerde dit als valsheid in geschrift. De arts werd veroordeeld tot een geldboete van €250,-. De tenlastelegging van onrechtmatige vrijheidsberoving werd verworpen omdat uit het dossier bleek dat de opname van de patiënt vrijwillig was, en de procedure voor een voorlopige machtiging tijdig was ingezet toen de opname niet langer vrijwillig was.

De rechtbank benadrukte het belang van juiste gegevens in medische dossiers en vond dat het opzettelijk vervalsen van data bestraft moest worden. De civiele schadevordering van de benadeelde partij werd niet toegewezen vanwege onvoldoende causaal verband en onduidelijkheid over de omvang van de schade.

De uitspraak vond plaats op 21 juni 2004 door de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €250,- voor valsheid in geschrift en vrijgesproken van onrechtmatige vrijheidsberoving.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector strafrecht
Meervoudige Kamer
Parketnummer : 05/090111-03
Datum zitting : 7 juni 2004
Datum uitspraak : 21 juni 2004
VERKORT VONNIS
TEGENSPRAAK
In de zaak van
de officier van justitie in het arrondissement Arnhem
tegen
naam : [verdachte],
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],
adres : [adres],
plaats : [woonplaats].
Raadsman: mr. H.S. Bugter, advocaat te Nijmegen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegelaten vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:
1.
hij in de periode van 16 tot en met 23 februari 2002 te Nijmegen, althans in Nederland, een verklaring van voorwaardelijk ontslag ex artikel 45 lid Pro 6/47 lid 2 Wet BOPZ, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid dit geschrift te antidateren;
2.
hij in of omstreeks de periode van 16 april 2002 tot 08 mei 2002 te Nijmegen, opzettelijk H.H.J. [slachtoffer] van de vrijheid beroofd heeft gehouden en/of heeft laten houden, door haar, zonder dat gebleken is van de nodige bereidheid daartoe, in een psychiatrisch ziekenhuis of ziekenhuis, niet zijnde een psychiatrisch ziekenhuis, te doen opnemen en/of op te nemen en/of haar verblijf aldaar te doen voortduren, terwijl hij wist dat de daarvoor benodigde bescheiden als bedoeld in artikel 53 en Pro/of 54 Wet BOPZ niet waren overgelegd en/of aanwezig waren;
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is op 7 juni 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. H.S. Bugter, advocaat te Nijmegen.
Als gemachtigde van de benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen:
- mr. M.A. Smits, advocaat te Nijmegen, Postbus 1106, 6501 BC Nijmegen, die optreedt namens G.M. [benadeelde partij].
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij G.M. [benadeelde partij], vertegenwoordigd door mr. M.A. Smits. Postbus 1106, 6501 BC Nijmegen, tot een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag wordt toegewezen en dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een overeenkomstig aantal dagen hechtenis.
Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.
3. De beslissing inzake het bewijs
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1 is tenlastegelegd heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt nimmer de opzet heeft gehad om iets te vervalsen. Dit verweer wordt verworpen, aangezien de datum van 21 december 2001 op een tijdstip bijna twee maanden later door verdachte is vermeld, omdat verdachte wilde bevestigen, dat de betrokken voorwaarden op 21 december 2001 waren vastgesteld en ondertekend. Dit kan bezwaarlijk als anders dan opzettelijk worden aangemerkt.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 is tenlastegelegd en zal hem daarvan vrijspreken. Uit een brief van GGZ Nijmegen, gedateerd 19 augustus 2003, aan het Arrondissementsparket te Arnhem is namelijk gebleken dat H.H.J. [slachtoffer] via de Regionale Crisisdienst is opgenomen op vrijwillige basis. Hierdoor kon van het aanvragen van een inbewaringstelling worden afgezien omdat bij een vrijwillige opname geen inbewaringstelling wordt verleend. De situatie van vrijwillige opname is pas opgehouden te bestaan omstreeks 22 april 2002, toen H.H.J. [slachtoffer] weigerde haar medicatie tot zich te nemen. Toen was verkrijging van een last tot inbewaringstelling door de burgemeester niet mogelijk, omdat gesteld noch gebleken is dat er sprake was van een zo onmiddellijk dreigend gevaar, dat toepassing van de procedure tot verkrijging van een voorlopige machtiging niet afgewacht kon worden. Vanaf die datum is door verdachte dan ook ex artikel 2, vierde lid van de Wet BOPZ, de procedure tot verkrijging van een voorlopige machtiging in gang gezet. Deze procedure is gestart op 22 april 2002 met het verzoeken van een beoordeling inzake verkrijging van een voorlopige machtiging. Vervolgens is op 26 april de aanvraag voor een voorlopige machtiging naar de rechtbank verzonden en is de voorlopige machtiging uiteindelijk op 8 mei 2002 door de rechtbank verleend.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:
1.
hij in de periode van 16 tot en met 23 februari 2002 te Nijmegen, een verklaring van voorwaardelijk ontslag ex artikel 45 lid Pro 6/47 lid 2 Wet BOPZ, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid dit geschrift te antidateren;
Hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
“valsheid in geschrift”,
Het feit is strafbaar.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid of feit aannemelijk geworden waardoor de strafbaarheid van verdachte wordt opgeheven of uitgesloten. Verdachte is dus strafbaar.
6. De motivering van de sanctie(s)
Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:
- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 14 mei 2004, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hoewel verdachte dit delict opzettelijk heeft gepleegd, had hij slechts de bedoeling om ontslagvoorwaarden, waarvan hij meende dat deze waren vastgesteld, schriftelijk vast te leggen met ingang van de gewraakte datum. Dit feit staat op zich los van een later gevolgde onvrijwillige opname zonder geldige titel van de in deze zaak betrokken psychiatrische patiënt. Wel acht de rechtbank van groot belang dat ervan moet kunnen worden uitgegaan dat gegevens – ook data – in medische dossiers juist zijn. Dat verdachte dit belang heeft geschonden dient naar het oordeel van de rechtbank te worden bestraft met een geldboete van na te noemen hoogte.
6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de
gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.
De rechtbank acht de vordering niet van eenvoudige aard, omdat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de schade vooralsnog niet, althans onvoldoende is komen vast te staan. Bovendien is de omvang van de schade onvoldoende duidelijk. Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.
7. De toegepaste wettelijke bepalingen
De beslissing is, behalve op de hiervoor genoemde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank, rechtdoende:
Spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
een betaling van een geldboete ten bedrage van € 250,- (zegge tweehonderdvijftig Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de duur van vijf (5) dagen hechtenis.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij G.M. [benadeelde partij], vertegenwoordigd door mr. M.A. Smits, Postbus 1106, 6501 BC Nijmegen.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Aldus gewezen door:
mr. E.G. Smedema, rechter als voorzitter,
mr. P.J. Schreuder, rechter,
mr. A.G. Broek-de Stigter, rechter,
in tegenwoordigheid van drs. J. van Horn, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juni 2004.