ECLI:NL:RBARN:2004:AP3599

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
19 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
102834
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.W. Collewijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering executoriaal derdenbeslag wegens ontbreken van schuld of bezit

Eisers legden op 16 april 2003 executoriaal derdenbeslag bij gedaagde met betrekking tot beslagene B. Gedaagde legde op of kort na 28 mei 2003 en aanvullend op of kort na 3 juni 2003 schriftelijke verklaringen af over de rechtsverhoudingen met de beslagene. Omdat eisers deze verklaringen betwistten, dagvaardden zij gedaagde op 28 juli 2003 tot het doen van een gerechtelijke verklaring.

Tijdens de comparitie van partijen op 1 maart 2004 lichtte gedaagde zijn verklaringen nader toe. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding tijdig was, omdat deze binnen twee maanden na de aanvullende verklaring van 3 juni 2003 was gedaan. De rechtbank achtte de verklaringen van gedaagde betrouwbaar en zag geen aanleiding tot twijfel.

Eisers hebben na ontvangst van aanvullende stukken van gedaagde op 1 april 2004 geen verdere betwisting of toelichting gegeven. De rechtbank concludeerde dat gedaagde niets van de beslagene onder zich heeft, geen schuld aan hem heeft en ook niets zal verkrijgen uit een bestaande rechtsverhouding. Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde eisers in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af omdat gedaagde niets van de beslagene onder zich heeft of verschuldigd is.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 102834 / HA ZA 03-1292
Datum vonnis: 19 mei 2004
Vonnis
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CARSHOPPING INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. X,
wonende te A, België,
eisers,
procureur mr. J.M.J. Huver,
advocaat mr. B.S. Stolwijk te Utrecht,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WILLARD HOLDING B.V.,
gevestigd te Ede,
gedaagde,
procureur mr. T.J. van Veen,
advocaat mr. A. Robustella te Ede.
Het verloop van de procedure
Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 22 oktober 2003. De daarin bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 1 maart 2004. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de processtukken. Vervolgens is op verzoek van partijen vonnis bepaald.
De vaststaande feiten, het geschil en de beoordeling daarvan
1. Eisers hebben op 16 april 2003 onder gedaagde executoriaal derdenbeslag laten leggen.
2. Gedaagde heeft op (of kort na) 28 mei 2003 en aanvullend op (of kort na) 3 juni 2003 een schriftelijke verklaring afgelegd met betrekking tot rechtsverhoudingen die bestaan of hebben bestaan tussen gedaagde en de beslagene B. Aangezien eisers de bovengenoemde verklaringen betwisten hebben zij gedaagde op 28 juli 2003 gedagvaard tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executanten zal blijken toe te komen.
3. Ter comparitie van partijen heeft gedaagde vorenbedoelde verklaringen nader toegelicht.
4. De comparitie van partijen werd aangehouden tot 28 maart 2004 opdat de gedaagde binnen twee weken de in het proces-verbaal van de comparitie van partijen vermelde stukken aan eisers zou doen toekomen. Beide partijen zouden daarna reageren met een voorstel aan de rechtbank ten aanzien van de afdoening van de procedure.
Aan deze afspraak heeft gedaagde blijkens de brief van zijn advocaat van 1 april 2004 op deze datum voldaan. Dit is wel later dan afgesproken, maar niet fataal, gelet op de reden van de vertraging (wachten op bericht van accountant).
5. Ter comparitie van partijen heeft de advocaat van gedaagde gewezen op artikel 477a lid 2 Rv., waarin onder meer is bepaald dat de dagvaarding tot het doen van een gerechtelijke verklaring dient plaats te vinden binnen twee maanden na het afleggen van de verklaring en dat overschrijding van deze termijn deze bevoegdheid doet vervallen. De rechtbank gaat hier uit van de datum van de aanvullende verklaring van op (of kort na) 3 juni 2003. Gerekend vanaf deze datum was de dagvaarding op 28 juli 2003 tijdig.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding de verklaringen van de gedaagde, zowel in de beslagprocedure als ter comparitie van partijen onjuist te achten.
7. Eisers hebben in de op 1 april 2004 door gedaagde aan eisers toegezonden stukken zoals besproken ter comparitie van partijen, kennelijk geen aanleiding gezien hun stellingname in de procedure uit te breiden, toe te lichten of de verklaring van gedaagde ter comparitie van partijen afgelegd te betwisten.
8. Op grond van het vorenstaande moet thans als vaststaand worden aangenomen dat gedaagde niets van de beslagene B onder zich heeft en/of aan hem verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding met hem zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan hem verschuldigd zal worden. De vordering moet dan ook worden afgewezen.
9. Eisers dienen in de kosten van de procedure te worden veroordeeld.
De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen af,
veroordeelt eisers in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 205,-- voor verschotten en € 780,-- voor salaris van de procureur,
verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Collewijn en uitgesproken in het openbaar op woensdag 19 mei 2004.
de griffier de rechter