ECLI:NL:RBARN:2004:AR0764
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip feitelijk genoten inkomsten in WAO en gevolgen faillissement voor inbaarheid
Eiser ontvangt sinds 1972 een WAO-uitkering. Verweerder stelt dat eiser in de periode 1995-1999 hogere inkomsten uit arbeid had dan opgegeven, wat leidt tot korting en terugvordering van de WAO-uitkering. Eiser betwist dit en voert aan dat het salaris over 1998 en 1999 lager was dan door de werkgever aan de Belastingdienst is doorgegeven.
De rechtbank stelt vast dat het begrip 'feitelijk genoten inkomsten' in artikel 44 WAO Pro vereist dat de inkomsten vorderbaar en inbaar zijn. Hoewel de kantonrechter heeft vastgesteld dat de werkgever achterstallig salaris verschuldigd was, verhindert het faillissement van de werkgever de inbaarheid van deze vordering. Hierdoor kan het achterstallige salaris niet als genoten inkomsten worden aangemerkt.
Verweerder heeft betoogd dat ziekengeld als inkomsten uit arbeid moet worden gezien, maar de rechtbank verwerpt dit omdat een dergelijke uitkering geen baat is die tegenover verrichte arbeid staat. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt een nieuw besluit met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onjuiste toepassing van het begrip genoten inkomsten in verband met faillissement.